dinsdag 30 april 2013

Пролетарии всех стран, соединяйтесь!








  
Пролетарии всех стран, соединяйтесь!




Op 1 mei 1890 voerden over heel de wereld – in Europa, in Australië, in de beide Amerika's – arbeiders actie voor de invoering van de achturige werkdag. In sommige landen werd gestaakt, elders hielden de actievoerders het bij demonstraties en meetings.

Acht uur! zoo klinkt door alle landen,
Acht uur zij onze arbeidstijd.
Acht uur aan d' arbeid onzer handen
En ook aan onzen geest gewijd.
Wij willen flink en krachtig werken,
Maar 't lichaam geven onzen eisch!
Wij willen maag en geest versterken,
En vrijheid zelfs tot elken prijs.

Acht uur! Acht uur!
Geen langer arbeidsduur!
Ten strijd! Komt allen op ten strijd!
Ten strijd voor acht uur arbeidstijd!

Een werkdag van 8 uur lijkt vandaag zonder meer vanzelfsprekend. Zozeer zelfs, dat het in bepaalde kringen weer bon ton is geworden zich er tegen af te zetten. Met enig dédain wordt er dan gesproken over de dienstklopper die nét zijn acht uren presteert en hiermee te kennen geeft slechts matig gemotiveerd te zijn. Het ware engagement uit zich in méér werken. Zo'n houding is uiteraard alleen maar mogelijk in een comfortabele sociale omgeving waarin de achturendag de norm is.

Maar nog niet zo heel lang geleden was een werkdag van 8 uur een vrome, verre wens. In de tweede helft van de 19de eeuw presteerde een fabrieksarbeider zo'n 12 tot 16 uur per dag, 6 dagen per week, voor een hongerloon. Zo mogelijk nóg meer uren klopten de meestal in schrijnende armoede ploeterende huisarbeiders: vellenbewerkers, stoelbinders, kantwerksters. In 1886 moesten metaalarbeiders 's morgens tussen 6 en 7 uur hun werk beginnen, om dan door te werken tot 7 uur – half 8 's avonds. De kompels in de mijnen werkten zo'n 11 uur, textielarbeiders klopten shiften van 13 à 14 uur. Een regime van 3000 werkuren per jaar was geen uitzondering. Vandaag ligt het regime van een West-Europese werknemer, althans officieel, op wat meer dan de helft daarvan.

Vincent van Gogh, De terugkeer van de mijnwerkers. Marcasse, Borinage, na april 1881. Inkt, potlood en penseel. Otterlo, Museum Kröller-Müller State Museum

De arbeidsomstandigheden waren gewoonlijk ongezond en meestal bovendien gevaarlijk. Koploper op dit vlak waren de mijnen, zoals de mijn van Marcasse in de Borinage, die Vincent van Gogh in 1879 beschreef in een brief aan zijn broer Theo. 
Die mijn staat in slechten naam vanwege dat er velen in omkomen, hetzij bij het afdalen of naar boven gaan, of door stiklucht of gasontploffing, of door het water in de grond, of door het instorten van verouderde gangen, enz… Het is een sombere plek en bij 't eerste gezicht heeft alles in de omtrek iets akeligs en doodsch. De arbeiders aldaar zijn meestendeels lieden vermagerd en verbleekt door de koorts, en zien er vermoeid en uitgemergeld uit, verweerd en vroegtijdig verouderd, de vrouwen vaal en verlept over 't algemeen. Rondom de mijn armoedige mijnwerkerswoningen, met een paar doode bomen, geheel zwart berookt, en doorenheggen, mestvaalten en aschhoopen, bergen onbruikbare steenkool enz… Deze mijn heeft vijf verdiepingen, 3 daarvan de bovenste, zijn uitgeput en verlaten en men werkt er niet meer in omdat er geen steenkool meer is… De gangen zelf zijn als groote schoorstenen bij de Brabantsche boeren. In sommige lekt het water overal door en het licht van de mijnwerkerslamp maakt er een zonderling effect, en weerkaatst als in een grot van druipsteen. Sommige arbeiders werken in de maintenages, andere laden de losgemaakte steenkool in kleine wagens, die op rails als van een tramway vervoerd worden, het zijn vooral kinderen die dit doen, zowel jongens als meisjes. 
Kinderarbeid werd pas vanaf 1889 gereglementeerd; in 1869 werkten nog 3000 kinderen jonger dan 12 (lees: vanaf een jaar of 6)  in de Belgische mijnen.


Mijnwerkersopstand te Mons, 1893

De achturendag – 8 uur werk, 8 uur ontspanning, 8 uur rust – was  in deze context zonder meer een revolutionaire gedachte. 
Geheel nieuw was de idee nochtans niet. De Britse industrieel en utopische socialist Robert Owen (1771-1858) bracht ze in 1817 reeds naar voren: in de socialistische coöperaties die hij opgericht wou zien, zou maximaal 8 uur per dag worden gewerkt. In zijn eigen fabriek slaagde hij er overigens niet in de achturendag toe te passen: 10 ½ uur was er de norm. Pas in 1856 werd de achturendag voor het eerst in de praktijk gebracht. Down under nog wel, in Melbourne, waar stakende arbeiders hun eis er door kregen. Drie weken lang werkten zij in het achturendagsysteem – daarna werd het oude stelsel opnieuw ingevoerd. Ook in Frankrijk mochten de werkers na de revolutie van 1848 even van een kortere werkdag proeven, één van 10 uur. Die hield overigens maar enkele maanden stand: na de val van de efemere Tweede Republiek keerde l'Hexagone weer naar een arbeidsdag van 12 uur.

De Eerste Internationale (Londen 1864) onderschreef het principe van de achturendag maar steunde in de praktijk vooral de strijd voor de invoering van de tienurige werkdag, die als een zeer belangrijke tussenstap werd beschouwd. Hier en daar wist men vanaf de late jaren 60 door middel van stakingen een verkorting van de arbeidsduur tot 10 uur of minder af te dwingen. Soms waren die stakingen ware krachtmetingen: in 1872 staakten de Brusselse steenhouwers 5 maanden vóór het patronaat toegaf.

Ook in de Verenigde Staten werd vanaf de jaren 60 geijverd voor een verminderde arbeidsduur. Met succes, want in 1868 introduceerde men er in de staatsbedrijven de achturendag. In de privé-ondernemingen hield het regime van 11 à 12 uur stand. Op het Congres van Chicago (1884) stelde de Federation of Organized Trades and Labor Unions 1 mei 1886 voorop als de datum waarop de strijd voor de veralgemeende achturendag voorgoed zou aanvangen: 
Arouse, ye toilers of America! Lay down your tools on May 1, 1886, cease your labor, close the factories, mills and mines – for one day in the year. One day of revolt – not of rest! A day not ordained by the bragging spokesmen of institutions holding the world of labor in bondage! A day on which labor makes its own laws and has the power to execute them! All without the consent or approval of those who oppress and rule. A day on which in tremendous force the unity of the army of toilers is arrayed against the powers that today hold sway over the destinies of the people of all nations.





Van oudsher was in het Verenigd Koninkrijk 1 mei de dag geweest waarop contracten werden afgesloten of vernieuwd, achterstallige cijnzen betaald, schulden vereffend, verhuisd naar een nieuwe woning. De Britse kolonisten namen deze traditie mee naar New England. Dat men precies op 1 mei actie ging voeren, lag dus een beetje voor de hand.


Dus: op 1 mei 1886 ging de actie voor de "Drie Achten" van start. Er braken 5000 stakingen uit, waarbij over heel de US zo'n 340.000 arbeiders betrokken waren. Na 1 mei staakten een kleine 40.000 man verder. In Chicago vielen daarbij doden: bij de McCormick Reaper Factory op 3 mei, waar de politie 6 betogers doodschoot, en op Haymarket Square op 4 mei, waar bij een bomaanslag 7 politiemensen omkwamen. Er werden 8 radicale leiders opgepakt, 5 daarvan werden schuldig bevonden en terechtgesteld – ten onrechte, bleek 6 jaar nadien.
De "martelaren voor de achturendag", zoals ze in de contemporaine socialistische pers gewoonlijk worden genoemd, gaven 1 mei internationale bekendheid. Op het internationaal syndicaal congres van 1888 te Londen stelde de Gentse socialistische voorman Eduard Anseele voor dat het congres 1 mei zou uitroepen tot de dag waarop overal ter wereld arbeiders op hetzelfde uur zouden manifesteren voor de achturendag. Zijn voorstel werd niet opgenomen in de slotresolutie van het congres, maar op het stichtingscongres van de Tweede Internationale (Parijs 1889) werd het opnieuw naar voren gebracht én unaniem goedgekeurd.
Zo werd 1 mei 1890 de eerste dag dat overal ter wereld werklieden gelijktijdig actie voerden om hun eisen voor betere arbeids- en leefomstandigheden kracht bij te zetten. Het duurde in België overigens nog tot 1921 (wet van 14 juni) vooraleer de achturendag wettelijk werd verplicht gesteld. 

1-Meiparade op het Rode Plein, Moskou, Sovjetunie, 1933
1 mei volgens de Oekraïense feministische actiegroep Femen
1-meiviering van het Vlaams Belang
Sinds 1890 kende het 1-meifeest een bewogen geschiedenis. Hoewel vaak geofficialiseerd en geïnstitutionaliseerd als Dag van de Arbeid, Labour Day, Jour du Travail enz. is het traditioneel een strijddag en een "hoogdag van links" gebleven, ter gelegenheid waarvan syndicale eisen worden verwoord maar ook andere maatschappelijke en politieke thema's onder de aandacht worden gebracht: het algemeen stemrecht, de Koude Oorlog, de onafhankelijkheidsbewegingen in de koloniën, racisme, de Cubacrisis, de Palestijnse kwestie, de wapenwedloop … In de landen van het reëel existerend socialisme was 1 mei vooral een dag van militair machtsvertoon, zeker in de dagen van de Koude Oorlog. Maar 1-meivieringen bleven niet het monopolie van de (democratische of wat minder democratische) linkerzijde: ook aan de andere kant van het politieke spectrum ging men in de loop der jaren 1 mei benutten om politieke en sociale boodschappen extra in de verf te zetten. Zo maakte Hitler in 1933 1 mei een betaalde feestdag (waarna hij prompt de vakbonden afschafte) en was ook in het Argentinië van Juan Perón de 1ste mei een officiële vrije dag. In België vieren tegenwoordig zowat alle politieke gezindheden 1 mei, van  PvdA en Groen! tot Vlaams Belang. 


Sint-Jozef Timmerman, bidprentje
De katholieke Kerk gaf 1 mei een heel eigen invulling, die wel nauw aansloot bij de socialistische Dag van de Arbeid. Al onmiddellijk na de eerste internationale 1-meiviering, had in in 1891 paus Leo XIII  de encycliek Rerum Novarum uitgevaardigde, die de sociale leer van de Kerk voor de geïndustrialiseerde wereld uiteenzette. Rerum Novarum werd ingeschoven in de kerkelijke kalender en meer bepaald in de paascyclus: het werd geïnstalleerd op Hemelvaartsdag, veertig dagen na Pasen. 
Na de Tweede Wereldoorlog, toen in volle Koude Oorlog zowel de populariteit van als de aversie tegen het Oostblok in West-Europa aanzienlijk waren, stelde de rabiate communistenhater Pius XII in 1955 het feest van Sint-Jozef Arbeider in op 1 mei. Jozef, de vader van Jezus van Nazaret en volgens (vooral) de apocriefe evangeliën een timmerman, werd als ambachtsman Jozef hét icoon van het christelijke arbeidsethos.


Bona Dea. Leiden, Museum van Oudheden

Tot zover 1 mei post 1890.

Maar ook voorheen was er natuurlijk al een  1ste mei. En ook die werd gevierd.
Al heel vroeg zelfs.
Met de kalenden van mei (dus op 1 mei) vierden de Romeinen het feest van de godin Maia met het offer van een drachtige zeug. Deze Maia of Maiesta, een nogal obscure maar in de vroegste dagen van de Latijnen heel belangrijke godheid die werd geïdentificeerd met Tellus, de aarde en met de al evenmin duidelijke godinnen Fatua, Ops en Fauna, werd aanroepen als Bona Dea, de goede godin. Maia had te maken met de groei der dingen (haar naam is verwant met maior, maius, "groter"). Later werd Maia ook nog geïdentificeerd met haar Griekse naamgenote, de moeder van Hermes, en geassocieerd met het sterrenbeeld van de Pleiaden.
De Kelten van de Britse eilanden (Ieren, Schotten en Welshmen) vierden op 1 mei Beltane.
Beltane sloot het koude winterseizoen, dat met Samhain (1 november) was begonnen, af en zette het warme seizoen, de zomer, in. Diverse oorsprongen of ontstaansgeschiedenissen werden met Beltane in verband gebracht. Zo lezen we in het Lebor Gabhála Erenn, het boek dat de opeenvolgende tijdperken van de Ierse mythologische voorgeschiedenis verhaalt, dat onder andere het godenvolk van de Tuatha Dé Danaan op 1 mei op de Ierse kust landde. Een vorig titanengeslacht, aangevoerd door Partholon, had ook al met Beltane voor het eerst in Ierland voet aan wal gezet.
Beltane was vooral een vuurfeest. Mogelijk ook al eerder, maar zeker vanaf de 8ste eeuw (waaruit de oudste vermelding dateert) tot de eerste decennia van de 19de, stak men in Ierland en Schotland op 1 mei vuren aan, bij voorkeur op de top van een heuvel. Het vuur werd aangemaakt op de primitiefst denkbare manier, met een vuurboor en turf of zwamvlok, wat een aanwijzing kan zijn voor het archaïsche karakter van het ritueel. Men geloofde dat de Beltane fires vruchtbaarheidsbevorderende eigenschappen hadden en het kwaad op een afstand hielden: driemaal door het vuur lopen of erover springen garandeerde een grote oogst, schapen en runderen die er langsheen werden gejaagd, bleven gevrijwaard van ziekte.

Maypole. Engeland, ca. 1907
Ook elders in Europa werden op 1 mei vuren gebrand, meestal al in de Walpurgisnacht. Het waren echter vooral de diverse gebruiken waarin de meiboom of zijn meer gestileerde variant, de meipaal, centraal staan, die in Engeland en op het Europese vasteland van de Middeleeuwen tot de eerste helft van de 19de eeuw een prominente rol speelden. Het scenario was vrij stereotiep. Eerst werden takken met jong groen, bloemen en kruiden verzameld, vaak reeds in de nacht vóór 1 mei, de Walpurgisnacht. Dan koos men een mooie jonge boom, gewoonlijk een berk, spar, meidoorn, es of eik. 
 
Men hakte de boom om, ontdeed hem deels of helemaal van zijn takken en richtte hem dan op in het midden van het dorpsplein, op de grote markt van de stad of op een andere sociaal belangrijke locatie. In sommige streken werd de meiplanting geïndividualiseerd en stond er één voor ieder huis, op elk erf, hier en daar zelfs op het dak. Rond de boom of staak, die werd opgesmukt met guirlandes van jong groen, gekleurde slingers en linten, kruiken en ander huisraad, werd gedanst. Onder het jonge volkje werd een meikoningin gekozen en gekroond, en vaak ook een meikoning; beiden gingen, met bloemen getooid, als een bruidspaar door dorp of stad terwijl zij de meizegen gaven aan de omstaanders. 


Yeni Haber, meikoningin te Genk, 2010


Reine du muguet met hofdames. Rambouillet, 2008
Meiklokje of lelietje-van-dalen (Convallaria majalis)



Een late variant hierop is de waarschijnlijk pas in de 19de eeuw in Ile-de-France ontstane gewoonte op 1 mei een reine du muguet te kiezen en aan geliefden, vrienden en familie een takje van het naar verluidt gelukbrengende meiklokje te geven.

Jongemannen plantten ook een liefdesmei voor het raam van hun lief om haar eer te bewijzen, een gebruik dat in nogal wat liedteksten opduikt:

Schoon lief hoe ligt gy hier en slaept
In uwen eersten droome?
Wil opstaen en den mei ontfaen,
Hy staet hier al zoo schoone.

Of dit stukje rederijkerspoëzie:

Ik wil den mei gaan houden
Voor myn liefs vensterkijn,
Ende schenken myn lief trouwe
Die allerliefste myn,
Ende zeggen: Lief wilt komen
Voor u klein vensterken staen.
Ontvangt den mei met bloemen,
Hy is zoo wel gedaen.

Het hoeft niet gezegd dat het niet bij takjes planten en liedjes zingen bleef. Volgens de Nederlandse volkskundige Catharina van de Graft werd meer dan een derde van de meisjes in de eerste meinacht vrouw. Bij deze buitengewone seksuele activiteit in de context van de meiviering kunnen overigens vraagtekens worden geplaatst. Uit onderzoek naar het voorkomen van buitenechtelijke geboorten in Engeland, concludeerden Peter Laslett en Karla Oosterveen dat meinacht blijkbaar weinig extra concepties opleverde: die vonden vooral plaats in de late zomer. Misschien was het destijds, voordat global warming almaar vroeger in het jaar voor zomerse temperaturen begon te zorgen, begin mei te frisjes voor veel geflikflooi in de lentelucht.  

Arbre de la Liberté. Frankrijk, einde 18de eeuw

Waar de meiboom vandaag nog bestaat, kan hij worden beschouwd als neofolklore, een ten behoeve van het toerisme opnieuw  gecreëerd gebruik. Want behalve een kortstondige hausse tijdens de Franse bezetting – het revolutionaire Frankrijk gebruikte hem als instrument om de idealen van Liberté, Égalité en Fraternité te verspreiden – verdween de meiboom in de Lage Landen in de loop van de 18de eeuw grotendeels uit de steden en in de 19de uit de dorpen op het platteland. Hoewel het gebruik eeuwenlang door de Kerk was bestreden omwille van de losbandigheid en het occasionele geweld die met de vaak behoorlijk wilde vieringen gepaard gingen, was die er blijkbaar niet in geslaagd de traditie helemaal uit te roeien (al deden démarches als de wijding van de hele meimaand aan de Heilige Maagd uiteraard hun duit in het zakje.) Het was vooral een veranderde mentaliteit die de meiboom op de vuilnisbelt van de geschiedenis deed belanden. "Het heette," schrijft Jef de Jager in Rituelen, "dat de feestelijkheden zozeer waren ontaard dat nette mensen er niet langer aan mee wilden doen. Maar het is niet waarschijnlijk dat het feest van karakter was veranderd; eerder waren die nette mensen 'netter' geworden. Vrijage werd namelijk voor steeds meer paartjes een privé-aangelegenheid."



Waarom plantte men een meiboom?
Dat er een verband is met de in mei bijna explosief losbarstende natuur, lijkt zonneklaar. Op welke manier dan wel, is al wat minder duidelijk. James George Frazer betoogde in The Golden Bough uitvoerig dat de meiboom een relict is van een oude vegetatiecultus waarin de verering van bomen, of meer precies van de in bomen huizende geesten, centraal staat. Door de boom uit het bos in dorp of stad te brengen, importeerde men ook het levensvernieuwende numen dat in de boom huisde; aan dat numen participeerde men door de boom te versieren en eromheen te dansen.
Voor de Roemeense godsdiensthistoricus Mircea Eliade waren de meifeesten niets minder dan kosmogonische riten, waarbij de schepping van de wereld ritueel werd overgedaan. In de winter sterft de vegetatie, met de lente herleeft zij. Om deze herleving te bekrachtigen en te verzekeren, moet de mens ingrijpen. Hij moet de schepping van de kosmos herhalen, de wereld weer structuur geven na de chaos van de winter. Daarom wordt een boom geplant. Hij duidt het centrum aan en brengt zo oriëntatie en orde waar voorheen slechts ordeloosheid was. De boom is de Axis Mundi, de wereldas. Het  schertshuwelijk van meikoningin en –koning is au fond eveneens sacraal: het is een echo van de in illo tempore aangegane verbintenis van hemel en aarde, de oorspronkelijke hiërogamie waaruit het leven is voortgekomen. In oorsprong was het meifeest dus meer dan louter vermaak: het was een heilig gebeuren. Bijgevolg was het ook niet zonder gevaar: 1 mei stond buiten de historische tijd van de mensen en participeerde aan de mythische oertijd, waarin bovennatuurlijke en magische krachten vrij spel hadden. In de eerste meinacht, Walpurgisnacht, waren de elfen, trollen en andere geesten van aarde, water, lucht en vuur actiever dan ooit, terwijl de heksen, zoals we onder andere kunnen lezen in Goethes Faust, hun jaarlijkse sabbat vierden. Het was om deze krachten van het duister af te weren dat men vuren ontstak, waar men dan het vee langsheen joeg omdat het uiteraard ook de wezens van de nacht waren die de dieren ziek konden maken.

Freiheitsbaum, Elzas einde 18de eeuw

Nogal wat historici, vooral van socialistische signatuur, ontkennen dat het hedendaagse Feest van de Arbeid ook maar iets te maken zou hebben met de andere, oudere, meivieringen. Hoogstens zou sprake zijn van hier en daar de ontlening van wat symbolische parafernalia, zoals het meiklokje, dat een vast ingrediënt is geworden van het socialistische feest. Diametraal tegenover deze visie staat die van een aantal godsdiensthistorici en antropologen, die precies een merkwaardige continuïteit menen te kunnen zien in de 1-meifeesten, van vegetatiecultus tot vakbondshoogdag. "Le jour du 1er mai est célébré aujourd'hui comme jour du travail et de la liberté; pour la mentalité moderne, cette fête conserve en partie le mythe de la régénération et de l'amélioration du bien-être collectif, mythe commun à toutes les sociétés traditionalistes," lezen we in Eliades Traité d'histoire des religions.  Mogelijk is dit overdreven (en in ieder geval niet feitelijk te bewijzen), maar zeker is dat ook voor de  hedendaagse industriële of postindustriële sensibiliteit de idee van hernieuwing, van (her)beginnen met een schone lei, onverbrekelijk met 1 mei (en bij uitbreiding met de hele meimaand) verbonden blijft. Herman Gorters nieuwe lente die een nieuw geluid brengt, is meer dan een cliché: we zien en horen nog altijd, we voelen nog steeds in onze knoken, dat het klopt.

Kameraadschappelijk!


© 2013 Clement Caremans





In 1944 dirigeerde Arturo Toscanini, die Italië ontvlucht was voor Mussolini's fascistische regime, Giuseppe Verdi's Inno delle Nazione om de overwinning van de Geallieerden te eren. Verdi componeerde zijn Inno oorspronkelijk rond de nationale hymnes van Groot-Brittannië, Frankrijk en Italië. Om de geallieerde zege te huldigen, besloot Toscanini de Italiaanse hymne weg te laten en That Star Spangled Banner voor de VS en de Internationale voor de USSR toe te voegen. In de jaren 1950, toen met senator McCarthy het House Un-American Activities Committee op volle toeren draaide, knipten censoren de Internationale uit de opname en het filmpje werd lange tijd verloren gewaand.
Toscanini leidt het NBC Symphony Orchestra en het Westminster Choir. Ook Jan Peerce is van de partij als tenor solo, maar die zie je niet in dit fragment.


Volg de activiteiten van Het GenOOtschap - stuwgroep voor cultuur op facebook:
http://www.facebook.com/HetGenootschap