 |
Sol Invictus. 3de eeuw. Beiroet, Nationaal Museum.
|
De Onoverwinnelijke Zon
December.
Een vriendelijke massapsychose houdt de samenleving een paar weken in haar
greep. Ze gaat gepaard met allerlei gebruiken. Er worden cadeaus gegeven,
overal branden er lichtjes, huizen worden gedecoreerd met rode en gouden en
zilveren versiersels en vooral met veel groen: hulst, maretak, spar, taxus,
poinsettia, helleborus. Binnenshuis wordt een conifeer opgesteld, die met
gekleurde ballen en slingers en lampjes wordt behangen. Er wordt gegeten en
gedronken, thuis maar ook op verplaatsing, op kerstmarkten en in warenhuizen,
waar kerstmannen, in feite veramerikaanste Sinterklazen, overal de op
consumptie beluste massa aansporen nog méér te consumeren. Mensen zijn op zoek
naar het ultieme kerstcadeau (ik las dat één op zes Vlamingen een lening
afsluit om kerstcadeaus te kunnen kopen), de ultieme kerstboom (voor een grote
nordmannspar tel je al gauw honderd euro neer), het ultieme kerstdiner, en
laten zich daarbij adviseren door stijl- en kookgoeroes die in magazines en op
tv komen uitleggen hoe het dit jaar per se moet en vooral niet mag. In de
straten klinkt uit luidsprekers White
Christmas, Joy to the World, Hark! the Herald Angels Sing en Little Drummer Boy, afgewisseld met
suikerzoete versies van het Panis
angelicus of Adeste fideles.
Aan
de basis van dit massagebeuren ligt een feest, Kerstmis geheten. De datum is 25
december en wat wordt gevierd, is de herdenking van de geboorte van ene Jezus,
ook Christus genoemd, een joods prediker en wonderdoener die zo’n 2000 jaar
geleden in Galilea, Israël, zou hebben geleefd en van wie een niet onbelangrijk
deel van de mensheid gelooft dat hij de Zoon is van God – God zélf, in feite,
die is vleesgeworden en uit de hemel is neergedaald om ons allen van onze
zonden te verlossen. Gelovige christenen hebben dus reden tot feesten te over,
want precies het mysterie van Gods menswording is één van de kernpunten van
hun geloof. Kerstmis bekleedt dan ook een zeer belangrijke plaats in het leven
van een christen: het staat centraal in één van de twee cycli die waarin de
rooms-katholieke kerkelijke kalender het jaar opdeelt. In de andere cyclus
staat Pasen centraal, dat niet de geboorte van God als mens, maar de
overwinning van de Godmens op de dood, het andere essentiële (en zo mogelijk
nog belangrijker) geloofspunt van de christelijke religie, voor het voetlicht
brengt.
Het
bijzondere aan Kerstmis is nu, dat het, hoewel in se een religieus, christelijk,
gebeuren, in onze sterk geseculariseerde samenleving door vrijwel iedereen
– kerkelijk, kerks, vaag religieus, vrijzinnig – op één of andere manier
wordt gevierd. In en buiten de kerk, thuis, op het werk, op school, in de
sportclub, op straat, in de cafés, bij de slager of in het warenhuis: overal is
gedurende enkele weken de realiteit van alledag gedrenkt in een kerstbad. Van
de eigenlijke kern van het gebeuren, het in de evangeliën verhaalde relaas van
de geboorte van God als mens, is in dat alles veelal weinig terug te vinden.
Ook in de kerstboodschap waarmee onze staatshoofden zich tot het volk richten,
is het zuiver religieuze ver te zoeken, wat alleen maar evident is in
fundamenteel seculiere staten als bijvoorbeeld Frankrijk en België, maar dan
wel de vraag doet rijzen naar het waarom van de boodschap. Meer dan een
christelijke hoogdag, is Kerstmis vooral een feest waaraan vrijwel de hele
samenleving participeert – zelfs in joodse en islamitische middens worden
sommige aspecten van Kerstmis overgenomen. Vergeleken daarbij, hinkt Pasen als
breed maatschappelijk feest al flink achterop, en andere cruciale dagen van christelijke
kalender – Pinksteren, Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart, Allerzielen, noem maar op –
komen zelfs niet in de buurt.
Kerstmis
gaat gepaard met een resem gebruiken, oude en heel recente, waar je onmogelijk
naast kan kijken. Bij een aantal daarvan is het verband met de christelijke kern
zonder meer duidelijk. Het plaatsen van een kerststal refereert direct aan het
geboorteverhaal van Jezus van Nazareth, niet zozeer naar hetgeen we er bij de
evangelisten Lucas en Matteüs over lezen, maar vooral naar het relaas dat het
apocriefe, in de Middeleeuwen immens populaire Protoevangelium van Jacobus ons voorschotelt. Ook kerstliederen – carols, noëls – hadden oorspronkelijk het geboorteverhaal als thema. De
obsessie met lichtjes kan christelijk zijn en heeft ongetwijfeld theologische
referenties, maar mogelijk zijn er ook meer universele connotaties: in de
donkerste tijd van het jaar is licht zo essentieel, dat het wel logisch is het
in de context van een feest in deze periode een ereplaats te geven. Romantische
en moderne heidenen zien in het lichtfeest graag een oeroude kern, die
teruggaat tot vér voor Jezus Christus. Kerstmis zou niets anders zijn dan de
heidense viering van de winterzonnewende, die achteraf met een christelijk
sausje werd overgoten. De vele volkse gebruiken die vooral in niet-stedelijke
gebieden tot vandaag worden in stand gehouden (vaak vooral omwille van het
toerisme), zouden oorspronkelijk Germaans of Keltisch zijn geweest: het
ontsteken van vuren, het luiden van klokken, de rondtrekkende, verklede mannen
gehuld in bont of lompen, met maskers of gewoon met zwartgemaakt gezicht - het
zou allemaal wortelen in het Germaanse Joelfeest en in het heidense geloof dat
met midwinter de Wilde Jacht, aangevoerd door Odin of Wodan, door de wereld der
stervelingen raast. Jacob Grimm opperde als eerste de Germaanse wortels van de
kerstgebruiken in zijn Deutsche Mythologie (1835) en meer dan
een eeuw lang werd hij vlijtig gekopieerd door völkische onderzoekers in
Duitsland en met fantasieën over een pan-Germaans verleden flirtende belendende
gebieden als Vlaanderen en Nederland. Tot vandaag zijn ze populair, vooral in
extreem-rechtse kringen die graag over de grootheid van het zuivere blanke en blauwogige Germaanse
volk ijlen, of bij nieuwe heidenen die zich tegen het christendom afzetten en
voor wie de voorchristelijke oudheid een interessant spiritueel alternatief biedt. We weten
echter nauwelijks iets over het Germaanse midwinterfeest, als er al ooit een is
geweest, en zowel archeologen als historische linguïsten hebben heel veel
moeite om zelfs maar af te bakenen wat nu Germaans was en wat niet. En min of
meer hetzelfde geldt voor de Kelten, waar dan weer anderen de fons et origo van onze midwintertradities
denken te hebben gevonden. Betekent dit dat er geen
enkele verwantschap bestaat tussen eventuele voorchristelijke vieringen van de
winterzonnewende en Kerstmis? Natuurlijk niet: de associatie of zelfs
identificatie van Jezus’ geboorte met die van de zon spruit, net als de eventuele heidense vieringen, voort uit de drang het lengen van de dagen na de donkerste
tijd van het wintersolstitium te celebreren. Maar bewijzen dat het christelijke Kerstmis uit een Germaans winterzonnewendefeest elementen heeft overgenomen, hebben we niet - we weten niet eens of de Germanen ooit zo'n feest hadden.
Inmiddels alweer twee
decennia geleden, had ik het idee een populaire cultuurgeschiedenis van
Kerstmis en zijn context te schrijven: de evangelische en apocriefe verhalen
over de geboorte van Jezus van Nazareth en hun Nachleben in de verschillende kunsten, de geschiedenis van de
christelijke kerstviering in Europa en in de rest van de wereld en de winterse
tradities uit de kerstperiode maar ook uit de weken ervoor en erna, van
Allerheiligen en Sint-Maarten tot Carnaval, zeg maar. Die geschiedenis is er
niet gekomen, al heb ik het project nog niet helemaal begraven – het zal iets
zijn voor na mijn professionele loopbaan, vermoed ik. Intussen heb ik wel wat
brokken tekst herschreven tot losstaande artikels over kerstliederen, over de herkomst
en de geschiedenis van de kerststal, over het Driekoningenverhaal en -feest, over varkens en Nieuwjaar en over het
gehannes met kerstbomen, hulst en maretak. Een stuk over wintermaskerades zit
in de pipeline en in wat volgt besteed ik aandacht aan de vroege kerstviering,
haar context en mogelijke invloeden, en verdere liturgische ontwikkelingen.
Dies natalis Solis Invicti
Het ontstaan van Kerstmis is, zoals het wel eens wordt omschreven, in nevelen gehuld.
We weten niet waar Jezus van Nazareth precies
geboren werd en ook niet in welk jaar of op welke dag: de viering van de
geboorte op 25 december berust op conventie. Bovendien waren er blijkbaar in de
eerste eeuwen helemaal geen kerstvieringen – er is althans geen enkele bron die
op enig feest wijst. Dit kan vreemd lijken: heeft de geboorte van de Godmens
dan al niet van het vroegste begin een centrale plaats gehad in de christelijke
gedachtenwereld? Waarschijnlijk niet: de heel vroege christenen waren zozeer
bezig met de eschatologische aspecten van hun geloof, dat de geboorte van hun
Heiland hen veel minder interesseerde. Hun bekommernis was, klaar te staan op
het ogenblik van Jezus’ wederkomst – een evenement waarvan velen blijken te
hebben gedacht dat het nog tijdens hun leven ging plaatsvinden. Pas later,
alleszins nà Paulus en de vroegste aanzetten tot evangelische geschriften,
ontstond blijkbaar de behoefte aan een relaas van Jezus’ geboorte. Matteüs en
Lucas concocteerden elk op hun manier een geboorteverhaal, waarbij Matteüs
vooral typologisch te werk ging in zijn betrachting aan te tonen dat het
christelijke geloof gewoon een logische voortzetting was van het
oudtestamentische, terwijl Lucas vergeefse moeite deed om de zaak een
historisch geloofwaardig tintje te geven. De apocrypha tonen aan dat in de loop
van de eerste eeuwen de behoefte om de witte plekken in Jezus’ levensverhaal op
te vullen verre van afnam. Maar helemaal in het begin was die behoefte er
blijkbaar nog niet.
Het is dan ook niet onwaarschijnlijk dat er
geen viering was, en indien wel, is in elk geval elk bericht erover verloren gegaan.
 |
| Sol. Mozaïek in Mausoleum M in de Vaticaanse Necropolis. |
Vanaf de derde eeuw zijn er wel meldingen
van een kerstfeest, maar blijkbaar was er nog geen algemene overeenkomst
betreffende de datum. Clemens van Alexandrië (gestorven ca. 215) vierde Kerst
op 18 november, Hippolytus (begin 3de eeuw) op 2 april; nog andere vroege data
voor het kerstfeest zijn 28 maart, 20 mei en 19 en 20 april. Volgens Hippolytus
(gestorven ca. 236) moest de viering in elk geval op een woensdag vallen, want
op die dag had God de zon geschapen.
De oudste vermelding van het feest van de
geboorte op 25 december vinden we in de martelarenkalender van Philocalus uit
354, die teruggaat tot 336. Kerstmis werd dus in Rome voor het eerst gevierd op
25 december rond 330, met zekerheid in 336. De dag werd vastgelegd door Julius
I of zijn opvolger Liberius, die hiermee althans in het Westen een einde
maakten aan de heersende verwarring. In het oosten werd pas vanaf de zesde eeuw
kerstdag op 25 december vastgelegd; tot dan had men er Jezus’ geboorte herdacht
op 6 januari, met het feest van de Epifanie, van de verschijning (Grieks
’επιφανεία, epiphaneia) van de Heer.
In de Tweede brief aan de Tessalonicenzen, 2:8, heeft Paulus het over de
epifanie: zij betekent er nog de komst van Jezus in de eindtijd. Bij dit
verschijnen aan het einde der tijden voegde zich ook de gedachte aan het eerste
verschijnen van God in menselijke gedaante: de geboorte van Jezus van Nazaret.
Een aantal christelijke gemeenten voegden er nog de doop in de Jordaan en
Jezus’ eerste wonderdaad, ter gelegenheid van de bruiloft te Kana, aan toe. In
Jeruzalem was het van in de vierde eeuw de gewoonte op 6 januari Jezus’
geboorte te herdenken; al vóór de zesde eeuw werden op die dag in Egypte de
geboorte en de doop gevierd; in Cappadocië en Constantinopel was rond 370
Epifanie nog het feest van de geboorte, maar tien jaar later is het de
herdenking van de doop in de Jordaan geworden, terwijl de geboorte er nu, net
als in Rome, op 25 december wordt gevierd. Epifanie is van oosterse oorsprong;
de westerse kerk importeerde het feest via Gallië maar gaf het een geheel
nieuwe inhoud: het werd er Driekoningen, het feest van het bezoek van de drie
Wijzen.
Waarom vaardigde Liberius uit dat de
geboorte van Jezus moest worden herdacht op 25 december? De Scriptor Syrus
verklaarde in de vierde eeuw: “De reden waarom de kerkvaders de viering van 6
januari naar 25 december verplaatsten was de volgende: het was het gebruik van
de heidenen om op diezelfde 25 december de geboorte van de zon te vieren en
vuren te ontsteken in het kader van de festiviteiten. Aan deze plechtigheden en
festiviteiten namen ook de christenen deel. De kerkleiders merkten op dat de
christenen dit festival genegen waren en na overleg besloten zij dat de ware
geboorte op die dag gevierd moest worden en dat op de zesde januari Epifanie
zou vallen. En daarom steken de christenen nu nog vuren aan tot 6 januari”.
Het besluit om de viering van Christus’
geboorte vast te leggen op 25 december, is dus mogelijk een heel bewuste, zeg
maar politieke, daad geweest van de bisschop van Rome. De geboorte van de zon
waarvan sprake in het citaat verwijst naar de cultus van Deus Sol Invictus, de
Onoverwinnelijke Zon, de oppergod van het Romeinse staatspantheon in de derde
eeuw. Kerstmis zou dan via substitutie zijn ontstaan: een populair heidens
feest werd gekerstend, zodat wie eraan deelnam ineens, misschien wel zonder het
te weten, de geboorte van Jezus vierde. Uiteraard weten we niet met zekerheid
of dit klopt. Want vaak hadden de kerkelijke autoriteiten eerder de neiging via
het opleggen van verplichte boete- en vastenperiodes hun volgelingen te
beletten aan heidense festivals te participeren. Hoe het met de viering van Sol
Invictus is gegaan, is onduidelijk.
 |
| Helios, de Griekse versie van Sol. Basreliëf (metope). Troje, 4de eeuw BCE. |
In Rome bestond al lang een bescheiden
zonnecultus, die volgens Julianus dateerde uit de tijd van de mythische koning
Numa Pompilius en waarin de nogal obscure godheid Sol Indiges centraal stond.
Zijn heiligdom bevond zich op de Quirinalis en zijn feestdag viel volgens de
republikeinse kalender op 9 augustus. Tn de hellenistische tijd werd Sol Indiges geïdentificeerd met de Griekse zonnegod Helios. Onder de keizers, te beginnen met
Octavianus (Augustus), werd het de gewoonte dat de keizer zich identificeerde
met de (of liever een) zonnegod; vooral de Antonini lieten zich graag
afbeelden, op munten en dergelijke, als de stralende Zon. Onder de Severi werd
de zonneverering dominant te Rome. De traditionele Romeinse godsdienst was zijn
impact zo goed als geheel kwijtgespeeld en de lacune die hierdoor ontstond,
werd prompt opgevuld door een massa culten van exotische origine, waaronder de
zogeheten mysteriegodsdiensten, het christendom en een aantal culten waarin de
zon een prominente rol vervulde, zoals het mithraïsme en de cultus van Sol
Invictus.
Mithra, of op z’n Grieks Mithras, had al een
hele geschiedenis achter de rug toen hij in de hellenistische tijd het centrum
werd van een mysteriecultus. Hij kan worden getraceerd tot in de prehistorische
Indo-europese oudheid. In de Indische Rig Veda is hij de god van de rechtspraak
en de eredienst; zijn naam betekent trouwens “verdrag”. In de Iraanse Amesha
Spentas heeft hij een gelijkaardig profiel. Hoewel het nieuw-Perzische mihir, “zon”, van zijn naam is afgeleid, was hij oorspronkelijk geen
hemel- of zonnegod: deze associaties zijn van latere datum. In het zoroastrisme
is hij van secundair belang, maar in de Parthische periode wordt hij de
centrale godheid in een nieuwe religie die gelijkenissen vertoont met de
mysteriegodsdiensten. Net als in de mysteriën staat in de Mithracultus een
inwijding (μυστήριον, mustērion)
centraal en wordt de adepten niets minder dan σωτηρία (sōtēria) beloofd,
verlossing uit het existentiële lijden. Mithra krijgt een status die sterk aan
die van de Christus doet denken: zélf goddelijk, wordt hij de mediator, de
“verbinder” tussen de hoogste god Ahura Mazdā en de mens – een Verlosser, die
de mens uit de wereld van de stof, de sterfelijkheid en het lijden tot de
onsterfelijkheid kan brengen. De Romeinen leerden zijn cultus kennen in
Klein-Azië, waar er reeds allerlei niet-Iraanse elementen aan waren toegevoegd;
de Mithra van de mysteriën is niet zozeer een Iraanse als wel een
hellenistische godheid.
Volgens de mythe werd hij uit een rots
geboren (petra genetrix) of in een
grot (speleum); de geboorte ging
gepaard met het verschijnen van een ster of van een verblindend licht (xvarnah), waarna herders de jonge god
eer kwamen betuigen. Hij plukte de vruchten van de eerste boom, vervaardigde
kleren van de bladeren en schoot een pijl in een rots, waaruit water vloeide.
Volwassen, ving hij de oerstier die Ahura-Mazdā had geschapen; een raaf (corax), gezonden door de Zon, berichtte
hem dat het tijd was voor het offer. Mithra sleepte de stier mee naar een grot
en doodde het dier met een dolksteek. Het bloed vloeide over heel de aarde en
schonk overal leven: tarwe, de wijnstok en de dieren en planten des velds. De
Zon erkende Mithra als meerdere en knielde voor hem, ontving een kroon en sloot
een verbond met hem.
Mithra schonk leven, overwon het lijden en
bleef de hele tijd zonder zonde. Hij was het na te volgen model voor zijn
volgelingen, die middels een reeks inwijdingen trachtten door te dringen tot de
essentie van zijn leer. Die inwijdingen hadden een melodramatisch en soms
gewelddadig karakter en bestonden uit zware en zelfs vrij gruwelijke tests:
onderdompeling in water, blootstelling aan extreme hitte, vergieten van het
eigen bloed, het slachten van een stier, een doop met stierenbloed, enz. De
beloning was eenwording met het wezen van de god en verlossing uit het aardse
lijden.
 |
Mithras wordt uit een rots geboren (petra genetrix). Ca. 180-192 CE.
Rome, thermen van Diocletianus. |
 |
Tauroctonie: Mithras doodt de oerstier en creëert met diens bloed de wereld.
Parijs, Musée du Louvre. |
Het mithraïsme kende veel succes. Het was
een religie met een sterke ethische leer en een groot emotioneel potentieel,
die een enorme schare volgelingen wist te recruteren en vooral aanhang had bij
de Romeinse legionairs. Heiligdommen en cultusplaatsen zijn teruggevonden in
heel het Romeinse Rijk, maar vooral bij de limes, in kampen en garnizoensteden,
en dit tot in Noord-Engeland en het Rijnland toe. Toch is de vaak geciteerde
uitspraak van Ernest Renan, dat indien het christendom in zijn groei zou zijn
gestopt door één of andere dodelijke ziekte, de wereld mithraïstisch was
geweest, ongetwijfeld een schromelijke overdrijving. Door de vrij gewelddadige
inhoud, de ascetische discipline, het inherente militarisme en, bovenal, door
vrouwen uit te sluiten, miste het waarschijnlijk het potentieel om zeer brede
bevolkingslagen aan te spreken. De stelling die vroeger wel vaker werd
geformuleerd (onder meer door Sir James George Frazer in Adonis, het vierde boek van zijn monumentale The Golden Bough) dat het kerstverhaal én het kerstfeest in feite
van mithraïstische origine zijn, kan niet langer ernstig worden genomen.
Anderzijds zijn er voldoende overeenkomsten met het christendom om een
eventuele wederzijdse beïnvloeding niet geheel uit te sluiten. De morele
doctrine van het mithraïsme vertoonde belangrijke verschillen met die van het
christendom, maar ook frappante parallellen. Dat was zelfs de kerkvaders al
opgevallen, Tertullianus op kop, die stelde dat het de duivel zélf was die voor
de gelijkenis tussen beide religies had gezorgd. Ook qua liturgie waren er
overeenkomsten. “De 25ste december was de geboortedag van Mithras; de eerste
dag van de week, gewijd aan de zon, was zijn heilige dag, in tegenstelling tot
de joodse sabbat. De aanhangers van Mithras kenden ook een doop (met het bloed
van een stier) en een confirmatie, en zij verwachtten heil van het deelnemen
aan een offermaal, dat leek op het christelijk avondmaal”.
Nogal wat zonne- en lichtsymboliek uit het christendom van de oudheid en de vroege middeleeuwen is mogelijk via het mithraïsme in de christelijke voorstellingswereld terechtgekomen. In het eerste millennium ontstond in het Nabije Oosten een syncretische mythologie waarin christelijke en Iraanse elementen met elkaar werden vermengd. Een Syrisch christelijk geschrift uit de 8ste eeuw, de Kroniek van Zuqnin, vertelt een verhaal dat schatplichtig lijkt aan zowel het evangelie volgens Matteüs en een 5de-eeuws commentaar daarop, het Opus imperfectum in Matthaeum, als aan de Iraanse mythe van de Rex Magnus,
net als Jezus een Verlosser, die wordt geboren in een grot waarheen een helder
lichtschijnsel de weg wijst. Deze Rex Magnus werd vaak met Mithra geassocieerd. Verder zijn
aureool en mandorla, de typische attributen van Christus, de heiligen en de
engelen in de christelijke iconografie, mogelijk afgeleid van het Iraanse
xvarnah, het lichtende fluïdum eigen aan de goede god Ahura Mazda, dat ook Mithra, de eerste voorouder Gayomart en de verlosser Saoshyant omgeeft en misschien via het
mithraïsme de christelijke beeldentaal infiltreerde.
Hoewel Mithras en Sol Invictus in sommige
populaire geschriften op één hoop worden gegooid, waren het twee essentieel
verschillende entiteiten.
Sol Invictus heette oorspronkelijk Elagabal en had een heiligdom in het
Syrische Emesa; hij was een lokale versie van de belangrijke Levantijnse god
Baal (die eerder al met de Griekse zonnegod Helios was geïdentificeerd, wat
blijkt uit de Griekse naam van de naar hem genoemde stad Baalbek: Heliopolis).
Zijn cultus werd sterk gestimuleerd onder het principaat van Septimius Severus
(193-211 CE), wiens vrouw Julia Domna een dochter was van de hogepriester van
Elagabal van Emesa en een belangrijke rol speelde in de propagandastrijd van
het laat-tweede-eeuwse paganisme tegen het voortdurend sterker wordende
christendom. Zo gaf zij onder meer Philostratos de opdracht een biografie te
schrijven van Apollonius van Tyana, een half-legendarische figuur uit de eerste
eeuw CE over wie maar heel weinig feitelijke gegevens bekend zijn, behalve dan
dat hij een aanhanger van Pythagoras was en een zonderling. In Philostratos’
biografie wordt hij opgevoerd als een soort sjamaan, die doorheen het hele
Oosten de wonderlijkste toverkunsten verrichtte, de cultus van de Zon
propageerde en zich ontpopte als een heidens alternatief voor Jezus, die in
apocriefe teksten uit dezelfde tijd óók vooral als een tovenaar wordt
geportretteerd.
Onder Septimius’ opvolger Caracalla
(211-217) werd de eredienst van Sol Invictus verder aangemoedigd, maar het was
vooral de gehate Varius Avitus Bassianus alias keizer Elagabalus (218-222),
kleinzoon van Julia Domna’s zuster Julia Maesa en opperste hogepriester van de
Emesenische zonnegod, die hem een officieel karakter verleende door hem als
oppergod boven Iuppiter Optimus Maximus in het Romeinse staatspantheon te
plaatsen. Pas onder de Pannoniër Aurelianus (270-275) echter werd voor Deus Sol
Invictus een staatscultus ingesteld: op het Campus Martius te Rome werd een
schitterende tempel gebouwd en de god werd uitgeroepen tot de persoonlijke
beschermer van de keizer (Conservator Augusti). Er werd een college van
priesters in het leven geroepen en vierjaarlijkse circusspelen georganiseerd,
die voor het eerst plaats hadden in 274. De feestdag van de Zon werd vastgelegd
op 25 december, de dies natalis Invicti,
de dag waarop de winterzonnewende werd geacht plaats te hebben.
Sol Invictus was ongetwijfeld een belangrijke concurrent van Jezus Christus in de laat-hellenistische wereld, en bepaalde auteurs, onder wie onze landgenoot G. Halsberghe, hebben in de zonnecultus een heidens monotheïsme willen zien dat door de keizers werd gegrondvest en gepropageerd in hun niet aflatende, maar in fine hopeloze strijd tegen het oprukkende christendom. Anderen, als Robin Lane Fox en Peter Brown, trekken dit monotheïstische paganisme in twijfel en stellen dat het imperium vóór de installatie van het christendom als staatsgodsdienst essentieel polytheïstisch was. De cultus van Sol Invictus was syncretisch: allerlei andere culten van uiteenlopende origine konden er probleemloos in worden opgenomen, tal van goden met een min of meer solair karakter – Helios, Apollo, Baal, Mithra... – konden met de Onoverwinnelijke Zon worden geïdentificeerd.
Ook de keizer: in eerste instantie was de
eredienst van Sol Invictus verbonden met het keizerschap en als zodanig het
religieus-politieke cement dat na het failliet van de oude Romeinse
staatsreligie het imperium toch nog een zekere eenheid diende te geven. Het was
juist met de doctrine van het goddelijke keizerschap dat de monotheïstische
houding van de christenen frontaal botste omdat die, uiteraard, de
goddelijkheid van de keizers uitsloot, met alle politieke consequenties van
dien. De strijd tegen de christenen kende dan ook een hoogtepunt onder
Diocletianus, toen het rijk in zulke crisis verkeerde dat deze keizer besloot
het eerst in twee en vervolgens in vier stukken (tetrarchieën) op te delen, om
zo beter het hoofd te kunnen bieden aan interne en externe bedreigingen. In
303-304 vaardigde Diocletianus vier edicten die de Grote Vervolging inluidden
waardoor kerkelijke goederen werden geconfisqueerd, kerken gebrandschat,
heilige boeken vernietigd en, vooral in het oostelijke deel van het rijk,
christenen uit officiële ambten werden ontslagen, uit het leger gezet (waar de
keizercultus obligaat was) en zelfs ter dood gebracht.
 |
Piero della Francesca, De droom van Constantijn (fragment).
Arezzo, kerk van San Francesco. |
 |
Tobias Kramer, Keizer Constantijn. Plaquette van verguld zilver, 1615-1620.
Czestochowa (Polen), Jasna Gora klooster.
|
Constantijn de Grote,
die er na een aantal jaren burgeroorlog in slaagde het rijk te herenigen,
beweerde na zijn overwinning op Maxentius bij de Milviusbrug vóór de slag een
visioen te hebben gehad: hij en zijn troepen (volgens Eusebius’ Vita Constantini zo’n 40.000 man) hadden
tegen de zon in het Christusteken gezien, met daaronder de tekst “Overwin in
dit teken”, maar dan in het Grieks (Έν τουτώι νικά) . Om welk teken het precies
ging, is allerminst duidelijk. Gemakshalve wordt vaak aangenomen dat
het een kruis of een chrismon is geweest, de tot één
teken ineengeschreven beginletters Χ (chi) en Ρ (rho) van het Griekse ΧΡΪΣΤΟΣ,
dat zich tegen de hemel aftekende, maar deze veronderstelling berust op geen
enkele grond. Het bekendste schilderij dat aan dit onderwerp is gewijd, Piero
della Francesca’s Droom van Constantijn,
te bewonderen in de kerk van San Francesco in Arezzo, toont gewoon een kruis. In elk geval werd Constantijn na de slag christen, mogelijk
uit overtuiging, waarschijnlijk uit strategische overwegingen. Hij vaardigde in
311 het tolerantie-edict uit en in 312 het edict van Milaan, waardoor
feitelijke godsdienstvrijheid werd geproclameerd; in 325 riep hij het concilie
van Nicea samen, een eerste belangrijke stap op de weg van de Kerk naar de
politieke doctrine van de Enige Heilige Katholieke en Apostolische Kerk. Het
christendom werd nu de ondersteunende ideologie van het keizerschap.
 |
| Chrismon op de sarcofaag van Anastasis. Rome, Musei Vaticani. |
Vóór hij het christendom omhelsde, was
Constantijn uiteraard eveneens een aanhanger geweest van de keizerlijke cultus
van Deus Sol Invictus – en meer dan waarschijnlijk bleef hij het ook daarna, in
die zin dat Jezus Christus nu aan het syncretische bundeltje zonnegoden werd
toegevoegd. Dat was niet eens moeilijk. Uitspraken als die van de profeet
Maleachi (3:20), waarin de Messias de “Zon van gerechtigheid die met haar
vleugels genezing brengt” (Sol Iustitiae) wordt genoemd, of aanroepingen als “Zon van het Heil” (Sol Salutis)
of – zoals in het evangelie volgens Lucas 1:78 – “Opgaande Zon” (Oriens),
wijzen erop dat Christus al langer met de zon werd geassocieerd. Kerken werden
ook naar het oosten gericht, en Christus werd soms afgebeeld als zonnegod, de
zonnewagen mennend en met een stralenkrans. Eén en ander suggereert dat het
zonnediscours rond de figuur van Christus een méér dan metaforisch karakter had
en dat het om een echte identificatie ging. Christus wàs de zon, en zijn
geboorte om middernacht in de langste nacht van het jaar, weerspiegelde exact
zijn komst in het duistere midden van de geschiedenis van de wereld, die door
zijn geboorte een heilsgeschiedenis werd. ‘s Werelds loop was als de loop van
de zon; Christus’ geboorte viel samen met de winterzonnewende omdat Hij, als de
zon, licht en warmte in de wereld bracht. De vijfde-eeuwse heilige, Paulinus
van Nola, heeft het over “[...] de zonnewende, wanneer Christus werd geboren in
het lichaam van een man en met de nieuwe zon verandering bracht in het
vorstseizoen van de winter. Met zijn komst bood hij de stervelingen het
vooruitzicht van een leven reddende dageraad, vermeerderde hij de lengte van de
dag en drong de nachten terug”. Het beeld van Jezus als Zon bleef eeuwen
nawerken; het is bijvoorbeeld zelfs nog terug te vinden in de hymne In Nativitate Christi van Philip le
Grève:
Festa
dies igitur
Mundo salus redditur
In qua sol exoritur
Qui mundum replet lumine.
Gaudeamus igitur
Mundo salus redditur
In Sole qui dicitur
Verus Deus in homine
Mundo salus redditur
Christo nato de Virgine.
Had Constantijn het christendom toegelaten
tot de syncretische smeltkroes van het laat-Romeinse pantheon, de
christelijke gezagsdragers poogden nu met alle middelen het exclusieve karakter
van hun religie te bevestigen. Dat deden ze niet alleen door heidense
heiligdommen te vernietigen en festiviteiten te verstoren, maar ook door ze
gewoon over te nemen. Een mooi voorbeeld is de Synode van Efeze, die Maria tot Theotokos uitriep en een Mariakerk
inplantte op de exacte plaats van een oud heiligdom van Diana te Efeze. Deze
kerstening van voorchristelijke heiligdommen was schering en inslag: veel
cultusplaatsen van heroën gingen naadloos over in heiligdommen van christelijke
heiligen. Wat niet betekent dat bezoekers van gekerstende heiligdommen of
deelnemers aan christelijke feesten per se participeerden in de christelijke
inhoud ervan. Nog in de vijfde eeuw ging paus Leo de Grote te keer tegen de
kerkgangers die met Kerstmis zich op de treden van de kerk naar de zon bogen om
ze te begroeten: zij meenden immers dat het de zon was, die ze die dag vierden.
 |
Constantijn de Grote en Sol Invictus. Gouden medaillon geslagen in Ticinum in 313.
Tekst: INVICTVS CONSTANTINVS MAX AVG.
Parijs, Cabinet des médailles de la Bibliothèque nationale de France. |
Terwijl de christenen, zoals een theoloog het uitdrukte, de dag van de
winterzonnewende niet vierden om de zon te eren, zoals de heidenen, maar om Hem
te eren die de zon schiep. De Kerk nam niet alleen de datum van het geboortefeest
van de heidense zonnegod over, maar ook de benaming. Dat is nog altijd te
merken aan de namen voor Kerstmis in een aantal Romaanse talen. Waar wij
“kerstmis” hebben, het Engels christmas
en een aantal westelijke Duitse dialecten (Westfalen, Thüringen, Lotharingen) Christtag, “kerstdag” dus – allemaal
samenstellingen waarin één van grondwoorden “Christus” is (in het Nederlands
weliswaar door een paar klankverschuivingen een beetje gemaskeerd), zijn het
Franse noël (dialectische varianten
o.m. noé, noué, nowé en noyé), het occitaanse nadal of nodal en het Italiaanse natale
van dies natalis, uit dies natalis
Solis Invicti afgeleid.
In Alexandrië, waar Kerstmis
oorspronkelijk op 6 januari werd gevierd (Theofanie), was de viering van Jezus’
geboorte eveneens geënt op een ouder feest. Hier was het de oude Egyptische god
Osiris, of liever zijn hellenistische gesyncretiseerde variant Sarapis, die
centraal stond in een mysteriecultus. Osiris-Sarapis had ook een solair
karakter en het was in die vorm dat hij op 6 januari werd gevierd. In de nacht
van 5 op 6 januari, zo lezen we in het Panarion van Epiphanius van Salamis,
trokken gelovigen zich na een nachtwake in het heiligdom van de godin Korē,
terug in een onderaards gewelf, om bij dageraad processiegewijs zevenmaal een
houten beeld van een jongetje rond de
tempel te dragen. Het beeld (xoanon)
werd geïdentificeerd met de nieuwgeboren zon; op het voorhoofd droeg het een
gouden vlek (sphragis) in de vorm van
een kruis, en gelijkaardige merktekens had het op beide handen en knieën. Dit
jongetje stelde Aiōn voor, die in de
loop van de nacht door Korē was gebaard. Deze Korē, van wie de naam letterlijk
“maagd” of “meisje” betekent, werd vroeger met de Eleusinische geïdentificeerd
– waarschijnlijk ten onrechte, want de Korē van Eleusis, alias Persephone of
Proserpina, is en blijft maagd, zonder ooit te baren.
Veeleer was de Egyptische Korē een
hellenistische versie van Isis, één der centrale godheden uit het
Oud-Egyptische pantheon en een van de
goddelijke moedermaagden waaraan het mediterrane bekken zo rijk is geweest. In
de hellenistische periode nam zij de kenmerken van zowat alle andere
moedermaagden in zich op en haar cultus werd in feite die van het
Ewig-Weibliche – en als zodanig een rechtstreekse voorloper van de Mariacultus,
die op veel plaatsen de hare vrijwel naadloos opvolgde. Aiōn was een
gehelleniseerde versie van Horus, d.w.z. Osiris-Sarapis wedergeboren als knaap.
Horus personifieerde de zon en werd daarom ook Horus Apollo of Horapollo
genoemd; hij werd in de derde eeuw geïdentificeerd met Sol Invictus. Zijn
moeder Isis werd van oudsher geïdentificeerd met Sothis, de Hondsster, die wij
kennen als Sirius. Haar verschijnen rond midzomer, onmiddellijk gevolgd door de
opkomst van de zon (de zogeheten heliakische opgang van Sirius) kondigde het
wassen van de Nijl en het ermee gepaard gaande opschieten van de vegetatie aan,
of, mythologisch uitgedrukt, het vrijkomen van de ziel van Osiris. Met
midwinter schonk zij het leven aan de jonge zon, die werd geïdentificeerd met
de farao. Een ster als boodschapper, een moeder-maagd die een kind baart dat
zowel de zon is als de koning: het festival van Aiōn en Korē was, net als dat
van Sol Invictus te Rome, als het ware op maat gesneden om te worden omgesmeed
tot de viering van de geboorte van de Christus.
 |
| Christus als Sol in het centrum van de dierenriem. |
De kalenden van januari
De dies natalis Solis Invicti was niet het
enige midwinterfeest dat de gehelleniseerde Romeinse wereld kende. Een week
vóór het geboortefeest viel volgens de republikeinse en keizerlijke Romeinse
kalender het feest van de Saturnalia, een week erna was het de beurt aan de
kalenden van januari (Kalendae Ianuarii),
de overgang van het oude naar het nieuwe jaar – het Romeinse Nieuwjaar, dus.
De Saturnalia,
die het zaaien van het wintergraan celebreerden, waren gewijd aan Saturnus, die
in het vroege hellenisme met de Griekse Kronos werd geïdentificeerd, maar
oorspronkelijk een agrarische godheid was – de Romeinen brachten zijn naam,
ongetwijfeld ten onrechte, in verband met saeta,
“zaad”. Het feest begon op 17 en eindigde op 23 december en ging gepaard met
een reeks gebruiken die alle tot doel hadden de Gouden Tijd te evoceren, de
tijd toen in de wereld nog volstrekte harmonie heerste. De maatschappelijke
rangorde werd ritueel opgeheven: knechten droegen de kleren van hun bazen,
meester en slaaf tafelden samen, waarbij slaaf werd bediend door meester. Men
was gemaskerd; zonder onderscheid van rang of stand werd samen gedronken en
gedobbeld en één en ander wijst er op dat de feestelijkheden vaak een
orgiastisch karakter hadden (wat de Romeinen dan weer tot een andere, eveneens
foute, etymologie inspireerde: Saturnus < satur, “voldaan”).
Kalendae – het woord is alleen in het meervoud gekend – was de naam van de eerste
dag van de maand in de oude lunaire Romeinse kalender, de dag die overeenstemde
met de nieuwe maan. De koning, of later een priester, riep op die dag het volk
bijeen om het begin van de maand af te kondigen en om bekend te maken, over
hoeveel dagen het eerste kwartier en vervolgens
volle maan zou zijn; kalendae
komt van het archaïsche werkwoord kalare,
“bijeenroepen”. In de koningstijd en de eerste eeuwen van de republiek begon
het jaar met de kalenden van maart; daarna, vanaf 153 BCE, was het Nieuwjaar
met de kalenden van januari. Dat was de dag waarop de nieuwe consuls plechtig
werden geïnaugureerd en de pontifices offers brachten om de goden gunstig te
stemmen en zo voorspoed in het nieuwe jaar af te dwingen. In huiselijke kring
hield men het bij de Romeinen zo belangrijke, aan de godin Vesta gewijde,
haardvuur brandend en offerde men aan de Lares en de Penates (de huis- en
familiegoden). En men gaf geschenken, de “strenae”: oorspronkelijk
lauriertwijgen, gesneden van de laurierbomen bij het heiligdom van de godin
Strenia, later ook vijgen, dadels, honingkoeken, lampen, geld. In de vierde
eeuw BCE schreef Libanios: “Het feest van de Kalendae wordt gevierd zover het
Romeinse Rijk zich uitstrekt... Overal wordt gezongen en gefeest; de rijken
genieten van hun weelde, maar ook bij de armen komt er beter voedsel dan
gewoonlijk op tafel. Het verlangen met geld te smijten maakt zich van iedereen
meester... De mensen zijn niet alleen gul voor zichzelf, maar ook voor hun
medemensen. Een stroom van geschenken vloeit toe van alle kanten... De Kalendae
roepen alle werk een halt toe en geven de mensen de kans zich over te geven aan
puur plezier”. Net als de Saturnalia, die ze bij het begin van onze jaartelling
begonnen te overschaduwen om ze ten slotte bijna geheel te vervangen, gingen de
Kalendae gepaard met verkleedpartijen. Vooral travestie speelde een
belangrijke rol, in de eerste plaats bij de legionairs, die zich bij voorkeur
in de transparante dessous hulden waaruit de werkkledij van de soldatenhoeren
bestond. Verder versierde men huizen en tempels met slingers en takken van
groenblijvende heesters – laurier, buxus, rozemarijn, brem, den en kermes-,
steen- en kurkeik.
Constantijn, en na hem de christelijke
keizers, lieten het nieuwjaarsfeest merkwaardig genoeg vrijwel geheel
ongemoeid. Blijkbaar beschouwden ze de niet-christelijke religieuze inhoud als
irrelevant en zagen ze het feest vooral in samenhang met hun eigen macht. Door
het keizerlijke verbod op openbare offers (356) verloren de Kalendae overigens
hun openlijk religieuze karakter. Voor
de openbaarheid werden ze een profaan, burgerlijk gebeuren. Het religieuze
aspect ging ondergronds: de viering verplaatste zich naar de huiselijke kring,
en bood heidenen één van de zeldzame gelegenheden om hun geloof nog te beleven.
Voor christenen was er geen enkel wettelijk beletsel om evenééns aan de
vieringen deel te nemen, en die deelname gebeurde dan ook massaal. Zeer tot
ongenoegen, natuurlijk, van kerkelijke leiders als Maximus van Turijn, Petrus
Chrysologus, Gregorius van Nazianzus of Martinus van Braga, die zich tegen
iedere christelijke betrokkenheid bij de kalendae kantten en onder meer
fanatiek van leer trokken tegen het gebruik van wintergroene takken als
versiering. Hun ijver werd niet beloond. En de kerstening van het feest door de
herdenking van Jezus’ besnijdenis op 1 januari te zetten, was al evenmin een
succes: in een cultuur waarin niet of nauwelijks wordt besneden, is de impact
van een dergelijke viering begrijpelijkerwijs nogal gering. Kortom, men bleef
de heidense/profane Kalendae vieren: niet alleen is ons huidige Nieuwjaar ervan
afgeleid, bovendien heeft hier en daar in Zuid-Europa – en merkwaardig genoeg
ook bij de Baltoslaven – het christelijke Kerstmis zelfs de oude naam voor het
Romeinse nieuwjaarsfeest overgenomen. Van kalendae
afgeleid zijn het Litouws kalledos,
het Tsjechisch koleda, het Pools kolenda, het Russisch koljada, het Piemontees chalenos, het Provençaals calendo en het Savoyaards chalendes: allemaal namen voor
Kerstmis. De liederen die de
rondtrekkende Roemeense kerstzangers ten gehore brengen, heten colinde, de zangers zijn colindatori; de kerststronk, die
traditioneel in grote delen van Europa in de kerstdagen in de haard brandend
werd gehouden, heet in Marseille calendal
en in de Dauphiné chalendeau.
Kerstcyclus en kerststijl
Het kerstfeest verbreidde zich met het
christendom over Europa en werd geïntroduceerd in contreien die, net als de
landen rond de Middellandse Zee, eigen religieuze en mythisch-rituele tradities
hadden. Ook in het noorden werden aan de Saturnalia herinnerende
seizoensfeesten gevierd die kenmerken in zich droegen van vegetatieculten,
terwijl de winterzonnewendefeesten, die uiteraard geen uitstaans hadden met Sol
Invictus, Mithra of Sarapis-Osiris, er zo mogelijk met nog grotere intensteit
werden gecelebreerd – want veel meer nog dan in het zuiden, was de zon er
brenger van licht en leven. En net als in het zuiden en het oosten, werden ook
in noordelijker regionen Keltische, Germaanse en Slavische heiligdommen
gekerstend en werd aan de oude rituelen en religieuze feesten een christelijke
inhoud toegevoegd. Uit de wisselwerking tussen de regionale en lokale tradities
in de verschillende delen van Europa enerzijds en de nog prille, voornamelijk
uit het mediterrane gebied afkomstige vroege christelijke opvattingen en
gebruiken anderzijds, kregen een aantal feestdagen, waaronder Kerstmis, een
plaatselijk vrij sterk uiteenlopende vorm en betekenis. Naast een specifieke
liturgie, waren aan de feesten ook een reeks extraliturgische, vaak zuiver
heidense, volksgebruiken verbonden, die eveneens lokaal en regionaal nogal wat
verschilpunten vertoonden. Zo kwam een wat betreft de grote lijnen vrij
uniforme, maar in de details van streek tot streek aardig variërende
feestkalender tot stand.
De grove lijnen van die kalender waren in de
tweede helft van de vierde eeuw min of meer vastgelegd wat het
westelijk-mediterrane christendom betreft. De kalender was het resultaat van
enige loodgieterij, waarbij de oude pastorale maankalender van de volkeren van de
Levant enerzijds, en anderzijds de zonnekalender van de Romeinen gewoon in
mekaar werden geschoven. Dit leverde een merkwaardig resultaat op: het
kerkelijk jaar met zijn twee cycli, waarvan de ene, die van Pasen, lunair is en
dus bestaat uit veranderlijke feestdagen, terwijl de andere, die van Kerstmis,
solair is en bijgevolg uit vaste feestdagen bestaat, want perfect aansluit bij
de eveneens solaire profane kalender. Deze twee cycli overlappen mekaar, zoals
in het schema in onderstaande tabel duidelijk te zien is.

De kerstcyclus (en meteen ook het kerkelijk
jaar) begint met de Advent, de periode van vier weken voor Kerstmis waarin de
gelovige christenen zich klaarmaken voor de komst van hun Verlosser (adventus = “komst”). De eerste
vermelding van een adventsviering dateert uit de vijfde eeuw, toen bisschop
Perpetuus van Tours voorstelde van 1 november tot Kerstmis per week drie
vastendagen te houden. Dit sluit aan bij de oudere gewoonte de acht weken
tussen 11 november en 6 januari te vasten, waarschijnlijk als voorbereiding op
de doop – want met Epifanie herdacht men Jezus’ doop in de Jordaan en werd er
ook op grote schaal gedoopt. Omdat men, naar oosterse traditie, niet vastte op
zater- en zondagen, leveren die acht weken een vastentijd van precies veertig
dagen op – precies even lang als de vasten voor Pasen, dat andere traditionele
tijdstip voor doopvieringen.
Aanvankelijk duurde de advent niet overal even lang: in de
parochiekerken van Rome telde hij zes zondagen, waarvan vijf met een eigen
liturgie en één zonder; in de pauselijke kapittelkerk telde hij daarentegen
maar vier zondagen, waarvan drie met een eigen liturgie. Later werd een duur
van vier weken overal de regel, waarbij de “lege” zondag echter kwam te
vervallen. Ook inhoudelijk was er nogal wat variatie. Was in Rome de komst van
de Heiland het centrale thema, in Gallië stonden eschatologische gedachten op
de voorgrond, en was de advent vooral een periode van boete in afwachting van
de wederkomst van de Heer aan het einde der tijden (en dat kon, dacht men, iets
voor alle dagen zijn). De kerken van het oosten kennen geen advent. Op 15
november begint er een vastenperiode van veertig dagen (zater- en zondagen wél
incluis, vandaag de dag); op 20 december nemen de voorbereidingen van Kerstmis
een aanvang.
Waarom het kerkelijk jaar met de eerste
zondag van de advent begint is niet echt duidelijk: waarschijnlijk heeft hier
de (omstreden) tendens binnen de kerk, om het liturgische jaar a.h.w. te zien
als een afspiegeling van de heilsgeschiedenis van de wereld in a nutshell, een
beslissende rol gespeeld. De advent valt dan samen met wat voorafgaat aan
Christus’ komst, met het begin van de wereld als het ware.
De eigenlijke kersttijd bestrijkt de twaalf
dagen en nachten van 25 december tot 6 januari, en bevat naast Kerstmis en
Driekoningen (of Epifanie) ook nog het feest van Onnozele Kinderen, op 28
december, dat Herodes’ moorddadige optreden tegenover de Betlehemse jongetjes
herdenkt, en de viering van Jezus’ besnijdenis op 1 januari, op Nieuwjaarsdag
dus. In de middeleeuwen werden de Twaalf Dagen (met hoofdletter) vanaf 25
december overigens opgevat als één langgerekt kerstfeest, waarbij men dan sprak
over de eerste, de tweede, de zoveelste dag van Kerstmis. Driekoningendag was
dan, afhankelijk van de telling die men volgde, Twelfthday (en Driekoningenavond Twelfthnight, denk aan Shakespeare), zoals in Engeland, waar men nà
Kerstmis begon te tellen, of Dertiendag,
zoals bij ons (in Wallonië Jour del Trème),
waar Kerstdag werd meegeteld.
Op het kerstseizoen, dat essentieel
winters is, volgt dat van Lichtmis, met daarin allerlei vieringen die
betrekking hebben op de komende lente. Dan breekt de paascyclus aan, met als
referentiepunt Pasen, dat op de eerste zondag na de eerste volle maan na de
equinox van de lente valt (of, anders
gezegd, op de zondag volgend op de derde volle maan na Driekoningen). De
paascyclus begint met Septuagesima, de zeventigste dag voor Pasen, en eindigt
drie zondagen na Pinksteren, d.w.z. de tachtigste dag na Pasen.
Onze-Lieve-Vrouw-Boodschap, 25 maart, valt er middenin, maar hoort tot de
kerstcyclus. Oorspronkelijk werd die dag in Gallië Pasen gevierd (dat daar dus
een poosje géén veranderlijke, maar een vaste feestdag was), maar sinds de
negende eeuw is 25 maart de dag van de Annunciatie (en van de Conceptie) van
Christus, waarbij men er blijkbaar van uitging dat deze precies 9 maanden voor
de maagdelijke geboorte heeft plaatsgehad. Eveneens gerelateerd aan de
kerstcyclus, maar verspreid over het hele jaar, zijn de vele vaste feestdagen,
die meestal gewijd zijn aan één of andere heilige. Ook hier waren (en zijn) er
regionaal en lokaal belangrijke verschillen – bepaalde heiligdagen golden voor
de hele christenheid, andere hadden een bescheidener impact.
In het oosterse christendom kende het
liturgische jaar een heel andere ontwikkeling. Daar ontstonden geen kerst- en
paaskring, maar werd het hele jaar ingedeeld in drie cycli: de paastijd, de
tijd tussen Pinksteren en de vasten, en de cyclus van de vaste feesten. De kern
van het jaar is Pasen; een (zeer strenge) vasten van tien weken gaat eraan
vooraf, acht weken van vreugde en feest (Pentekostē)
komen erna. De acht zondagen hebben een eigen liturgie, de weken eveneens,
waarbij de gezangen iedere week in een andere van de acht kerkelijke
toonsoorten worden gezongen. De Pentekostē levert de basisstructuur voor de
hele periode tussen Pinksteren en de vasten: elke acht weken keren dezelfde teksten
en gezangen voor de zondag en de weekdagen weer. Op deze manier krijgt in de
Byzantijnse ritus het hele jaar een paaskarakter. Kerstmis is wel een
belangrijk feest, maar het heeft geenszins de structurerende functie die in het
westerse christendom wel aanwezig is.
Vaste en veranderlijke feestdagen, zonne- en
maancycli: echt eenvoudig is het allemaal niet. Maar maakten onze voorouders
het met de constructie van de liturgische kalender al redelijk ingewikkeld,
helemaal bruin bakten ze het met hun diverse jaarstijlen.
“Onder jaarstijl”, lezen we in De
chronologie van de middeleeuwen en de moderne tijden in de Nederlanden van
Egied Strubbe en Leon Voet, “verstaat men het gebruik dat bepaalt op welke
kalenderdag het jaarcijfer gewisseld wordt […]”
Wij vinden het vandaag vanzelfsprekend dat het jaarcijfer wisselt met
Nieuwjaar: op 31 december 1998 volgde 1 januari 1999, op 31 december 1999
volgde 1 januari 2000 en je kan er vergif op innemen dat bijvoorbeeld op 31
december 2017 gewis 1 januari 2018 zal volgen. Zo eenvoudig is dat. Vinden wij.
Wel, in de middeleeuwen was het anders, en
iets minder eenvoudig. Hoewel men, naar oud Romeins gebruik, Nieuwjaar steevast op 1 januari vierde, werd
het jaarcijfer vanaf de achtste eeuw vrijwel altijd op een andere dag van het
jaar gewisseld – en het duurde tot de zestiende eeuw voor opnieuw min of meer
algemeen tot het gebruik van de zogenaamde Nieuwjaarsstijl (de onze) werd
overgegaan. Acht eeuwen lang wisselde men het jaarcijfer met Kerstmis
(Kerststijl), met Pasen (Paasstijl), met O.-L.-V.-Boodschap (Boodschapstijl),
op 1 maart (Venetiaanse stijl) of op 1 september (Byzantijnse stijl). Qua
ingewikkeldheid het nec plus ultra
was de paasstijl, waarbij het jaarcijfer werd gewisseld met Pasen, op Goede
Vrijdag, op Paaszaterdag of een enkele keer op Paasmaandag. Omdat Pasen telkens
op een andere kalenderdag valt, verschoof ook het jaarbegin, zodat een paasjaar
nooit volledig was: ofwel ontbraken bepaalde dagen, ofwel kwamen dagen tweemaal
voor. De kerststijl was een stuk eenvoudiger, en wijkt in feite nauwelijks af
van onze huidige gewoonte – het jaarcijfer veranderde een week eerder dan nu,
dat is al. Deze stijl was wijd verbreid in Europa: op de Britse eilanden was
hij sinds de achtste eeuw in gebruik, in de negende eeuw werd hij in Rome
geïntroduceerd waar hij doorheen de middeleeuwen regelmatig werd gevolgd.
Scandinavië volgde zodra het was gekerstend de kerststijl. Het was de jaarstijl
van het Karolingische rijk, van vrijwel heel Duitsland en van een aantal
belangrijke Noord-Italiaanse stadstaten; in Frankrijk was hij lange tijd in
voege in de Provence. In de Nederlanden, waar vooral de Franse paasstijl in
zwang was, paste het prinsbisdom Luik de kerststijl toe tot het einde van de
achttiende eeuw.
De kerstliturgie in West en Oost
Zoals ik al zei, hadden alle feestdagen,
vaste én veranderlijke, een eigen liturgie, die ook nog geografische variatie
vertoonde; er waren verschillen wat betreft het aantal missen dat werd gelezen,
de teksten die ten gehore werden gebracht, de gezangen, enz. Anders gezegd: ook
al was men op zeker ogenblik Kerstmis overal op 25 december gaan vieren, de
manier waarop die viering gestalte kreeg, was verre van uniform. In Engeland,
waar men de liturgische voorschriften van Sarum (Salisbury) volgde, werden drie
missen gelezen, waarvan de eerste, de metten, begon vóór dageraad en eindigde
met een recitant die, staand op een houten platform hoog in het schip van de
kerk, nabij het kruisbeeld dat tussen schip en koor hing, de stamboom van Jezus
(uit het evangelie naar Matteüs) zong, terwijl een andere man hem met kaarsen
bijlichtte; alle gelovigen in de kerk hadden eveneens een brandende kaars in de
hand.
In Rome werd vanaf de zesde eeuw de 24ste
een vigilie gehouden in de basiliek van Santa Maria Maggiore. Ze bestond uit
drie nocturnes (gebedswaken) die elk een psalmodie en drie lezingen bevatten;
deze lezingen hadden alle betrekking op Jezus’ geboorte. Op 25 december waren
er drie missen: één om middernacht in de Santa Maria Maggiore, een tweede bij dageraad
in de Santa Anastasia en een derde in de Sint-Pieter. De nachtmis werd
waarschijnlijk aan de twee oorspronkelijke vieringen toegevoegd in navolging
van het Palestijnse gebruik om in de nacht van 5 op 6 januari een mis te vieren
in de Geboortekerk te Betlehem, waarna in processie naar Jeruzalem werd
getrokken. “Het gebruik om op Kerstmis drie missen te vieren”, schrijft de
Duitse theoloog Karl-Heinrich Bieritz, “werd in de middeleeuwen door de mystici
in verband gebracht met de ‘drievoudige geboorte’ van Jezus: het ging op
Kerstmis om de geboorte van de Zoon uit de Vader vóór alle tijden; om de
geboorte van de Zoon van God uit de maagd Maria, dat wil zeggen: om het
mysterie van de vleeswording van het Woord; en tenslotte om de geboorte van God
door de Heilige Geest in de ziel van ieder afzonderlijk”.
Volgens het nieuwe Romeinse missaal is er de
avond van de 24ste een vigilie, waarin als evangelie de genealogie van Jezus
met de aankondiging van de geboorte aan Jozef uit Matteüs 1:1-25, wordt
gelezen. In de nachtmis leest men als evangelie het eerste stuk van Lucas’
versie van het geboorteverhaal, in de ochtendmis het tweede stuk (vanaf de
herders), in de dagmis Johannes’ tekst over de menswording van het Woord.
Protestantse kerstvieringen kennen in de regel
geen nachtmis: de vijftiende- en zestiende-eeuwse hervormers schaften ze af om
ongepast – lees liederlijk – gedrag in de nacht tegen te gaan. De viering
begint er met de vesper op kerstavond, terwijl de metten, die oorspronkelijk
aan de nachtmis voorafgingen, naar de vroege morgen van Kerstmis werden
verplaatst. In sommige streken, zoals in Midden- en Zuid-Duitsland, is de
ochtenddienst het middelpunt van de kerstviering, elders ligt het zwaartepunt
op kerstavond. In veel protestantse gemeenten in Nederland wordt Kerstmis weer
in de kerstnacht gevierd. Typisch voor de protestantse kerstviering is nog, dat
ze wordt verlengd met een tweede of zelfs een derde kerstdag, een uit de
Reformatietijd daterende inkorting van de Twaalf Dagen.
De
centrale gegevens van het kerstfeest: de komst van het licht van de wereld, de
menswording van het Woord en Gods keuze zijn Zoon te offeren voor de lijdende
mensheid, werden en worden in de westerse kerken niet theologisch-beschouwelijk
uitgewerkt, maar met het accent op het gevoel. Zowel in de liturgische gezangen
en de kerstliederen als in de homilieteksten worden al sinds de middeleeuwen de
kwetsbaarheid van het kind in de kribbe, de moederlijke gevoelens van Maria, de
naïeve vrolijkheid van de herders en de eerbied van de schilderachtige Wijzen
uit het Oosten sterk in de verf gezet – om nog te zwijgen over de wreedheid van
de snode Herodes. Kortom, de westerse Kerst (en niet alleen de
rooms-katholieke, maar ook de anglicaanse, de lutherse of andere protestantse)
is er één van een lach en een traan, één die het sentiment niet schuwt en, ook
in zuiver liturgisch verband, de grens tussen goede smaak en kitsch niet altijd
weet te respecteren. Dit laatste nemen we er echter graag bij, wanneer we zien
welke schitterende muziek door de kerstliturgie werd geïnspireerd: ik vermeld
slechts de kerstconcerto’s of -symfonieën van onder anderen Giuseppe Torelli,
Giuseppe Sammartini, Johann Christoph Pez, Marc-Antoine Charpentier, Michel
Richard de Lalande en, uiteraard, het terecht beroemde Concerto grosso in sol minore Op. 6 no. 8 Fatto per la notte di Natale
van Arcangelo Corelli; de diverse cantates die Johann Sebastian Bach schreef
voor de verschillende dagen van Kerstmis, waarvan een viertal samen het
heerlijke Weihnachtsoratorium BWV 248
vormen, George Frederick Handels Messiah,
Heinrich Schütz’ Historia der Geburt Jesu
Christi, Hector Berlioz’ L’enfance du
Christ, Frank Martins Le Mystère de
la Nativité, enz.
Een heel ander karakter en verloop kende het
kerstfeest in het oosten. Daar werd lange tijd Kerstmis (tegenwoordig Gennēsis tou Kurióu of Christougenna geheten, voorheen Theophánia of Ta Genethlia) in belang overtroffen door Theofanie (Theopháneia) of Epifanie (Epipháneia,
vroeger Ta Phōta), Jezus’ doop in de
Jordaan, het begin van zijn openbaar leven en dus de eigenlijke start van Gods
activiteit als mens. Ook vandaag nog is Epifanie in de verschillende orthodoxe
en andere oosterse kerken een veel belangrijker dag dan in het westen, terwijl
de kerstgebruiken opvallend afwijken van de westerse. Het pittoreske dat
Kerstmis in het westen mee tot het populairste van alle religieuze feesten
heeft gemaakt, ontbreekt in het oosten geheel en al. In de teksten van de
Byzantijnse ritus zijn de gevoelige, zelfs ronduit sentimentele, mijmeringen
over de moeder en haar kind en de hele Betlehemse entourage die we kennen van
de westerse gezangen totaal afwezig. We hebben hier te maken met theologische
beschouwingen over de Zoon Gods die is geïncarneerd om de mens te
vergoddelijken, verwoord in een vaak extatische poëtische taal. De Byzantijnse
kerstviering lijkt (als trouwens de meeste oosterse christelijke erediensten)
voor de westerling wel eindeloos: ze beslaat twee dagen. Het geheel vangt aan
met een eerste vigiliedag (paramonē),
waarop wordt gevast en gewaakt terwijl de dienst van de zg. Megalai hōrai (Grote Uren) wordt
voltrokken, in feite een lange aaneenschakeling van zogenaamde getijden,
gebedsdiensten voor de verschillende uren van de dag, elk met hun eigen
psalmodie, lezingen en troparia (poëtische antifonen). De eigenlijke viering
begint op 24 december ‘s avonds, met de hesperinoi
(vespers). Men begint met de avondpsalmen en de daarbij horende stichēra – poëtische strofen die tussen
de psalmen in worden gezongen. Dan komt de intocht met het evangelion en met
het in de Byzantijnse ritus zo belangrijke licht, terwijl de avondhymne wordt
gezongen. De erop volgende uitgebreide lezingendienst wordt afgesloten met de
H. Liturgie van Basilios (een oudere versie van de oosterse eredienst dan de
gebruikelijke H. Liturgie van Johannes Chrysostomos), die wordt vervolgd met de
Grote Completen (een gebedswake). Zo gaat het de hele nacht door, tot in de
vroege morgen de lauden (órthroi)
beginnen, eens te meer een lange reeks gebeden, gezangen en lezingen. De viering,
een zg. pannuchís of doorlopende
dienst, wordt op 25 december ‘s morgens afgerond met de H. Liturgie van
Johannes Chrysostomos.
De op 6 januari gevierde Theofanie, in feite
het oudste kerstfeest van de oosterse christenheid, kent een gelijkaardig
verloop, maar wordt met de H. Liturgie van Basilios afgerond. Net als bij het
oosterse kerstfeest, is het schilderachtige dat de westerse pendant van
Epifanie, het Driekoningenfeest, karakteriseert, hier geheel zoek. Centraal
staan het licht en het water, en het hoogtepunt van de viering is dan ook de
zegening van het water, waarbij alle in de kerk aanwezige gelovigen met water
worden besprenkeld. “Het feest wordt gedragen door de idee van de verschijning
van de Drie-ene God, zoals verteld in de evangeliën bij de doop van Jezus in de
Jordaan. Jezus, Heer en God, is het licht van de wereld. De gemeente viert het heortē tōn phōtōn (het feest van de lichten). De Heer verlicht
de gelovigen door het licht van de waarheid. Het heil komt de gelovige toe door
het mysterie van het water, dat op deze dag op een uitbundige wijze wordt
gezegend door het afroepen van Gods naam.” Het is een verkondiging, die niet
alleen betrekking heeft op de doop, maar op alle gelovigen, die van het
gezegende water gebruik maken:
Διὰ λουτρου σωτηρία / δι΄ `ύδατος το Πνεΰμα / διὰ καταδύσεως `̀η προς / Θεον `ήμον ´άνοδος / Θαυμάσια τά ´έρχα σοΰ Κύριε.
(Dià loutrou sōtēría / di’ húdatos to Pneūma, / dià katadúseōs hē pros / Theon hēmon ánodos gínetai. / Thaumásia tá ércha sou, Kúrie.)
In vertaling:
Door het bad komt er redding / door het water de Geest, / door de afdaling in de Jordaan / onze opgang naar God. / Wonderlijk zijn uw werken, Heer.
Pax!
Ειρήνη!
Clement Caremans (c) 2019
 |
| Sol Apollo. Mozaïek 3de eeuw CE. |