zondag 2 februari 2020

Berenscheten, bosmarmotten en pannenkoeken










Phil, de voorspellende bosmarmot van Punxsutawney


 Berenscheten, bosmarmotten en pannenkoeken  




In Groundhog Day, een komedie uit 1993 met in de hoofdrollen Bill Murray en Andie MacDowell, wordt de chagrijnige, cynische weerman Phil Connors door de redactie van zijn tv-zender naar het boerengat Punxsutawney in Pennsylvania gestuurd om er een reportage te maken over Groundhog Day, een folkloristisch gebeuren dat hij hartsgrondig verfoeit. Die dag, 2 februari, staat in Punxsutawney in het teken van de bosmarmot (groundhog), die voorspelt of de winter ten einde is of nog even duren zal. Heel het gehucht is verzameld rond het hol van marmot Phil: als ze uit haar hol komt terwijl het zonnig is en ze ziet haar eigen schaduw, blijft het nog even winteren; is het echter bewolkt op het moment suprême en is er geen schaduw te bespeuren, is de winter ten einde. 
In de film komt weerman Phil in een tijdslus terecht, waardoor hij Groundhog Day telkens weer herbeleeft, elke dag opnieuw. Hij zit gevangen in de kerker van zijn kille cynisme, en zal pas uit die hoogst persoonlijke winter kunnen losbreken als zijn mentaliteit verandert. Hetgeen uiteraard gebeurt: nadat Phil heeft geprobeerd de zinloosheid van de zich steeds herhalende dag te doorbreken met enkele knettergekke zelfmoordpogingen, begint hij zich het lot van de mensen in zijn omgeving oprecht aan te trekken, wordt hij creatief en wint hij tenslotte het hart van de knappe tv-producente Rita, die tevoren volstrekt niet in hem geïnteresseerd was. Het slot van de film is evident: boy gets girl en ook voor Phil Connors eindigt de eeuwige winter.
Groundhog Day bestaat ook buiten de film: in grote delen van de Verenigde Staten en Canada, waar de bosmarmot voorkomt, wordt het ontwaken van het beest feestelijk gevierd op 2 februari.

Volgens de katholieke feestkalender is het op 2 februari Lichtmis, alias het Feest van de Opdracht van Jezus in de Tempel én het Feest van de Zuivering van Maria. Het joodse gebruik schreef voor dat een jongen in de Tempel werd gepresenteerd, terwijl een vrouw die een zoon had gebaard pas na veertig dagen weer het heiligdom mocht betreden om er te worden gezuiverd (na de geboorte van een meisje duurde dat tachtig dagen). Dus trokken Jozef en Maria met het busselkind Jezus naar de Tempel om de rituele verplichtingen te voltrekken; ze hadden ook een koppeltje duiven bij zich om dat aan God te offeren.

Vandaag is Lichtmis als viering zo goed als onbekend, al kennen sommigen onder ons het nog als de dag waarop pannenkoeken worden gebakken. Die pannenkoeken waren ooit obligaat: “op Lichtmis is geen wijfke zo arm of ze maakt haar panneke warm”, zei een volks gezegde wat dubbelzinnig, want met een erotische ondertoon. En één van de populaire namen voor het feest, dat met zijn volledige naam Maria-Lichtmis of Onze-Lieve-Vrouw-Lichtmis heet, was Onze-Lieve-Vrouw-schudt-de-pan. Waar de koeken vandaan komen is niet duidelijk. Je leest soms dat ze met hun gouden kleur en ronde vorm refereren aan de sterker wordende zon die de lente zal brengen, maar dat is wellicht nonsens. Ook is wel geopperd dat ze de voortzetting zijn van de mola salsa, koeken die in het oude Rome ter gelegenheid van de Lupercalia werden geprepareerd door de Vestaalse Maagden. Nog een andere verklaring zoekt het in de sociale en economische realiteit van ons agrarische verleden. Met Lichtmis zou men de laatste wintervoorraden van bloem, eieren en boter hebben weggewerkt door koeken te bakken. Of ook nog: op het einde van de winter maakten nieuwe meiden en knechten hun opwachting op de boerderijen. Ze werden verwelkomd met pannenkoeken. En misschien was het wel een combinatie van de twee.
In feite weten we het niet.

Lichtmis werd in Engeland ook wel aangeduid als Wives' Feast-Day en in Duitsland als Frauentag. Weibermonat noemde men, zeker tot de 19de eeuw, de maand februari in de Duitse graafschappen Westfalen en Mark: “vrouwenmaand”. Dat is, zegt het Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens van Bächtold-Stäubli en Hoffmann-Krayer, niet alleen omwille van de Frauentag Lichtmis, maar omdat héél februari allerlei gebruiken kende die de vrouwen bijzondere voorrechten en vrijheden verleenden, zoals dansfeesten waarop de mannen niet waren toegelaten. Een aantal 19de- en vroeg-20ste-eeuwse Duitse folkloristen meende hierin de sporen te kunnen zien van een oud Germaans vruchtbaarheids- en dodenfeest. In het potjeslatijn van de 8ste-eeuwse Indiculus superstitionum et paganarium wordt deze viering nog vermeld als Spurcalia, een feest dat op zijn beurt zijn naam zou hebben gekregen van een aardgodin Spurke of Spurka. Deze Spurka zou nog verder leven in de Spörkelfrau, een aan Vrouw Holle herinnerende figuur uit de overlevering van het Rijngebied. “In het Westerwald wordt de naam gegeven aan degene, die de laatste is bij het bezoeken van een kraamvrouw en in de omgeving van Bonn wordt de laatste in de rij bij een offergang zo genoemd”, schrijft Farwerck in Noordeuropese mysteriën en hun sporen tot heden. Ook de alternatieve naam van de maand februari, sprokkelmaand (Duits Sporkel-, Spürkel-, of Spirkelmonat), zou met de spurcalia en Spurka kunnen te maken hebben. Dit alles is natuurlijk puur giswerk, waarvoor geen enkel feitelijk bewijs voorhanden is. Wat niet belet dat sommige hedendaagse heidenen Spurka gretig adopteren en er een avatar in herkennen van de Grote Godin die ooit, vóór de komst van de patriarchale Indo-europeanen, door de matriarchale volkeren van het oude agrarische Europa werd aanbeden. Nu is het erg twijfelachtig dat die matriarchale beschaving van de Godin ooit méér is geweest dan een romantische projectie, maar anderzijds is het sterk vrouwelijke karakter van februari onmiskenbaar. Zo telt de heiligenkalender van de maand opvallend veel vrouwelijke heiligen. Het Handwörterbuch noemt Brigitta (1 februari), Maria (2), Anna-Maria (3), Veronica (4), Agatha (5), Dorothea (6), Apollonia (9), Scholastica (10), Euphrosine (11), Eulalia (12), Catharina (13), Juliana (16), Mariamna (17), Eleonora en Irene (21), Margareta van Cortona (22) en Walburga (25). Stijn van der Linden voegt er daar in zijn naslagwerk De heiligen nog een stuk of wat bij en noemt in totaal 35 heilige dames die in februari hun feestdag of minstens naamdag hebben. Voor een maand van 28 dagen is dat niet mis. Bovendien gaat het vaak om heiligen met een specifiek vrouwelijke actieradius: Veronica wordt aangeroepen bij bloedvloeiingen en menstruatieklachten, Agatha helpt bij de meest uiteenlopende borstkwalen (van tepelkloven tot borstkanker), Dorothea en Juliana zorgen voor een voorspoedige bevalling, Eulalia en Walburga zijn patrones van de kraamvrouwen. En bij Brigitta vinden (onder meer) kraamvrouwen, vroedvrouwen, borelingen, melkboeren, melkmeisjes, koeien (!), zieke en buitenechtelijke kinderen én genezers soelaas en bescherming.

Lichtmis kwam op de feestkalender toen Gelasius I het installeerde ter vervanging van de Lupercalia. Dat Romeinse feest vond plaats op 15 februari en je leest links en rechts ook wel dat het aan de basis ligt van Carnaval of ook wel van Valentijnsdag.
De Lupercalia lijken een nogal composiete aangelegenheid te zijn geweest. Het scenario ging ongeveer als volgt. Bij de Lupercal, de grot aan de voet van de Palatijn waar volgens de legende een wolvin de tweelingen Romulus en Remus, de grondleggers van Rome, had gezoogd, offerden priesters geiten en een hond. De priesters behoorden tot twee colleges, de Luperci Fabiani (of Fabii) en de Luperci Quinctiales (of Quintilii); het eerste was volgens de overlevering door Remus gesticht, het andere door Romulus. Behalve de twee dieren, werden ook de mola salsa geofferd, de al genoemde gewijde koeken van de Vestaalse Maagden. Enkele priesters smeerden bloed van het offermes op het voorhoofd van twee knapen uit vooraanstaande families; andere Luperci veegden het bloed weer weg met in melk gedrenkte wol, waarop de jongens in lachen moesten uitbarsten. De geitenhuiden werden in repen gesneden die de voor de rest poedelnaakte Luperci als gordel of lendendoek omhingen; vervolgens renden ze omheen de Palatijn en mepten ze met de repen geitenhuid naar de omstaanders, vooral naar de vrouwen. Uit wat de klassieke auteurs – Ovidius, Dionusios van Halikarnassos, Ploutarchos, Cicero, Varro – erover vertellen, heeft men wel gedacht te kunnen concluderen dat ook zij nog nauwelijks wisten waarover dit alles ging. Maar evengoed kan de relatieve beknoptheid van de antieke bronnen betekenen dat men juist héél vertrouwd was met de Lupercalia, zodat het niet nodig werd gevonden er veel woorden aan vuil te maken. Het feest heeft ook heel lang bestaan: het zou teruggaan tot de tijd van Romulus en Remus en hield stand tot 494 CE, het jaar waarin paus Gelasius I het verbood en verving door de viering van de Zuivering van Maria, beter bekend als Maria-Lichtmis.

Andrea Camassei, Feest van de Lupercalia


Wat de naam Lupercalia betekent, weten we niet. Hij is zeker niet afgeleid van de god Lupercus, want die werd pas in de tijd van Augustus geïntroduceerd; de god van de Lupercalia was volgens de antieke bronnen Faunus. Een populaire etymologie brengt Lupercalia en luperci in verband met de combinatie lupus, “wolf” en arcere, “afweren”, wat niet eens zo vergezocht is: een volk van boeren en herders als de vroege Latijnen zal wolven wel liefst op een veilige afstand hebben gezien. De moeilijkheid is wel, dat Rome iets had met wolven: Romulus en Remus waren immers door een wolvin gezoogd. In dit licht, is een positieve afleiding van bijvoorbeeld een grondvorm *lupo-sequos (“wie de wolf volgt”) mogelijk waarschijnlijker (J. Gruber). Voorts heeft men wel gedacht (Jérôme Carcopino) aan een combinatie van lupus en hircus (“geit”), terwijl ook is geopperd dat de naam hoegenaamd niets met wolven van doen heeft, maar met het werkwoord luere, “reinigen”. Luere per capram, dus “zuiveren middels een geit”, zou dan de oorsprong zijn. Kortom: we weten het niet.
Ook de betekenis of de functie van het ritueel is verre van duidelijk: er lijken zowel elementen van een vruchtbaarheids- als van een zuiveringsritueel in te zitten, met erbovenop nog afweringsmagie tegen kwade krachten.
Vruchtbaarheid of zuivering? Voor beide valt wel iets te zeggen, zeker in het licht van wat we weten (of niet echt weten, maar kunnen gissen) over de maand februari bij de Romeinen.

Aanvankelijk kwam februari in de Romeinse kalender niet voor, maar in de zogenaamde republikeinse kalender, waarin nieuwjaar op 1 maart viel, was ze de 12de en dus laatste maand van het jaar. De maanden Martius, Maius, Quinctilis en October telden elk 31 dagen, de rest telde er 29 en Februarius 28. Dat leverde een jaar op van 355 dagen, dat dus flink afweek van het echte zonnejaar en regelmatige bijsturing nodig had. Daarvoor zorgden de pontifices, de priesters, die februari nu en dan afbraken na de 23ste of de 24ste dag en er een extra maand, een mensis intercalarius, van 27 dagen tegenaan plakten, wat in een jaar van 377 of 378 dagen resulteerde. Het Romeinse februari was dus een bijzondere maand: ze zuiverde het jaar aan.
Het was ook de maand waarin zich allerlei feesten voordeden die met zuivering te maken hadden. De naam februarius is trouwens afgeleid van februus, wat zuivering betekent.
Het verband tussen februari en zuivering kwam ook in de Keltische wereld voor. De archaïsche Ieren hadden begin februari het feest Imbolc of Oimelc. Van de vier grote Ierse seizoensfeesten die Tochmarc Emire, het 10de-eeuwse verhaal van Cuchulainns vrijage met de mooie Emer, opsomt (de andere drie zijn Samain, Lughnasad en Beltane) is Imbolc waarschijnlijk het minst bekende. In feite weten we er zo goed als niks over. De etymologie is duister, met het gevolg dat ze tot enkele hypothesen heeft geleid waarvan er geen echt voldoet.
O'Maille leidt imbolc af van *imb-bolg, waarbij bolg een zak is, een balg, waarin de opbrengst van het land wordt bewaard. Imbolc zou dus een vruchtbaarheidsfeest zijn. Pamela Berger zoekt het in The Goddess Obscured in dezelfde richting. Ook voor haar gaat het om vruchtbaarheid, maar zij interpreteert bolg als de buik van de zwangere Moeder Aarde. Eric Hamp leest imbolc / oimelc als een afleiding van *owis, “schaap” en *molgo- “melken”: Imbolc is voor hem een herdersfeest, dat het tijdstip viert waarop de ooien melk beginnen de geven. Voor Joseph Vendryes gaat het om *imb-, “rond” en *folc-, “wassen, baden, reinigen”. Imbolc zou dan niet zozeer met vruchtbaarheid – in het algemeen of van de veestapel in het bijzonder – te maken hebben, maar veeleer een feest van reiniging en zuivering zijn.

Imbolc werd gevierd op 1 februari en geassocieerd met de godin Brigit. Na de kerstening werd dat in Ierland de naamdag van de heilige Brigitta. Brigitta was de beeldschone dochter van de koning van het Ierse Leinster. Ze was christen en wou maagd blijven; daarom bad ze dat ze lelijk zou worden om aan een huwelijk te ontsnappen. Dat lukte: ze bleef maagd, werd weer even mooi als tevoren en stichtte het eerste klooster van Ierland te Kildare. Zij werd zo de patrones van Ierland, de Mary of the Gael, en uit de wonderlijke handelingen die haar door haar biograaf Cogitosus worden toegedicht, blijkt duidelijk dat die haar minstens ten dele identificeerde met de voorchristelijke Ierse godin Brigit. Deze godin Brigit was een dochter van de Ierse oppergod, de Dagdha. Als wel meer Keltische vrouwelijke godheden was ze zowel een individuele als een drievoudige figuur (er waren dus in feite drie Brigits). Haar naam betekent zoiets als “de hoge” of “de verhevene” en haar functies zijn veelvuldig: ze was patrones van de dichtkunst, de smeden, de ververs, de wevers, de brouwers, de zieners en de helers. Ze was beschermster van de kraamvrouwen en werd voorts geassocieerd met de vruchtbaarheid van de veestapel. Dus ook hier is er weer een expliciete verwijzing naar traditioneel met vrouwen geassocieerde begrippen.

In het oude Europa was 2 februari volgens de Franse etnoloog Claude Gaignebet (Le carnaval) een belangrijke datum in een archaïsche kalender waarvan tot vandaag sporen zijn terug te vinden in de onze. Die oude kalender was geheel opgebouwd uit perioden van telkens veertig dagen; deze veertig dagen verwijzen naar een lunair systeem van tijdsindeling: het is de duur van anderhalve maancyclus. Gaignebet heeft het over de “carnavaleske kalender”, omdat de periode van de Vasten, de veertigdagentijd die begint met Carnaval en eindigt met Pasen, een overduidelijk relict is van deze oude tijdsindeling. Andere sporen van de carnavaleske kalender zijn nog her en der weer te vinden in volksoverleveringen, de christelijke heiligenkalender en de oude Ierse kalender.

Aino met beer


Centraal in deze tijdrekening staat de beer, die ooit in heel Europa voorkwam en omwille van zijn menselijk aandoende lichaamshouding werd beschouwd als de wildere tweelingbroer van de mens. Tot in een heel recent verleden speelde de beer bij de Giljaken, de Ketten en andere volkeren van Siberië, bij de Aino van Hokkaido, Sachalin en de Koerilen en bij diverse Noord-Amerikaanse eerste naties een essentiële rol in het religieuze leven. De Aino vangen een berenjong, brengen het op als een mensenkind – het krijgt zelfs de borst – en als het twee jaar is, wordt het tijdens een feestelijk ritueel vastgebonden, met pijlen gedood en opgegeten. Iyomante wordt deze ceremonie genoemd, wat “iemand wegsturen” betekent: de beer wordt naar de goden gestuurd, hij is de boodschapper tussen de wereld van de mensen en die van de goden. Ook in Europa was de beer ooit een heilig dier, met het gevolg dat in sommige culturen zijn naam niet mocht worden uitgesproken en men dan maar gebruik maakte van een eufemisme om hem te benoemen. Beer betekent oorspronkelijk “de bruine”, en zowat alle Germaanse talen noemen de beer naar zijn kleur: Nederlands beer, Engels bear, Duits Bär, Zweeds björn; in het Middel-Nederlandse dierenverhaal Vanden Vos Reynaerde heet hij Bruin. Bij de Slaven is hij de “honingeter”, bijvoorbeeld medved' in het Russisch en niedzwiedz in het Pools. En voor de Balten is hij lokys in het Litouws en lacis in het Lets, “de likker”, wat misschien eveneens verwijst naar het eten van honing, maar mogelijk ook verband houdt met het oeroude geloof dat een berin haar jongen dood en vormeloos ter wereld brengt en ze leven en vorm geeft door ze te likken. Waar wél de naam van het dier mocht worden gebruikt, zoals bij de Kelten en de Grieken, zijn er toch goddelijke of koninklijke connotaties: er was een Gallische berengodin Artio, de naam van koning Arthur, de Rex Quondam Rexque Futurus, kan hoogst waarschijnlijk worden afgeleid van naam van de beer, arth in het Welsh en art in het Iers, en in de oude Griekse godin van de jacht en het wilde leven Artemis horen we arktos doorklinken. Die Keltische en Griekse berennamen zijn geen latere eufemismen, maar voeren ons rechtstreeks terug naar een (uiteraard gereconstrueerde en hypothetische) Proto-Indo-Europese grondvorm *h₂ŕ̥tḱos, een woord dat waarschijnlijk zoiets als “vernieler” betekende en in diverse latere Indo-Europese talen verwante woorden opleverde: Hettitisch ḫar-tág-ga-aš, Sanskriet rákṣas, Avestisch rašah, Latijn ursus. Eeuwenlang was de beer de koning der dieren, tot een flink stuk in de Middeleeuwen de leeuw deze rol overnam. Het wapenschild van de Vlaamse graven toonde oorspronkelijk geen leeuw, maar een beer; het Brugse stadswapen echoot deze oude situatie nog door leeuw én beer te tonen als schilddragers. De beer stond niet alleen voor koninklijke waardigheid maar ook voor moed en kracht: in Scandinavië hulden krijgers zich in berenhuiden om zo één te worden met het wezen van de beer en onverschrokken en onoverwinnelijk te zijn in de strijd. Berserkir heetten ze, en in het Engels betekent het adjectief berserk "woest", "uitzinnig". De Wildeman, een belangrijke figuur in de literatuur, de beeldende kunst en de folklore van de Europese Middeleeuwen, was mogelijk ooit een beer. Nogal wat Europese sprookjes en volksverhalen voeren mensenkinderen op die terecht komen bij beren, zoals Goudlokje, kinderen die van een mens en een beer afstammen, zoals de Franse Jean de l’Ours, kinderen die als een beer leven, zoals Oerson in het verhaal van Oerson en Valentijn, of meisjes met beerachtige geliefden, zoals in Madame Leprince de Beaumonts La Belle et la Bête (in de film van Jean Cocteau is het Beest eerder een leeuw en bij Disney zelfs een soort bizon, maar het origineel was ongetwijfeld een beer).


De berenscheet, zoals voorgesteld in Olaus Magnus' Historia de gentibus septentrionalibus


Beren houden, net als de Noord-Amerikaanse bosmarmot waarover ik het daarstraks had, een winterslaap. En volgens een eeuwenoude, in heel Europa verbreide volksopvatting, verlaat de beer met Lichtmis of met Sint-Blasius (een dag later) zijn winterleger om poolshoogte te nemen, precies zoals de groundhog dat doet volgens de inwoners van Punxsutawney. Een essentieel aspect van het verlaten van zijn winterleger, is de pet de l’ours, de “berenscheet”. Want als de beer vindt dat het lang genoeg heeft gewinterd en de tijd gekomen is voor het vrije bestaan van het warme seizoen, gaat hij op zoek naar wilde vruchten en slaat hij er daarvan zoveel naar binnen, dat zijn spijsvertering aan hoog tempo begint te werken en hij met een knal de stop naar buiten jaagt die zich tijdens de winterslaap in zijn darmen had gevormd. Met die knallende scheet luidt de beer de lente in. Vindt hij het daarentegen nog te koud, kruipt hij weer in zijn hol en duurt de winter nog veertig dagen. Zo’n veertig dagen vóór Lichtmis is het Kerstmis, het moment van de winterzonnewende, en nog eens veertig daarvoor is het Sint-Maarten, de dag waarop volgens de traditie de beer aan zijn winterslaap begint. In de Ierse kalender vinden we, zoals gezegd, op 1 februari het feest Imbolc, dat dus veertig dagen na de winterzonnewende werd gevierd. De drie andere grote seizoensfeesten van het Ierse jaar vielen ook telkens veertig dagen na een solstitium of equinox: Lughnasadh (1 augustus) veertig dagen na de zomerzonnewende, Beltane en Samain elk veertig dagen na de herfst- resp. de lente-evening. 

Alle zonet genoemde tijdstippen vinden we ook min of meer terug in de christelijke heiligenkalender:
- Allerheiligen (1 november) of Sint-Maarten (11 november)
- Kerstmis (25 december) tot Epifanie (6 december)
- Lichtmis (2 februari), Sint-Blasius (3 februari)
- Carnaval en Aswoensdag (veertig dagen voor Pasen)
- Pasen
- Ons-Heer-Hemelvaart (veertig dagen na Pasen)
- Sint-Jan (24 juni)
- Sinte-Pieter (1 augustus)
- Sint-Michiel (29 september).

De carnavaleske religie die aan de veertigdagenkalender ten grondslag ligt, gaat volgens Gaignebet zeer ver terug in de tijd, mogelijk tot het Paleolithicum. De beer speelde een prominente rol in het leven van de ijstijdmens: beide waren ecologische concurrenten, die op hetzelfde voedsel aasden en dezelfde schuilplaatsen opzochten. Mogelijk werd de beer vereerd als de meester van het wild die de seizoenen ritmeerde. Paleolithische grotschilderingen beelden beren af, en beenderen van beren die in grotten worden gevonden, liggen vaak in een patroon waarvan diverse archeologen en paleontologen veronderstellen dat het het resultaat is van menselijk ingrijpen. Werden de beren begraven, zoals mensen? Werden, zoals bij de Aino en de Giljaken, beren door mensen geadopteerd en grootgebracht? Verbindt een traditie van duizenden jaren een berencultus uit de oude steentijd over de berenobsessie van de Germanen en de Kelten heen met de berenmaskers die tot vandaag worden gedragen ter gelegenheid van de diverse carnavaleske maskerades in de loop van het jaar (Carnaval, Allerheiligen, midwinter…), ook in gebieden waar Ursus arctos al vele eeuwen is verdwenen? Het is een fascinerende gedachte, ook al is er geen enkel feitelijk bewijs voor. En ook al hebben in berenloze regio's vaak andere dieren de rol van de beer als meester van de seizoenen overgenomen: in Duitsland de eveneens winterslapende das en in het oosten van de Verenigde Staten, waar zowel beer als das ontbreken, Phil de bosmarmot.


Clement Caremans (c) 2020


maandag 23 december 2019

De Onoverwinnelijke Zon







Sol Invictus. 3de eeuw. Beiroet, Nationaal Museum.



De Onoverwinnelijke Zon
 

December. Een vriendelijke massapsychose houdt de samenleving een paar weken in haar greep. Ze gaat gepaard met allerlei gebruiken. Er worden cadeaus gegeven, overal branden er lichtjes, huizen worden gedecoreerd met rode en gouden en zilveren versiersels en vooral met veel groen: hulst, maretak, spar, taxus, poinsettia, helleborus. Binnenshuis wordt een conifeer opgesteld, die met gekleurde ballen en slingers en lampjes wordt behangen. Er wordt gegeten en gedronken, thuis maar ook op verplaatsing, op kerstmarkten en in warenhuizen, waar kerstmannen, in feite veramerikaanste Sinterklazen, overal de op consumptie beluste massa aansporen nog méér te consumeren. Mensen zijn op zoek naar het ultieme kerstcadeau (ik las dat één op zes Vlamingen een lening afsluit om kerstcadeaus te kunnen kopen), de ultieme kerstboom (voor een grote nordmannspar tel je al gauw honderd euro neer), het ultieme kerstdiner, en laten zich daarbij adviseren door stijl- en kookgoeroes die in magazines en op tv komen uitleggen hoe het dit jaar per se moet en vooral niet mag. In de straten klinkt uit luidsprekers White Christmas, Joy to the World, Hark! the Herald Angels Sing en Little Drummer Boy, afgewisseld met suikerzoete versies van het Panis angelicus of Adeste fideles.

Aan de basis van dit massagebeuren ligt een feest, Kerstmis geheten. De datum is 25 december en wat wordt gevierd, is de herden­king van de geboorte van ene Jezus, ook Christus ge­noemd, een joods prediker en wonderdoener die zo’n 2000 jaar geleden in Galilea, Israël, zou hebben geleefd en van wie een niet onbelangrijk deel van de mensheid gelooft dat hij de Zoon is van God – God zélf, in feite, die is vleesgeworden en uit de hemel is neergedaald om ons allen van onze zonden te verlossen. Gelovige christenen hebben dus reden tot feesten te over, want precies het mysterie van Gods menswor­ding is één van de kernpunten van hun geloof. Kerstmis be­kleedt dan ook een zeer belangrijke plaats in het leven van een christe­n: het staat cen­traal in één van de twee cycli die waarin de rooms-katho­lieke kerke­lij­ke kalen­der het jaar op­deelt. In de andere cyclus staat Pasen cen­traal, dat niet de geboorte van God als mens, maar de overwinning van de Godmens op de dood, het andere essenti­ële (en zo moge­lijk nog belangrijker) geloofspunt van de chris­te­lijke religie, voor het voet­licht brengt.

Het bijzondere aan Kerstmis is nu, dat het, hoewel in se een religieus, christe­lijk, gebeuren, in onze sterk gese­cu­lari­seerde samenleving door vrijwel ieder­een – kerke­lijk, kerks, vaag reli­gieus, vrijzin­nig – op één of andere manier wordt ge­vierd. In en buiten de kerk, thuis, op het werk, op school, in de sportclub, op straat, in de cafés, bij de slager of in het warenhuis: overal is gedurende enkele weken de realiteit van alledag gedrenkt in een kerstbad. Van de eigenlijke kern van het gebeuren, het in de evangeliën verhaalde relaas van de geboorte van God als mens, is in dat alles veelal weinig terug te vinden. Ook in de kerstboodschap waarmee onze staatshoofden zich tot het volk richten, is het zuiver religieuze ver te zoeken, wat alleen maar evident is in fundamenteel seculiere staten als bijvoorbeeld Frankrijk en België, maar dan wel de vraag doet rijzen naar het waarom van de boodschap. Meer dan een christelijke hoogdag, is Kerstmis vooral een feest waaraan vrijwel de hele samenleving participeert – zelfs in joodse en islamitische middens worden sommige aspecten van Kerstmis overgenomen. Vergeleken daarbij, hinkt Pasen als breed maatschappelijk feest al flink achterop, en andere crucia­le dagen van christelijke kalender – Pinksteren, Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart, Allerzielen, noem maar op – komen zelfs niet in de buurt.

Kerstmis gaat gepaard met een resem gebruiken, oude en heel recente, waar je onmogelijk naast kan kijken. Bij een aantal daarvan is het verband met de christelijke kern zonder meer duidelijk. Het plaatsen van een kerststal refereert direct aan het geboorteverhaal van Jezus van Nazareth, niet zozeer naar hetgeen we er bij de evangelisten Lucas en Matteüs over lezen, maar vooral naar het relaas dat het apocriefe, in de Middeleeuwen immens populaire Protoevangelium van Jacobus ons voorschotelt. Ook kerstliederen – carols, noëls – hadden oorspronkelijk het geboorteverhaal als thema. De obsessie met lichtjes kan christelijk zijn en heeft ongetwijfeld theologische referenties, maar mogelijk zijn er ook meer universele connotaties: in de donkerste tijd van het jaar is licht zo essentieel, dat het wel logisch is het in de context van een feest in deze periode een ereplaats te geven. Romantische en moderne heidenen zien in het lichtfeest graag een oeroude kern, die teruggaat tot vér voor Jezus Christus. Kerstmis zou niets anders zijn dan de heidense viering van de winterzonnewende, die achteraf met een christelijk sausje werd overgoten. De vele volkse gebruiken die vooral in niet-stedelijke gebieden tot vandaag worden in stand gehouden (vaak vooral omwille van het toerisme), zouden oorspronkelijk Germaans of Keltisch zijn geweest: het ontsteken van vuren, het luiden van klokken, de rondtrekkende, verklede mannen gehuld in bont of lompen, met maskers of gewoon met zwartgemaakt gezicht - het zou allemaal wortelen in het Germaanse Joelfeest en in het heidense geloof dat met midwinter de Wilde Jacht, aangevoerd door Odin of Wodan, door de wereld der stervelingen raast. Jacob Grimm opperde als eerste de Germaanse wortels van de kerstgebruiken in zijn Deutsche Mythologie (1835) en meer dan een eeuw lang werd hij vlijtig gekopieerd door völkische onderzoekers in Duitsland en met fantasieën over een pan-Germaans verleden flirtende belendende gebieden als Vlaanderen en Nederland. Tot vandaag zijn ze populair, vooral in extreem-rechtse kringen die graag over de grootheid van het zuivere blanke en blauwogige Germaanse volk ijlen, of bij nieuwe heidenen die zich tegen het christendom afzetten en voor wie de voorchristelijke oudheid een interessant spiritueel alternatief biedt. We weten echter nauwelijks iets over het Germaanse midwinterfeest, als er al ooit een is geweest, en zowel archeologen als historische linguïsten hebben heel veel moeite om zelfs maar af te bakenen wat nu Germaans was en wat niet. En min of meer hetzelfde geldt voor de Kelten, waar dan weer anderen de fons et origo van onze midwintertradities denken te hebben gevonden. Betekent dit dat er geen enkele verwantschap bestaat tussen eventuele voorchristelijke vieringen van de winterzonnewende en Kerstmis? Natuurlijk niet: de associatie of zelfs identificatie van Jezus’ geboorte met die van de zon spruit, net als de eventuele heidense vieringen, voort uit de drang het lengen van de dagen na de donkerste tijd van het wintersolstitium te celebreren. Maar bewijzen dat het christelijke Kerstmis uit een Germaans winterzonnewendefeest elementen heeft overgenomen, hebben we niet - we weten niet eens of de Germanen ooit zo'n feest hadden. 

Inmiddels alweer twee decennia geleden, had ik het idee een populaire cultuurgeschiedenis van Kerstmis en zijn context te schrijven: de evangelische en apocriefe verhalen over de geboorte van Jezus van Nazareth en hun Nachleben in de verschillende kunsten, de geschiedenis van de christelijke kerstviering in Europa en in de rest van de wereld en de winterse tradities uit de kerstperiode maar ook uit de weken ervoor en erna, van Allerheiligen en Sint-Maarten tot Carnaval, zeg maar. Die geschiedenis is er niet gekomen, al heb ik het project nog niet helemaal begraven – het zal iets zijn voor na mijn professionele loopbaan, vermoed ik. Intussen heb ik wel wat brokken tekst herschreven tot losstaande artikels over kerstliederen, over de herkomst en de geschiedenis van de kerststal, over het Driekoningenverhaal en -feest,  over varkens en Nieuwjaar en over het gehannes met kerstbomen, hulst en maretak. Een stuk over wintermaskerades zit in de pipeline en in wat volgt besteed ik aandacht aan de vroege kerstviering, haar context en mogelijke invloeden, en verdere liturgische ontwikkelingen 

Dies natalis Solis Invicti

Het ontstaan van Kerstmis is, zoals het wel eens wordt omschreven, in nevelen gehuld.
We weten niet waar Jezus van Nazareth precies geboren werd en ook niet in welk jaar of op welke dag: de viering van de geboorte op 25 december berust op conventie. Bovendien waren er blijkbaar in de eerste eeuwen helemaal geen kerstvieringen – er is althans geen enkele bron die op enig feest wijst. Dit kan vreemd lijken: heeft de geboorte van de Godmens dan al niet van het vroegste begin een centrale plaats gehad in de christelijke gedachtenwereld? Waarschijnlijk niet: de heel vroege christenen waren zozeer bezig met de eschatologische aspecten van hun geloof, dat de geboorte van hun Heiland hen veel minder interesseerde. Hun bekommernis was, klaar te staan op het ogenblik van Jezus’ wederkomst – een evenement waarvan velen blijken te hebben gedacht dat het nog tijdens hun leven ging plaatsvinden. Pas later, alleszins nà Paulus en de vroegste aanzetten tot evangelische geschriften, ontstond blijkbaar de behoefte aan een relaas van Jezus’ geboorte. Matteüs en Lucas concocteerden elk op hun manier een geboorteverhaal, waarbij Matteüs vooral typologisch te werk ging in zijn betrachting aan te tonen dat het christelijke geloof gewoon een logische voortzetting was van het oudtestamentische, terwijl Lucas vergeefse moeite deed om de zaak een historisch geloofwaardig tintje te geven. De apocrypha tonen aan dat in de loop van de eerste eeuwen de behoefte om de witte plekken in Jezus’ levensverhaal op te vullen verre van afnam. Maar helemaal in het begin was die behoefte er blijkbaar nog niet.
Het is dan ook niet onwaarschijnlijk dat er geen viering was, en indien wel, is in elk geval elk bericht erover verloren gegaan.



Sol. Mozaïek in Mausoleum M in de Vaticaanse Necropolis.



Vanaf de derde eeuw zijn er wel meldingen van een kerstfeest, maar blijkbaar was er nog geen algemene overeenkomst betreffende de datum. Clemens van Alexandrië (gestorven ca. 215) vierde Kerst op 18 november, Hippolytus (begin 3de eeuw) op 2 april; nog andere vroege data voor het kerstfeest zijn 28 maart, 20 mei en 19 en 20 april. Volgens Hippolytus (gestorven ca. 236) moest de viering in elk geval op een woensdag vallen, want op die dag had God de zon geschapen.

De oudste vermelding van het feest van de geboorte op 25 december vinden we in de martelarenkalender van Philocalus uit 354, die teruggaat tot 336. Kerstmis werd dus in Rome voor het eerst gevierd op 25 december rond 330, met zekerheid in 336. De dag werd vastgelegd door Julius I of zijn opvolger Liberius, die hiermee althans in het Westen een einde maakten aan de heersende verwarring. In het oosten werd pas vanaf de zesde eeuw kerstdag op 25 december vastgelegd; tot dan had men er Jezus’ geboorte herdacht op 6 januari, met het feest van de Epifanie, van de verschijning (Grieks ’επιφανεία, epiphaneia) van de Heer. In de Tweede brief aan de Tessalonicenzen, 2:8, heeft Paulus het over de epifanie: zij betekent er nog de komst van Jezus in de eindtijd. Bij dit verschijnen aan het einde der tijden voegde zich ook de gedachte aan het eerste verschijnen van God in menselijke gedaante: de geboorte van Jezus van Nazaret. Een aantal christelijke gemeenten voegden er nog de doop in de Jordaan en Jezus’ eerste wonderdaad, ter gelegenheid van de bruiloft te Kana, aan toe. In Jeruzalem was het van in de vierde eeuw de gewoonte op 6 januari Jezus’ geboorte te herdenken; al vóór de zesde eeuw werden op die dag in Egypte de geboorte en de doop gevierd; in Cappadocië en Constantinopel was rond 370 Epifanie nog het feest van de geboorte, maar tien jaar later is het de herdenking van de doop in de Jordaan geworden, terwijl de geboorte er nu, net als in Rome, op 25 december wordt gevierd. Epifanie is van oosterse oorsprong; de westerse kerk importeerde het feest via Gallië maar gaf het een geheel nieuwe inhoud: het werd er Driekoningen, het feest van het bezoek van de drie Wijzen.

Waarom vaardigde Liberius uit dat de geboorte van Jezus moest worden herdacht op 25 december? De Scriptor Syrus verklaarde in de vierde eeuw: “De reden waarom de kerkvaders de viering van 6 januari naar 25 december verplaatsten was de volgende: het was het gebruik van de heidenen om op diezelfde 25 december de geboorte van de zon te vieren en vuren te ontsteken in het kader van de festiviteiten. Aan deze plechtigheden en festiviteiten namen ook de christenen deel. De kerkleiders merkten op dat de christenen dit festival genegen waren en na overleg besloten zij dat de ware geboorte op die dag gevierd moest worden en dat op de zesde januari Epifanie zou vallen. En daarom steken de christenen nu nog vuren aan tot 6 januari”.

Het besluit om de viering van Christus’ geboorte vast te leggen op 25 december, is dus mogelijk een heel bewuste, zeg maar politieke, daad geweest van de bisschop van Rome. De geboorte van de zon waarvan sprake in het citaat verwijst naar de cultus van Deus Sol Invictus, de Onoverwinnelijke Zon, de oppergod van het Romeinse staatspantheon in de derde eeuw. Kerstmis zou dan via substitutie zijn ontstaan: een populair heidens feest werd gekerstend, zodat wie eraan deelnam ineens, misschien wel zonder het te weten, de geboorte van Jezus vierde. Uiteraard weten we niet met zekerheid of dit klopt. Want vaak hadden de kerkelijke autoriteiten eerder de neiging via het opleggen van verplichte boete- en vastenperiodes hun volgelingen te beletten aan heidense festivals te participeren. Hoe het met de viering van Sol Invictus is gegaan, is onduidelijk.



Helios, de Griekse versie van Sol. Basreliëf (metope). Troje, 4de eeuw BCE. 

In Rome bestond al lang een bescheiden zonnecultus, die volgens Julianus dateerde uit de tijd van de mythische koning Numa Pompilius en waarin de nogal obscure godheid Sol Indiges centraal stond. Zijn heiligdom bevond zich op de Quirinalis en zijn feestdag viel volgens de republikeinse kalender op 9 augustus. Tn de hellenistische tijd werd Sol Indiges geïdentificeerd met de Griekse zonnegod Helios. Onder de keizers, te beginnen met Octavianus (Augustus), werd het de gewoonte dat de keizer zich identificeerde met de (of liever een) zonnegod; vooral de Antonini lieten zich graag afbeelden, op munten en dergelijke, als de stralende Zon. Onder de Severi werd de zonneverering dominant te Rome. De traditionele Romeinse godsdienst was zijn impact zo goed als geheel kwijtgespeeld en de lacune die hierdoor ontstond, werd prompt opgevuld door een massa culten van exotische origine, waaronder de zogeheten mysteriegodsdiensten, het christendom en een aantal culten waarin de zon een prominente rol vervulde, zoals het mithraïsme en de cultus van Sol Invictus.

Mithra, of op z’n Grieks Mithras, had al een hele geschiedenis achter de rug toen hij in de hellenistische tijd het centrum werd van een mysteriecultus. Hij kan worden getraceerd tot in de prehistorische Indo-europese oudheid. In de Indische Rig Veda is hij de god van de rechtspraak en de eredienst; zijn naam betekent trouwens “verdrag”. In de Iraanse Amesha Spentas heeft hij een gelijkaardig profiel. Hoewel het nieuw-Perzische mihir, “zon”, van zijn  naam is afgeleid, was hij oorspronkelijk geen hemel- of zonnegod: deze associaties zijn van latere datum. In het zoroastrisme is hij van secundair belang, maar in de Parthische periode wordt hij de centrale godheid in een nieuwe religie die gelijkenissen vertoont met de mysteriegodsdiensten. Net als in de mysteriën staat in de Mithracultus een inwijding (μυστήριον, mustērion) centraal en wordt de adepten niets minder dan σωτηρία (sōtēria) beloofd, verlossing uit het existentiële lijden. Mithra krijgt een status die sterk aan die van de Christus doet denken: zélf goddelijk, wordt hij de mediator, de “verbinder” tussen de hoogste god Ahura Mazdā en de mens – een Verlosser, die de mens uit de wereld van de stof, de sterfelijkheid en het lijden tot de onsterfelijkheid kan brengen. De Romeinen leerden zijn cultus kennen in Klein-Azië, waar er reeds allerlei niet-Iraanse elementen aan waren toegevoegd; de Mithra van de mysteriën is niet zozeer een Iraanse als wel een hellenistische godheid.

Volgens de mythe werd hij uit een rots geboren (petra genetrix) of in een grot (speleum); de geboorte ging gepaard met het verschijnen van een ster of van een verblindend licht (xvarnah), waarna herders de jonge god eer kwamen betuigen. Hij plukte de vruchten van de eerste boom, vervaardigde kleren van de bladeren en schoot een pijl in een rots, waaruit water vloeide. Volwassen, ving hij de oerstier die Ahura-Mazdā had geschapen; een raaf (corax), gezonden door de Zon, berichtte hem dat het tijd was voor het offer. Mithra sleepte de stier mee naar een grot en doodde het dier met een dolksteek. Het bloed vloeide over heel de aarde en schonk overal leven: tarwe, de wijnstok en de dieren en planten des velds. De Zon erkende Mithra als meerdere en knielde voor hem, ontving een kroon en sloot een verbond met hem.

Mithra schonk leven, overwon het lijden en bleef de hele tijd zonder zonde. Hij was het na te volgen model voor zijn volgelingen, die middels een reeks inwijdingen trachtten door te dringen tot de essentie van zijn leer. Die inwijdingen hadden een melodramatisch en soms gewelddadig karakter en bestonden uit zware en zelfs vrij gruwelijke tests: onderdompeling in water, blootstelling aan extreme hitte, vergieten van het eigen bloed, het slachten van een stier, een doop met stierenbloed, enz. De beloning was eenwording met het wezen van de god en verlossing uit het aardse lijden.

Mithras wordt uit een rots geboren (petra genetrix). Ca. 180-192 CE.
Rome, thermen van Diocletianus. 



Tauroctonie: Mithras doodt de oerstier en creëert met diens bloed de wereld.
Parijs, Musée du Louvre. 


Het mithraïsme kende veel succes. Het was een religie met een sterke ethische leer en een groot emotioneel potentieel, die een enorme schare volgelingen wist te recruteren en vooral aanhang had bij de Romeinse legionairs. Heiligdommen en cultusplaatsen zijn teruggevonden in heel het Romeinse Rijk, maar vooral bij de limes, in kampen en garnizoensteden, en dit tot in Noord-Engeland en het Rijnland toe. Toch is de vaak geciteerde uitspraak van Ernest Renan, dat indien het christendom in zijn groei zou zijn gestopt door één of andere dodelijke ziekte, de wereld mithraïstisch was geweest, ongetwijfeld een schromelijke overdrijving. Door de vrij gewelddadige inhoud, de ascetische discipline, het inherente militarisme en, bovenal, door vrouwen uit te sluiten, miste het waarschijnlijk het potentieel om zeer brede bevolkingslagen aan te spreken. De stelling die vroeger wel vaker werd geformuleerd (onder meer door Sir James George Frazer in Adonis, het vierde boek van zijn monumentale The Golden Bough) dat het kerstverhaal én het kerstfeest in feite van mithraïstische origine zijn, kan niet langer ernstig worden genomen. Anderzijds zijn er voldoende overeenkomsten met het christendom om een eventuele wederzijdse beïnvloeding niet geheel uit te sluiten. De morele doctrine van het mithraïsme vertoonde belangrijke verschillen met die van het christendom, maar ook frappante parallellen. Dat was zelfs de kerkvaders al opgevallen, Tertullianus op kop, die stelde dat het de duivel zélf was die voor de gelijkenis tussen beide religies had gezorgd. Ook qua liturgie waren er overeenkomsten. “De 25ste december was de geboortedag van Mithras; de eerste dag van de week, gewijd aan de zon, was zijn heilige dag, in tegenstelling tot de joodse sabbat. De aanhangers van Mithras kenden ook een doop (met het bloed van een stier) en een confirmatie, en zij verwachtten heil van het deelnemen aan een offermaal, dat leek op het christelijk avondmaal”.

Nogal wat zonne- en lichtsymboliek uit het christendom van de oudheid en de vroege middeleeuwen is mogelijk via het mithraïsme in de christelijke voorstellingswereld terechtgekomen. In het eerste millennium ontstond in het Nabije Oosten een syncretische mythologie waarin christelijke en Iraanse elementen met elkaar werden vermengd. Een Syrisch christelijk geschrift uit de 8ste eeuw, de Kroniek van Zuqnin, vertelt een verhaal dat schatplichtig lijkt aan zowel het evangelie volgens Matteüs en een 5de-eeuws commentaar daarop, het Opus imperfectum in Matthaeum, als aan de Iraanse mythe van de Rex Magnus, net als Jezus een Verlosser, die wordt geboren in een grot waarheen een helder lichtschijnsel de weg wijst. Deze Rex Magnus werd vaak met Mithra geassocieerd. Verder zijn aureool en mandorla, de typische attributen van Christus, de heiligen en de engelen in de christelijke iconografie, mogelijk afgeleid van het Iraanse xvarnah, het lichtende fluïdum eigen aan de goede god Ahura Mazda, dat ook Mithra, de eerste voorouder Gayomart en de verlosser Saoshyant omgeeft en misschien via het mithraïsme de christelijke beeldentaal infiltreerde.

Hoewel Mithras en Sol Invictus in sommige populaire geschriften op één hoop worden gegooid, waren het twee essentieel verschillende entiteiten.

Sol Invictus heette oorspronkelijk Elagabal en had een heiligdom in het Syrische Emesa; hij was een lokale versie van de belangrijke Levantijnse god Baal (die eerder al met de Griekse zonnegod Helios was geïdentificeerd, wat blijkt uit de Griekse naam van de naar hem genoemde stad Baalbek: Heliopolis). Zijn cultus werd sterk gestimuleerd onder het principaat van Septimius Severus (193-211 CE), wiens vrouw Julia Domna een dochter was van de hogepriester van Elagabal van Emesa en een belangrijke rol speelde in de propagandastrijd van het laat-tweede-eeuwse paganisme tegen het voortdurend sterker wordende christendom. Zo gaf zij onder meer Philostratos de opdracht een biografie te schrijven van Apollonius van Tyana, een half-legendarische figuur uit de eerste eeuw CE over wie maar heel weinig feitelijke gegevens bekend zijn, behalve dan dat hij een aanhanger van Pythagoras was en een zonderling. In Philostratos’ biografie wordt hij opgevoerd als een soort sjamaan, die doorheen het hele Oosten de wonderlijkste toverkunsten verrichtte, de cultus van de Zon propageerde en zich ontpopte als een heidens alternatief voor Jezus, die in apocriefe teksten uit dezelfde tijd óók vooral als een tovenaar wordt geportretteerd.

Onder Septimius’ opvolger Caracalla (211-217) werd de eredienst van Sol Invictus verder aangemoedigd, maar het was vooral de gehate Varius Avitus Bassianus alias keizer Elagabalus (218-222), kleinzoon van Julia Domna’s zuster Julia Maesa en opperste hogepriester van de Emesenische zonnegod, die hem een officieel karakter verleende door hem als oppergod boven Iuppiter Optimus Maximus in het Romeinse staatspantheon te plaatsen. Pas onder de Pannoniër Aurelianus (270-275) echter werd voor Deus Sol Invictus een staatscultus ingesteld: op het Campus Martius te Rome werd een schitterende tempel gebouwd en de god werd uitgeroepen tot de persoonlijke beschermer van de keizer (Conservator Augusti). Er werd een college van priesters in het leven geroepen en vierjaarlijkse circusspelen georganiseerd, die voor het eerst plaats hadden in 274. De feestdag van de Zon werd vastgelegd op 25 december, de dies natalis Invicti, de dag waarop de winterzonnewende werd geacht plaats te hebben.

Sol Invictus was ongetwijfeld een belangrijke concurrent van Jezus Christus in de laat-hellenistische wereld, en bepaalde auteurs, onder wie onze landgenoot G. Halsberghe, hebben in de zonnecultus een heidens monotheïsme willen zien dat door de keizers werd gegrondvest en gepropageerd in hun niet aflatende, maar in fine hopeloze strijd tegen het oprukkende christendom. Anderen, als Robin Lane Fox en Peter Brown, trekken dit monotheïstische paganisme in twijfel en stellen dat het imperium vóór de installatie van het christendom als staatsgodsdienst essentieel polytheïstisch was. De cultus van Sol Invictus was syncretisch: allerlei andere culten van uiteenlopende origine konden er probleemloos in worden opgenomen, tal van goden met een min of meer solair karakter – Helios, Apollo, Baal, Mithra... – konden met de Onoverwinnelijke Zon worden geïdentificeerd.



Ook de keizer: in eerste instantie was de eredienst van Sol Invictus verbonden met het keizerschap en als zodanig het religieus-politieke cement dat na het failliet van de oude Romeinse staatsreligie het imperium toch nog een zekere eenheid diende te geven. Het was juist met de doctrine van het goddelijke keizerschap dat de monotheïstische houding van de christenen frontaal botste omdat die, uiteraard, de goddelijkheid van de keizers uitsloot, met alle politieke consequenties van dien. De strijd tegen de christenen kende dan ook een hoogtepunt onder Diocletianus, toen het rijk in zulke crisis verkeerde dat deze keizer besloot het eerst in twee en vervolgens in vier stukken (tetrarchieën) op te delen, om zo beter het hoofd te kunnen bieden aan interne en externe bedreigingen. In 303-304 vaardigde Diocletianus vier edicten die de Grote Vervolging inluidden waardoor kerkelijke goederen werden geconfisqueerd, kerken gebrandschat, heilige boeken vernietigd en, vooral in het oostelijke deel van het rijk, christenen uit officiële ambten werden ontslagen, uit het leger gezet (waar de keizercultus obligaat was) en zelfs ter dood gebracht. 



Piero della Francesca, De droom van Constantijn (fragment).
Arezzo, kerk van San Francesco.



Tobias Kramer, Keizer Constantijn. Plaquette van verguld zilver, 1615-1620. 
Czestochowa (Polen), Jasna Gora klooster. 


Constantijn de Grote, die er na een aantal jaren burgeroorlog in slaagde het rijk te herenigen, beweerde na zijn overwinning op Maxentius bij de Milviusbrug vóór de slag een visioen te hebben gehad: hij en zijn troepen (volgens Eusebius’ Vita Constantini zo’n 40.000 man) hadden tegen de zon in het Christusteken gezien, met daaronder de tekst “Overwin in dit teken”, maar dan in het Grieks (Έν τουτώι νικά) . Om welk teken het precies ging, is allerminst duidelijk. Gemakshalve wordt vaak aangenomen dat het een kruis of een chrismon is geweest, de tot één teken ineengeschreven beginletters Χ (chi) en Ρ (rho) van het Griekse ΧΡΪΣΤΟΣ, dat zich tegen de hemel aftekende, maar deze veronderstelling berust op geen enkele grond. Het bekendste schilderij dat aan dit onderwerp is gewijd, Piero della Francesca’s Droom van Constantijn, te bewonderen in de kerk van San Francesco in Arezzo, toont gewoon een kruis. In elk geval werd Constantijn na de slag christen, mogelijk uit overtuiging, waarschijnlijk uit strategische overwegingen. Hij vaardigde in 311 het tolerantie-edict uit en in 312 het edict van Milaan, waardoor feitelijke godsdienstvrijheid werd geproclameerd; in 325 riep hij het concilie van Nicea samen, een eerste belangrijke stap op de weg van de Kerk naar de politieke doctrine van de Enige Heilige Katholieke en Apostolische Kerk. Het christendom werd nu de ondersteunende ideologie van het keizerschap.


Chrismon op de sarcofaag van Anastasis. Rome, Musei Vaticani. 

Vóór hij het christendom omhelsde, was Constantijn uiteraard eveneens een aanhanger geweest van de keizerlijke cultus van Deus Sol Invictus – en meer dan waarschijnlijk bleef hij het ook daarna, in die zin dat Jezus Christus nu aan het syncretische bundeltje zonnegoden werd toegevoegd. Dat was niet eens moeilijk. Uitspraken als die van de profeet Maleachi (3:20), waarin de Messias de “Zon van gerechtigheid die met haar vleugels genezing brengt” (Sol Iustitiae) wordt genoemd, of aanroepingen als “Zon van het Heil” (Sol Salutis) of – zoals in het evangelie volgens Lucas 1:78 – “Opgaande Zon” (Oriens), wijzen erop dat Christus al langer met de zon werd geassocieerd. Kerken werden ook naar het oosten gericht, en Christus werd soms afgebeeld als zonnegod, de zonnewagen mennend en met een stralenkrans. Eén en ander suggereert dat het zonnediscours rond de figuur van Christus een méér dan metaforisch karakter had en dat het om een echte identificatie ging. Christus wàs de zon, en zijn geboorte om middernacht in de langste nacht van het jaar, weerspiegelde exact zijn komst in het duistere midden van de geschiedenis van de wereld, die door zijn geboorte een heilsgeschiedenis werd. ‘s Werelds loop was als de loop van de zon; Christus’ geboorte viel samen met de winterzonnewende omdat Hij, als de zon, licht en warmte in de wereld bracht. De vijfde-eeuwse heilige, Paulinus van Nola, heeft het over “[...] de zonnewende, wanneer Christus werd geboren in het lichaam van een man en met de nieuwe zon verandering bracht in het vorstseizoen van de winter. Met zijn komst bood hij de stervelingen het vooruitzicht van een leven reddende dageraad, vermeerderde hij de lengte van de dag en drong de nachten terug”. Het beeld van Jezus als Zon bleef eeuwen nawerken; het is bijvoorbeeld zelfs nog terug te vinden in de hymne In Nativitate Christi van Philip le Grève:

Festa dies igitur
Mundo salus redditur
In qua sol exoritur
Qui mundum replet lumine.
Gaudeamus igitur
Mundo salus redditur
In Sole qui dicitur
Verus Deus in homine
Mundo salus redditur
Christo nato de Virgine.

Had Constantijn het christendom toegelaten tot de syncretische smeltkroes van het laat-Romeinse pantheon, de christelijke gezagsdragers poogden nu met alle middelen het exclusieve karakter van hun religie te bevestigen. Dat deden ze niet alleen door heidense heiligdommen te vernietigen en festiviteiten te verstoren, maar ook door ze gewoon over te nemen. Een mooi voorbeeld is de Synode van Efeze, die Maria tot Theotokos uitriep en een Mariakerk inplantte op de exacte plaats van een oud heiligdom van Diana te Efeze. Deze kerstening van voorchristelijke heiligdommen was schering en inslag: veel cultusplaatsen van heroën gingen naadloos over in heiligdommen van christelijke heiligen. Wat niet betekent dat bezoekers van gekerstende heiligdommen of deelnemers aan christelijke feesten per se participeerden in de christelijke inhoud ervan. Nog in de vijfde eeuw ging paus Leo de Grote te keer tegen de kerkgangers die met Kerstmis zich op de treden van de kerk naar de zon bogen om ze te begroeten: zij meenden immers dat het de zon was, die ze die dag vierden. 


Constantijn de Grote en Sol Invictus. Gouden medaillon geslagen in Ticinum in 313.
Tekst: INVICTVS CONSTANTINVS MAX AVG.
Parijs, Cabinet des médailles de la Bibliothèque nationale de France.


Terwijl de christenen, zoals een theoloog het uitdrukte, de dag van de winterzonnewende niet vierden om de zon te eren, zoals de heidenen, maar om Hem te eren die de zon schiep. De Kerk nam niet alleen de datum van het geboortefeest van de heidense zonnegod over, maar ook de benaming. Dat is nog altijd te merken aan de namen voor Kerstmis in een aantal Romaanse talen. Waar wij “kerstmis” hebben, het Engels christmas en een aantal westelijke Duitse dialecten (Westfalen, Thüringen, Lotharingen) Christtag, “kerstdag” dus – allemaal samenstellingen waarin één van grondwoorden “Christus” is (in het Nederlands weliswaar door een paar klankverschuivingen een beetje gemaskeerd), zijn het Franse noël (dialectische varianten o.m. noé, noué, nowé en noyé), het occitaanse nadal of nodal en het Italiaanse natale van dies natalis, uit dies natalis Solis Invicti afgeleid.


In Alexandrië, waar Kerstmis oorspronkelijk op 6 januari werd gevierd (Theofanie), was de viering van Jezus’ geboorte eveneens geënt op een ouder feest. Hier was het de oude Egyptische god Osiris, of liever zijn hellenistische gesyncretiseerde variant Sarapis, die centraal stond in een mysteriecultus. Osiris-Sarapis had ook een solair karakter en het was in die vorm dat hij op 6 januari werd gevierd. In de nacht van 5 op 6 januari, zo lezen we in het Panarion van Epiphanius van Salamis, trokken gelovigen zich na een nachtwake in het heiligdom van de godin Korē, terug in een onderaards gewelf, om bij dageraad processiegewijs zevenmaal een houten beeld van een jongetje  rond de tempel te dragen. Het beeld (xoanon) werd geïdentificeerd met de nieuwgeboren zon; op het voorhoofd droeg het een gouden vlek (sphragis) in de vorm van een kruis, en gelijkaardige merktekens had het op beide handen en knieën. Dit jongetje stelde Aiōn voor,  die in de loop van de nacht door Korē was gebaard. Deze Korē, van wie de naam letterlijk “maagd” of “meisje” betekent, werd vroeger met de Eleusinische geïdentificeerd – waarschijnlijk ten onrechte, want de Korē van Eleusis, alias Persephone of Proserpina, is en blijft maagd, zonder ooit te baren.



Veeleer was de Egyptische Korē een hellenistische versie van Isis, één der centrale godheden uit het Oud-Egyptische pantheon en  een van de goddelijke moedermaagden waaraan het mediterrane bekken zo rijk is geweest. In de hellenistische periode nam zij de kenmerken van zowat alle andere moedermaagden in zich op en haar cultus werd in feite die van het Ewig-Weibliche – en als zodanig een rechtstreekse voorloper van de Mariacultus, die op veel plaatsen de hare vrijwel naadloos opvolgde. Aiōn was een gehelleniseerde versie van Horus, d.w.z. Osiris-Sarapis wedergeboren als knaap. Horus personifieerde de zon en werd daarom ook Horus Apollo of Horapollo genoemd; hij werd in de derde eeuw geïdentificeerd met Sol Invictus. Zijn moeder Isis werd van oudsher geïdentificeerd met Sothis, de Hondsster, die wij kennen als Sirius. Haar verschijnen rond midzomer, onmiddellijk gevolgd door de opkomst van de zon (de zogeheten heliakische opgang van Sirius) kondigde het wassen van de Nijl en het ermee gepaard gaande opschieten van de vegetatie aan, of, mythologisch uitgedrukt, het vrijkomen van de ziel van Osiris. Met midwinter schonk zij het leven aan de jonge zon, die werd geïdentificeerd met de farao. Een ster als boodschapper, een moeder-maagd die een kind baart dat zowel de zon is als de koning: het festival van Aiōn en Korē was, net als dat van Sol Invictus te Rome, als het ware op maat gesneden om te worden omgesmeed tot de viering van de geboorte van de Christus.

Christus als Sol in het centrum van de dierenriem.


De kalenden van januari

De dies natalis Solis Invicti was niet het enige midwinterfeest dat de gehelleniseerde Romeinse wereld kende. Een week vóór het geboortefeest viel volgens de republikeinse en keizerlijke Romeinse kalender het feest van de Saturnalia, een week erna was het de beurt aan de kalenden van januari (Kalendae Ianuarii), de overgang van het oude naar het nieuwe jaar – het Romeinse Nieuwjaar, dus.

De Saturnalia, die het zaaien van het wintergraan celebreerden, waren gewijd aan Saturnus, die in het vroege hellenisme met de Griekse Kronos werd geïdentificeerd, maar oorspronkelijk een agrarische godheid was – de Romeinen brachten zijn naam, ongetwijfeld ten onrechte, in verband met saeta, “zaad”. Het feest begon op 17 en eindigde op 23 december en ging gepaard met een reeks gebruiken die alle tot doel hadden de Gouden Tijd te evoceren, de tijd toen in de wereld nog volstrekte harmonie heerste. De maatschappelijke rangorde werd ritueel opgeheven: knechten droegen de kleren van hun bazen, meester en slaaf tafelden samen, waarbij slaaf werd bediend door meester. Men was gemaskerd; zonder onderscheid van rang of stand werd samen gedronken en gedobbeld en één en ander wijst er op dat de feestelijkheden vaak een orgiastisch karakter hadden (wat de Romeinen dan weer tot een andere, eveneens foute, etymologie inspireerde: Saturnus < satur, “voldaan”).

Kalendae – het woord is alleen in het meervoud gekend – was de naam van de eerste dag van de maand in de oude lunaire Romeinse kalender, de dag die overeenstemde met de nieuwe maan. De koning, of later een priester, riep op die dag het volk bijeen om het begin van de maand af te kondigen en om bekend te maken, over hoeveel dagen het eerste kwartier en vervolgens  volle maan zou zijn; kalendae komt van het archaïsche werkwoord kalare, “bijeenroepen”. In de koningstijd en de eerste eeuwen van de republiek begon het jaar met de kalenden van maart; daarna, vanaf 153 BCE, was het Nieuwjaar met de kalenden van januari. Dat was de dag waarop de nieuwe consuls plechtig werden geïnaugureerd en de pontifices offers brachten om de goden gunstig te stemmen en zo voorspoed in het nieuwe jaar af te dwingen. In huiselijke kring hield men het bij de Romeinen zo belangrijke, aan de godin Vesta gewijde, haardvuur brandend en offerde men aan de Lares en de Penates (de huis- en familiegoden). En men gaf geschenken, de “strenae”: oorspronkelijk lauriertwijgen, gesneden van de laurierbomen bij het heiligdom van de godin Strenia, later ook vijgen, dadels, honingkoeken, lampen, geld. In de vierde eeuw BCE schreef Libanios: “Het feest van de Kalendae wordt gevierd zover het Romeinse Rijk zich uitstrekt... Overal wordt gezongen en gefeest; de rijken genieten van hun weelde, maar ook bij de armen komt er beter voedsel dan gewoonlijk op tafel. Het verlangen met geld te smijten maakt zich van iedereen meester... De mensen zijn niet alleen gul voor zichzelf, maar ook voor hun medemensen. Een stroom van geschenken vloeit toe van alle kanten... De Kalendae roepen alle werk een halt toe en geven de mensen de kans zich over te geven aan puur plezier”. Net als de Saturnalia, die ze bij het begin van onze jaartelling begonnen te overschaduwen om ze ten slotte bijna geheel te vervangen, gingen de Kalendae gepaard met verkleedpartijen. Vooral travestie speelde een belangrijke rol, in de eerste plaats bij de legionairs, die zich bij voorkeur in de transparante dessous hulden waaruit de werkkledij van de soldatenhoeren bestond. Verder versierde men huizen en tempels met slingers en takken van groenblijvende heesters – laurier, buxus, rozemarijn, brem, den en kermes-, steen- en kurkeik.

Constantijn, en na hem de christelijke keizers, lieten het nieuwjaarsfeest merkwaardig genoeg vrijwel geheel ongemoeid. Blijkbaar beschouwden ze de niet-christelijke religieuze inhoud als irrelevant en zagen ze het feest vooral in samenhang met hun eigen macht. Door het keizerlijke verbod op openbare offers (356) verloren de Kalendae overigens hun openlijk  religieuze karakter. Voor de openbaarheid werden ze een profaan, burgerlijk gebeuren. Het religieuze aspect ging ondergronds: de viering verplaatste zich naar de huiselijke kring, en bood heidenen één van de zeldzame gelegenheden om hun geloof nog te beleven. Voor christenen was er geen enkel wettelijk beletsel om evenééns aan de vieringen deel te nemen, en die deelname gebeurde dan ook massaal. Zeer tot ongenoegen, natuurlijk, van kerkelijke leiders als Maximus van Turijn, Petrus Chrysologus, Gregorius van Nazianzus of Martinus van Braga, die zich tegen iedere christelijke betrokkenheid bij de kalendae kantten en onder meer fanatiek van leer trokken tegen het gebruik van wintergroene takken als versiering. Hun ijver werd niet beloond. En de kerstening van het feest door de herdenking van Jezus’ besnijdenis op 1 januari te zetten, was al evenmin een succes: in een cultuur waarin niet of nauwelijks wordt besneden, is de impact van een dergelijke viering begrijpelijkerwijs nogal gering. Kortom, men bleef de heidense/profane Kalendae vieren: niet alleen is ons huidige Nieuwjaar ervan afgeleid, bovendien heeft hier en daar in Zuid-Europa – en merkwaardig genoeg ook bij de Baltoslaven – het christelijke Kerstmis zelfs de oude naam voor het Romeinse nieuwjaarsfeest overgenomen. Van kalendae afgeleid zijn het Litouws kalledos, het Tsjechisch koleda, het Pools kolenda, het Russisch koljada, het Piemontees chalenos, het Provençaals calendo en het Savoyaards chalendes: allemaal namen voor Kerstmis.  De liederen die de rondtrekkende Roemeense kerstzangers ten gehore brengen, heten colinde, de zangers zijn colindatori; de kerststronk, die traditioneel in grote delen van Europa in de kerstdagen in de haard brandend werd gehouden, heet in Marseille calendal en in de Dauphiné chalendeau.


Kerstcyclus en kerststijl

Het kerstfeest verbreidde zich met het christendom over Europa en werd geïntroduceerd in contreien die, net als de landen rond de Middellandse Zee, eigen religieuze en mythisch-rituele tradities hadden. Ook in het noorden werden aan de Saturnalia herinnerende seizoensfeesten gevierd die kenmerken in zich droegen van vegetatieculten, terwijl de winterzonnewendefeesten, die uiteraard geen uitstaans hadden met Sol Invictus, Mithra of Sarapis-Osiris, er zo mogelijk met nog grotere intensteit werden gecelebreerd – want veel meer nog dan in het zuiden, was de zon er brenger van licht en leven. En net als in het zuiden en het oosten, werden ook in noordelijker regionen Keltische, Germaanse en Slavische heiligdommen gekerstend en werd aan de oude rituelen en religieuze feesten een christelijke inhoud toegevoegd. Uit de wisselwerking tussen de regionale en lokale tradities in de verschillende delen van Europa enerzijds en de nog prille, voornamelijk uit het mediterrane gebied afkomstige vroege christelijke opvattingen en gebruiken anderzijds, kregen een aantal feestdagen, waaronder Kerstmis, een plaatselijk vrij sterk uiteenlopende vorm en betekenis. Naast een specifieke liturgie, waren aan de feesten ook een reeks extraliturgische, vaak zuiver heidense, volksgebruiken verbonden, die eveneens lokaal en regionaal nogal wat verschilpunten vertoonden. Zo kwam een wat betreft de grote lijnen vrij uniforme, maar in de details van streek tot streek aardig variërende feestkalender tot stand.

De grove lijnen van die kalender waren in de tweede helft van de vierde eeuw min of meer vastgelegd wat het westelijk-mediterrane christendom betreft. De kalender was het resultaat van enige loodgieterij, waarbij de oude pastorale maankalender van de volkeren van de Levant enerzijds, en anderzijds de zonnekalender van de Romeinen gewoon in mekaar werden geschoven. Dit leverde een merkwaardig resultaat op: het kerkelijk jaar met zijn twee cycli, waarvan de ene, die van Pasen, lunair is en dus bestaat uit veranderlijke feestdagen, terwijl de andere, die van Kerstmis, solair is en bijgevolg uit vaste feestdagen bestaat, want perfect aansluit bij de eveneens solaire profane kalender. Deze twee cycli overlappen mekaar, zoals in het schema in onderstaande tabel duidelijk te zien is.


De kerstcyclus (en meteen ook het kerkelijk jaar) begint met de Advent, de periode van vier weken voor Kerstmis waarin de gelovige christenen zich klaarmaken voor de komst van hun Verlosser (adventus = “komst”). De eerste vermelding van een adventsviering dateert uit de vijfde eeuw, toen bisschop Perpetuus van Tours voorstelde van 1 november tot Kerstmis per week drie vastendagen te houden. Dit sluit aan bij de oudere gewoonte de acht weken tussen 11 november en 6 januari te vasten, waarschijnlijk als voorbereiding op de doop – want met Epifanie herdacht men Jezus’ doop in de Jordaan en werd er ook op grote schaal gedoopt. Omdat men, naar oosterse traditie, niet vastte op zater- en zondagen, leveren die acht weken een vastentijd van precies veertig dagen op – precies even lang als de vasten voor Pasen, dat andere traditionele tijdstip voor doopvieringen.  Aanvankelijk duurde de advent niet overal even lang: in de parochiekerken van Rome telde hij zes zondagen, waarvan vijf met een eigen liturgie en één zonder; in de pauselijke kapittelkerk telde hij daarentegen maar vier zondagen, waarvan drie met een eigen liturgie. Later werd een duur van vier weken overal de regel, waarbij de “lege” zondag echter kwam te vervallen. Ook inhoudelijk was er nogal wat variatie. Was in Rome de komst van de Heiland het centrale thema, in Gallië stonden eschatologische gedachten op de voorgrond, en was de advent vooral een periode van boete in afwachting van de wederkomst van de Heer aan het einde der tijden (en dat kon, dacht men, iets voor alle dagen zijn). De kerken van het oosten kennen geen advent. Op 15 november begint er een vastenperiode van veertig dagen (zater- en zondagen wél incluis, vandaag de dag); op 20 december nemen de voorbereidingen van Kerstmis een aanvang.

Waarom het kerkelijk jaar met de eerste zondag van de advent begint is niet echt duidelijk: waarschijnlijk heeft hier de (omstreden) tendens binnen de kerk, om het liturgische jaar a.h.w. te zien als een afspiegeling van de heilsgeschiedenis van de wereld in a nutshell, een beslissende rol gespeeld. De advent valt dan samen met wat voorafgaat aan Christus’ komst, met het begin van de wereld als het ware.

De eigenlijke kersttijd bestrijkt de twaalf dagen en nachten van 25 december tot 6 januari, en bevat naast Kerstmis en Driekoningen (of Epifanie) ook nog het feest van Onnozele Kinderen, op 28 december, dat Herodes’ moorddadige optreden tegenover de Betlehemse jongetjes herdenkt, en de viering van Jezus’ besnijdenis op 1 januari, op Nieuwjaarsdag dus. In de middeleeuwen werden de Twaalf Dagen (met hoofdletter) vanaf 25 december overigens opgevat als één langgerekt kerstfeest, waarbij men dan sprak over de eerste, de tweede, de zoveelste dag van Kerstmis. Driekoningendag was dan, afhankelijk van de telling die men volgde, Twelfthday (en Driekoningenavond Twelfthnight, denk aan Shakespeare), zoals in Engeland, waar men nà Kerstmis begon te tellen, of Dertiendag, zoals bij ons (in Wallonië Jour del Trème), waar Kerstdag werd meegeteld.

Op het kerstseizoen, dat essentieel winters is, volgt dat van Lichtmis, met daarin allerlei vieringen die betrekking hebben op de komende lente. Dan breekt de paascyclus aan, met als referentiepunt Pasen, dat op de eerste zondag na de eerste volle maan na de equinox  van de lente valt (of, anders gezegd, op de zondag volgend op de derde volle maan na Driekoningen). De paascyclus begint met Septuagesima, de zeventigste dag voor Pasen, en eindigt drie zondagen na Pinksteren, d.w.z. de tachtigste dag na Pasen. Onze-Lieve-Vrouw-Boodschap, 25 maart, valt er middenin, maar hoort tot de kerstcyclus. Oorspronkelijk werd die dag in Gallië Pasen gevierd (dat daar dus een poosje géén veranderlijke, maar een vaste feestdag was), maar sinds de negende eeuw is 25 maart de dag van de Annunciatie (en van de Conceptie) van Christus, waarbij men er blijkbaar van uitging dat deze precies 9 maanden voor de maagdelijke geboorte heeft plaatsgehad. Eveneens gerelateerd aan de kerstcyclus, maar verspreid over het hele jaar, zijn de vele vaste feestdagen, die meestal gewijd zijn aan één of andere heilige. Ook hier waren (en zijn) er regionaal en lokaal belangrijke verschillen – bepaalde heiligdagen golden voor de hele christenheid, andere hadden een bescheidener impact.

In het oosterse christendom kende het liturgische jaar een heel andere ontwikkeling. Daar ontstonden geen kerst- en paaskring, maar werd het hele jaar ingedeeld in drie cycli: de paastijd, de tijd tussen Pinksteren en de vasten, en de cyclus van de vaste feesten. De kern van het jaar is Pasen; een (zeer strenge) vasten van tien weken gaat eraan vooraf, acht weken van vreugde en feest (Pentekostē) komen erna. De acht zondagen hebben een eigen liturgie, de weken eveneens, waarbij de gezangen iedere week in een andere van de acht kerkelijke toonsoorten worden gezongen. De Pentekostē levert de basisstructuur voor de hele periode tussen Pinksteren en de vasten: elke acht weken keren dezelfde teksten en gezangen voor de zondag en de weekdagen weer. Op deze manier krijgt in de Byzantijnse ritus het hele jaar een paaskarakter. Kerstmis is wel een belangrijk feest, maar het heeft geenszins de structurerende functie die in het westerse christendom wel aanwezig is.

Vaste en veranderlijke feestdagen, zonne- en maancycli: echt eenvoudig is het allemaal niet. Maar maakten onze voorouders het met de constructie van de liturgische kalender al redelijk ingewikkeld, helemaal bruin bakten ze het met hun diverse jaarstijlen.

“Onder jaarstijl”, lezen we in  De chronologie van de middeleeuwen en de moderne tijden in de Nederlanden van Egied Strubbe en Leon Voet, “verstaat men het gebruik dat bepaalt op welke kalenderdag het jaarcijfer gewisseld wordt […]”  Wij vinden het vandaag vanzelfsprekend dat het jaarcijfer wisselt met Nieuwjaar: op 31 december 1998 volgde 1 januari 1999, op 31 december 1999 volgde 1 januari 2000 en je kan er vergif op innemen dat bijvoorbeeld op 31 december 2017 gewis 1 januari 2018 zal volgen. Zo eenvoudig is dat. Vinden wij.

Wel, in de middeleeuwen was het anders, en iets minder eenvoudig. Hoewel men, naar oud Romeins gebruik,  Nieuwjaar steevast op 1 januari vierde, werd het jaarcijfer vanaf de achtste eeuw vrijwel altijd op een andere dag van het jaar gewisseld – en het duurde tot de zestiende eeuw voor opnieuw min of meer algemeen tot het gebruik van de zogenaamde Nieuwjaarsstijl (de onze) werd overgegaan. Acht eeuwen lang wisselde men het jaarcijfer met Kerstmis (Kerststijl), met Pasen (Paasstijl), met O.-L.-V.-Boodschap (Boodschapstijl), op 1 maart (Venetiaanse stijl) of op 1 september (Byzantijnse stijl). Qua ingewikkeldheid het nec plus ultra was de paasstijl, waarbij het jaarcijfer werd gewisseld met Pasen, op Goede Vrijdag, op Paaszaterdag of een enkele keer op Paasmaandag. Omdat Pasen telkens op een andere kalenderdag valt, verschoof ook het jaarbegin, zodat een paasjaar nooit volledig was: ofwel ontbraken bepaalde dagen, ofwel kwamen dagen tweemaal voor. De kerststijl was een stuk eenvoudiger, en wijkt in feite nauwelijks af van onze huidige gewoonte – het jaarcijfer veranderde een week eerder dan nu, dat is al. Deze stijl was wijd verbreid in Europa: op de Britse eilanden was hij sinds de achtste eeuw in gebruik, in de negende eeuw werd hij in Rome geïntroduceerd waar hij doorheen de middeleeuwen regelmatig werd gevolgd. Scandinavië volgde zodra het was gekerstend de kerststijl. Het was de jaarstijl van het Karolingische rijk, van vrijwel heel Duitsland en van een aantal belangrijke Noord-Italiaanse stadstaten; in Frankrijk was hij lange tijd in voege in de Provence. In de Nederlanden, waar vooral de Franse paasstijl in zwang was, paste het prinsbisdom Luik de kerststijl toe tot het einde van de achttiende eeuw.



De kerstliturgie in West en Oost



Zoals ik al zei, hadden alle feestdagen, vaste én veranderlijke, een eigen liturgie, die ook nog geografische variatie vertoonde; er waren verschillen wat betreft het aantal missen dat werd gelezen, de teksten die ten gehore werden gebracht, de gezangen, enz. Anders gezegd: ook al was men op zeker ogenblik Kerstmis overal op 25 december gaan vieren, de manier waarop die viering gestalte kreeg, was verre van uniform. In Engeland, waar men de liturgische voorschriften van Sarum (Salisbury) volgde, werden drie missen gelezen, waarvan de eerste, de metten, begon vóór dageraad en eindigde met een recitant die, staand op een houten platform hoog in het schip van de kerk, nabij het kruisbeeld dat tussen schip en koor hing, de stamboom van Jezus (uit het evangelie naar Matteüs) zong, terwijl een andere man hem met kaarsen bijlichtte; alle gelovigen in de kerk hadden eveneens een brandende kaars in de hand.

In Rome werd vanaf de zesde eeuw de 24ste een vigilie gehouden in de basiliek van Santa Maria Maggiore. Ze bestond uit drie nocturnes (gebedswaken) die elk een psalmodie en drie lezingen bevatten; deze lezingen hadden alle betrekking op Jezus’ geboorte. Op 25 december waren er drie missen: één om middernacht in de Santa Maria Maggiore, een tweede bij dageraad in de Santa Anastasia en een derde in de Sint-Pieter. De nachtmis werd waarschijnlijk aan de twee oorspronkelijke vieringen toegevoegd in navolging van het Palestijnse gebruik om in de nacht van 5 op 6 januari een mis te vieren in de Geboortekerk te Betlehem, waarna in processie naar Jeruzalem werd getrokken. “Het gebruik om op Kerstmis drie missen te vieren”, schrijft de Duitse theoloog Karl-Heinrich Bieritz, “werd in de middeleeuwen door de mystici in verband gebracht met de ‘drievoudige geboorte’ van Jezus: het ging op Kerstmis om de geboorte van de Zoon uit de Vader vóór alle tijden; om de geboorte van de Zoon van God uit de maagd Maria, dat wil zeggen: om het mysterie van de vleeswording van het Woord; en tenslotte om de geboorte van God door de Heilige Geest in de ziel van ieder afzonderlijk”.

Volgens het nieuwe Romeinse missaal is er de avond van de 24ste een vigilie, waarin als evangelie de genealogie van Jezus met de aankondiging van de geboorte aan Jozef uit Matteüs 1:1-25, wordt gelezen. In de nachtmis leest men als evangelie het eerste stuk van Lucas’ versie van het geboorteverhaal, in de ochtendmis het tweede stuk (vanaf de herders), in de dagmis Johannes’ tekst over de menswording van het Woord.

Protestantse kerstvieringen kennen in de regel geen nachtmis: de vijftiende- en zestiende-eeuwse hervormers schaften ze af om ongepast – lees liederlijk – gedrag in de nacht tegen te gaan. De viering begint er met de vesper op kerstavond, terwijl de metten, die oorspronkelijk aan de nachtmis voorafgingen, naar de vroege morgen van Kerstmis werden verplaatst. In sommige streken, zoals in Midden- en Zuid-Duitsland, is de ochtenddienst het middelpunt van de kerstviering, elders ligt het zwaartepunt op kerstavond. In veel protestantse gemeenten in Nederland wordt Kerstmis weer in de kerstnacht gevierd. Typisch voor de protestantse kerstviering is nog, dat ze wordt verlengd met een tweede of zelfs een derde kerstdag, een uit de Reformatietijd daterende inkorting van de Twaalf Dagen.

De centrale gegevens van het kerstfeest: de komst van het licht van de wereld, de menswording van het Woord en Gods keuze zijn Zoon te offeren voor de lijdende mensheid, werden en worden in de westerse kerken niet theologisch-beschouwelijk uitgewerkt, maar met het accent op het gevoel. Zowel in de liturgische gezangen en de kerstliederen als in de homilieteksten worden al sinds de middeleeuwen de kwetsbaarheid van het kind in de kribbe, de moederlijke gevoelens van Maria, de naïeve vrolijkheid van de herders en de eerbied van de schilderachtige Wijzen uit het Oosten sterk in de verf gezet – om nog te zwijgen over de wreedheid van de snode Herodes. Kortom, de westerse Kerst (en niet alleen de rooms-katholieke, maar ook de anglicaanse, de lutherse of andere protestantse) is er één van een lach en een traan, één die het sentiment niet schuwt en, ook in zuiver liturgisch verband, de grens tussen goede smaak en kitsch niet altijd weet te respecteren. Dit laatste nemen we er echter graag bij, wanneer we zien welke schitterende muziek door de kerstliturgie werd geïnspireerd: ik vermeld slechts de kerstconcerto’s of -symfonieën van onder anderen Giuseppe Torelli, Giuseppe Sammartini, Johann Christoph Pez, Marc-Antoine Charpentier, Michel Richard de Lalande en, uiteraard, het terecht beroemde Concerto grosso in sol minore Op. 6 no. 8 Fatto per la notte di Natale van Arcangelo Corelli; de diverse cantates die Johann Sebastian Bach schreef voor de verschillende dagen van Kerstmis, waarvan een viertal samen het heerlijke Weihnachtsoratorium BWV 248 vormen, George Frederick Handels Messiah, Heinrich Schütz’ Historia der Geburt Jesu Christi, Hector Berlioz’ L’enfance du Christ, Frank Martins Le Mystère de la Nativité, enz.

Een heel ander karakter en verloop kende het kerstfeest in het oosten. Daar werd lange tijd Kerstmis (tegenwoordig Gennēsis tou Kurióu of Christougenna geheten, voorheen Theophánia of Ta Genethlia) in belang overtroffen  door Theofanie (Theopháneia) of Epifanie (Epipháneia, vroeger Ta Phōta), Jezus’ doop in de Jordaan, het begin van zijn openbaar leven en dus de eigenlijke start van Gods activiteit als mens. Ook vandaag nog is Epifanie in de verschillende orthodoxe en andere oosterse kerken een veel belangrijker dag dan in het westen, terwijl de kerstgebruiken opvallend afwijken van de westerse. Het pittoreske dat Kerstmis in het westen mee tot het populairste van alle religieuze feesten heeft gemaakt, ontbreekt in het oosten geheel en al. In de teksten van de Byzantijnse ritus zijn de gevoelige, zelfs ronduit sentimentele, mijmeringen over de moeder en haar kind en de hele Betlehemse entourage die we kennen van de westerse gezangen totaal afwezig. We hebben hier te maken met theologische beschouwingen over de Zoon Gods die is geïncarneerd om de mens te vergoddelijken, verwoord in een vaak extatische poëtische taal. De Byzantijnse kerstviering lijkt (als trouwens de meeste oosterse christelijke erediensten) voor de westerling wel eindeloos: ze beslaat twee dagen. Het geheel vangt aan met een eerste vigiliedag (paramonē), waarop wordt gevast en gewaakt terwijl de dienst van de zg. Megalai hōrai (Grote Uren) wordt voltrokken, in feite een lange aaneenschakeling van zogenaamde getijden, gebedsdiensten voor de verschillende uren van de dag, elk met hun eigen psalmodie, lezingen en troparia (poëtische antifonen). De eigenlijke viering begint op 24 december ‘s avonds, met de hesperinoi (vespers). Men begint met de avondpsalmen en de daarbij horende stichēra – poëtische strofen die tussen de psalmen in worden gezongen. Dan komt de intocht met het evangelion en met het in de Byzantijnse ritus zo belangrijke licht, terwijl de avondhymne wordt gezongen. De erop volgende uitgebreide lezingendienst wordt afgesloten met de H. Liturgie van Basilios (een oudere versie van de oosterse eredienst dan de gebruikelijke H. Liturgie van Johannes Chrysostomos), die wordt vervolgd met de Grote Completen (een gebedswake). Zo gaat het de hele nacht door, tot in de vroege morgen de lauden (órthroi) beginnen, eens te meer een lange reeks gebeden, gezangen en lezingen. De viering, een zg. pannuchís of doorlopende dienst, wordt op 25 december ‘s morgens afgerond met de H. Liturgie van Johannes Chrysostomos.

De op 6 januari gevierde Theofanie, in feite het oudste kerstfeest van de oosterse christenheid, kent een gelijkaardig verloop, maar wordt met de H. Liturgie van Basilios afgerond. Net als bij het oosterse kerstfeest, is het schilderachtige dat de westerse pendant van Epifanie, het Driekoningenfeest, karakteriseert, hier geheel zoek. Centraal staan het licht en het water, en het hoogtepunt van de viering is dan ook de zegening van het water, waarbij alle in de kerk aanwezige gelovigen met water worden besprenkeld. “Het feest wordt gedragen door de idee van de verschijning van de Drie-ene God, zoals verteld in de evangeliën bij de doop van Jezus in de Jordaan. Jezus, Heer en God, is het licht van de wereld. De gemeente viert het heortē tōn phōtōn  (het feest van de lichten). De Heer verlicht de gelovigen door het licht van de waarheid. Het heil komt de gelovige toe door het mysterie van het water, dat op deze dag op een uitbundige wijze wordt gezegend door het afroepen van Gods naam.” Het is een verkondiging, die niet alleen betrekking heeft op de doop, maar op alle gelovigen, die van het gezegende water gebruik maken:

Διὰ λουτρου σωτηρία / δι΄ `ύδατος το Πνεΰμα / διὰ καταδύσεως `̀η προς / Θεον `ήμον ´άνοδος / Θαυμάσια τά ´έρχα σοΰ Κύριε.
(Dià loutrou sōtēría / di’ húdatos to Pneūma, / dià katadúseōs hē pros / Theon hēmon ánodos gínetai. / Thaumásia tá ércha sou, Kúrie.)


In vertaling:


Door het bad komt er redding / door het water de Geest, / door de afdaling in de Jordaan / onze opgang naar God. / Wonderlijk zijn uw werken, Heer.



Pax!
Ειρήνη!




Clement Caremans (c) 2019


Sol Apollo. Mozaïek 3de eeuw CE.