dinsdag 22 februari 2022

11

 


Hans Memling, Het martelaarschap van de heilige Ursula




 11


 

“Elf! De benen van Rik van den Eene.”

 

Wij hadden thuis geen televisie in de jaren 1960. Onderuit gezakt naar Peyton Place, Spel zonder Grenzen of Canzonissima kijken was er voor ons niet bij: wij moesten nog echt iets doén om de lange winteravonden door te komen. Gewoonlijk stond de radio aan. Ma las of zat te naaien, iets waar ze een hekel aan had, zodat nu en dan het naaiwerk door de kamer werd gesmeten. Pa zat te lezen of iets uit te tekenen of te berekenen in functie van wat hij op dat moment aan het timmeren of het bouwen was. Mijn zus en ik maakten ons huiswerk, lazen, tekenden, speelden, kibbelden. Mijn inwonende grootmoeder dutte, las haar parochieblad en vertelde verhalen die we al zo vaak hadden gehoord, dat we ze ongeveer uit het hoofd kenden. Soms werd een spelletjesdoos tevoorschijn gehaald en werd er gedamd, halma, ganzenspel of mens-erger-je-niet gespeeld, of lotto. Lotto vond ik geweldig, niet zozeer voor het spel zelf, waarbij je tenslotte vooral veel geluk moest hebben, maar omwille van het hele gebeuren. Lotto was niet zomaar een spel dat werd gespeeld, het was een ritueel. Bij een ritueel horen vaste handelingen, gebaren en stukken tekst die de deelnemers uitspreken, en zo was het ook bij het lottospel. Alle spelers kregen drie tot zes kaarten, waarop rijen met nummers gedrukt waren. De spelleider kreeg de beurs met de houten jetons waarop cijfers stonden van 0 tot 90. Hij of zij schudde de jetons dooreen, nam een houten schijfje uit de zak en zei hardop het nummer. De spelers die dat nummer op een van hun kaarten hadden staan, zetten daar een knoop of iets dergelijks op; de spelleider markeerde zijn nummertjes met de jetons die hij uit de zak toverde. Het afroepen van de nummertjes: dat was voor mij het hoogtepunt. Want daar hoorde commentaar bij. Die lag min of meer vast, hoewel elke spelleider zo zijn eigen repertoire had. 

“Tweeëntwintig: de zwaantjes.”

“Zestien: ze stinkt, gooit ze buiten.”

“Drieëndertig: de jaren van Dezeke.”

“Drie: den bult.”

“Vijf: sloeg zijn wijf.”

“Tien: laat ze zien.”

“Dertien: Judas de verrader, in ’t middelen opengeborsten.”

“Negentig: den oudste.”

“Nul, zero: schudden, zei Jo, met de lotto.”

En dus ook “Elf: de benen van Rik van den Eene.”  


   

 


Wie Rik van den Eene was, weet ik niet. Ik associeerde hem altijd met een houthandelaar in de Hobokense Oudestraat, Van den Eede, van wie een voorouder Rik heette, maar vermits ook de nichten van mijn ma, geboren en getogen in de schaduw van Sint-Andries en niet onmiddellijk vertrouwd met Hobokense houtmarchands, bij het afroepen van het lottonummer 11 steevast naar de onderste ledematen van Rik van den Eene verwezen, zal de genoemde, als hij al geen verzinsel was met een naam die vooral moest rijmen op “benen”, wel iemand anders zijn geweest dan een Hobokense kleine zelfstandige. De Antwerpse francofone dichter Max Elskamp, oprichter van het intussen opgedoekte Volkskundemuseum, deelde blijkbaar mijn fascinatie met de lottocommentaren, want hij schreef er een studie over, Les Commentaires et l’Idéographie du Jeu de Loto dans les Flandres, uitgegeven bij J.-E. Buschmann te Antwerpen in 1918 (het colofon vermeldt MCMXIV 4 Juin, te lezen als 1914 4 joint, blijkbaar om de Duitse censuur op het verkeerde been te zetten). In dit fraaie boekje inventariseert Elskamp de geijkte lottoformules en stelt hij een typologie voor. Bij het getal 11 vermeldt hij drie varianten: 

-      “De beenen. Les jambes”

-      Een commentaire assonancé: “Elf was ’t manneke zelf” 

-      Een commentaire religieux “De maagden”, met als toevoeging “Allusion aux onze mille vierges qui furent martyrisées à Cologne”.   

Bij “de beenen” noteert hij dat “on ajoute généralement à ce mot un qualificatif, ou bien encore on fait allusion aux jambes de tel ou tel personnage connu des joueurs, ou jouant un rôle, le plus souvent ridicule, dans la vie locale.” Zo zegt men, aldus Elskamp, bijvoorbeeld “les Jambes de Cathérine, de Thérèse ou de Marie” omdat de benen van de dame in kwestie een kenmerk hebben dat de lach opwekt. “C’est ainsi qu’à Anvers, le numéro 11 répond à: “les Jambes de Van Dyck”, par allusion à la statue de ce peintre que supportent des extrémités exagérément grêles”. Hebben de lottospelers in mijn familie ooit een Rik van den Eene gekend met opmerkelijke onderste ledematen? Of was het een commentaire assonancé en heeft er nooit een Rik van den Eene in dit ondermaanse rondgelopen? Ik veronderstel dat ik er nooit achter zal komen.



 


In de orale traditie die het lottospel vergezelt, staat vooral de grafische vorm van het getal 11 in Arabische cijfers centraal. Maar er zijn ook verwijzingen naar het christelijke legendarium.  De “onze mille vierges qui furent martyrisées à Cologne” zijn de maagden die volgens de legende de heilige Ursula van Keulen vergezelden en samen met haar ter dood werden gebracht. Het verhaal gaat als volgt. Ursula, de dochter van de koning van Groot-Brittannië, wordt door een heidense koning ten huwelijk gevraagd. Uiteraard is Ursula beeldschoon én christelijk en uiteraard zegt ze pas in een huwelijk toe te stemmen als haar aanstaande zich laat dopen; bovendien moet hij met haar op bedevaart naar Rome. De prinses scheept in met een gevolg van tien edele maagden die elk worden vergezeld door duizend dienstmaagden. De vloot, die elf schepen telt, vaart de Rijn op; een engel treedt op als admiraal. Na de Alpen te hebben overgestoken – in een heiligenleven die naam waardig houdt zo’n beetje Alpenketen geen vloot tegen - arriveert de vloot in Rome, waar de paus Ursula en haar verloofde ontvangt. De paus vergezelt Ursula en haar gevolg naar Keulen, waar het hele gezelschap wordt afgeslacht door de Hunnen. Maar zie, nauwelijks hebben de Hunnen hun laatste moordende pijl verschoten, of een hemels leger van elfduizend engelen jaagt hen op de vlucht. Finis, Deus laudetur. 



Meister der geschürzten Lippe, De heilige Ursula op de terugreis naar Keulen. Neurenberg, Germanisches Nationalmuseum

 

Een vloot van elf schepen, tot daaraantoe, maar elfduizend maagden? Ongetwijfeld had men in de Middeleeuwen geen moeite met dit getal. Latere sceptici hebben zich er echter vragen bij gesteld en hebben na ampel onderzoek van de bronnen geconcludeerd dat er twee mogelijke verklaringen zijn voor dit fabuleuze getal. Een eerste houdt het op een gezelschap van elf maagden in plaats van elfduizend. Dit enorme verschil heeft te maken met een foute lezing van een notitie in Romeinse cijfers. Als in de tekst te lezen staat dat Ursula werd vergezeld door XI.M.V., betekent dat niet 11.000 virgines maar 11 martyres virgines, elf maagdelijke martelaressen. Sommige kritische geesten gaan nog verder in de reductie van Ursula’s gevolg en gunnen de heilige prinses slechts één enkele gezellin. Hier zouden dan niet de Romeinse cijfers voor verwarring hebben gezorgd, maar de naam van Ursula’s dienstmaagd. Die zou Undecimilla hebben geheten, wat later foutievelijk zou zijn geïnterpreteerd als de aanduiding van een hoeveelheid: undecim milla, elfduizend.   

 

Waarom elfduizend? Waarschijnlijk is dit gewoon een manier om te zeggen: onnoemelijk veel. Het is nog meer dan tienduizend, en dat getal betekent in China alles, het oneindige – tienduizend jaar staat in de klassieke Chinese beeldspraak voor onsterfelijkheid. Elfduizend is nog eens duizend meer, kortom hetgeen het voorstellingsvermogen te boven gaat. Maar ook in elf zit al het denkbeeld veel vervat. Het is één meer dan tien, en dat had ooit een bijzondere betekenis. 

 

Hans Memling, De heilige Ursula. Brugge, Memlingmuseum.



Elf is tien plus één. Tien is het aantal vingers van onze twee handen samen, de bovengrens van het vermogen van onze eerste rekenmachine zeg maar. Het tiendelige of decimale stelsel waarin wij gewoon zijn te rekenen, vindt zijn oorsprong hoogst waarschijnlijk in het primitieve tellen op de vingers. Omdat tien alle vingers van beide handen telt, is het meteen een nieuwe eenheid, die aan de basis ligt van nieuwe getallenreeksen. Twee keer tien is twintig, drie keer tien is dertig, enzovoort. Maar volgend op tien, begint weer een nieuwe reeks van één tot tien: elf, twaalf, dertien, veertien, en zo verder, tot negentien. Aan de meeste van deze getallen is goed te zien dat tien het nieuwe basisgetal is: dertien is overduidelijk afkomstig van drie plus tien. Elf en twaalf lijken echter af te wijken: er is geen tien in te bespeuren. Maar als we er oudere Germaanse talen bijhalen, met woorden voor deze getallen die overduidelijk verwant zijn met de Nederlandse namen, ziet het er meteen anders uit:

 

Nederlands

elf

Twaalf

Gotisch

ain-lif

twa-lif

Oud-Noors

ellifu

Tolf

Angelsaksisch

anleofan

Twelf

Oud-Saksisch

elleban

twe-lif

Engels

eleven

Twelve

Duits

elf

Zwölf

Oud-Hoogduits

einlif

Zwelif

Middel-Hoogduits

eilf

Zwolf

 

In de Germaanse talen blijken de woorden voor de eerste twee getallen volgend op tien, te zijn samengesteld uit het woord voor één, respectievelijk twee, gevolgd door een achtervoegsel –lif, -lifu, -leofan, -leban. In dat suffix vinden we het Latijnse re-linquere, het Griekse leipoo, Gotisch leiban en modern Engels leave terug, woorden die “weglaten” of “overblijven” betekenen. Germaanse woorden voor elf en twaalf betekenen dus letterlijk “één overblijvend” en “twee overblijvend”. Waaronder uiteraard moet worden begrepen: het deel dat overblijft als je tien aftrekt. Ook elf en twaalf werden bij Germaans sprekenden dus gezien in het licht van het grondgetal tien. “This is striking evidence”, schrijft Karl Menninger in Number Words and Number Symbols, “that the Germanic number sequence at one time ran only as far as ten. Anything above that was “more”. One and two more than ten were still counted, but anything beyond them was, as so often happens among primitive people, merely considered “many”.” 


De Romaanse talen, die alle afstammen van het Latijn, tellen na tien (Latijn decem) gewoon door: elf is undecim, van *oinodecem, “één plus tien”. Viginti (“twintig”), het volgende tiental, gaat eveneens terug op “tien”: het kan worden afgeleid van Proto-Indo-Europees *dwi(h1)d’km̥ti, “twee maal tien”.

 

Latijn

Italiaans

Frans

Spaans

Roemeens

10

Decem

Dieci

Dix

diez

zece

11

Undecim

Undici

Onze

once

un spre zece

12

Duodecim

Dodici

douze

doce

doi spre zece

13

Tredecim

Tredici

treize

trece

trei spre zece

 

Tien is echter niet zomaar een getal: het was in de Oudheid beladen met betekenis. De antieke filosofen en mathematici haalden het uiteen en stelden het weer samen, en zowel aan de componenten als aan de som werden belangrijke eigenschappen toegedicht. Tien, de decade, is de som van de eerste vier natuurlijke getallen, de tetraktys van de antieken: 1 + 2 + 3 + 4 = 10. In de tetraktys is als het ware een formule vervat voor een filosofisch probleem waarmee men al in de Oudheid worstelde: de verhouding van het ene en het menigvuldige. In de tetraktys zit de overgang vervat van het ene naar de veelheid, en tien, dat de tetraktys samenvat, is daarom het getal van de voltooiing en van de volmaakte harmonie. Tevens is het een nieuwe eenheid, die voortvloeit uit veelheid, maar meteen aan het begin staat van een nieuwe menigvuldigheid. 


Het getal tien duikt in oude tradities dan ook vaak op. Bij de hindoes staat tien voor de kosmos, de god Visjnoe heeft tien avatars en de Rgveda heeft tien boeken. De oudste soefische regel bestaat uit tien delen. In de joodse overlevering is het getal tien prominent aanwezig. Mozes ontving op de berg Sinaï van Jahwe de tien geboden. Volgens de Zohar, ongetwijfeld het belangrijkste geschrift van de middeleeuwse kabbala, werd de wereld geschapen in tien woorden, want in Genesis 1 staat er tien keer “en God sprak”. Tussen Abraham en Noach zijn er tien generaties. En toen de Egyptische farao weigerde het volk van Mozes te laten vertrekken uit Egypte, waar zij in slavernij leefden, liet Jahwe tien plagen los over het land. Met Jom Kippoer, de dag van de verzoening, herhalen de joden tien keer de biecht van hun zonden, en met Rosj Hasjana, het joodse nieuwjaar, leest men tien bijbelverzen in groepjes van tien en wordt honderd keer, tien maal tien keer dus, op de sjofar geblazen. Volgens de kabbala telt de Boom des Levens tien sefirot. Ik zou zo nog wel even kunnen doorgaan, maar ik vermoed dat ik intussen mijn punt heb gemaakt: het getal tien is belangrijk en betekenisvol in diverse tradities. 


Elf is één meer dan tien. Traditioneel werd dit opgevat als iets negatiefs. Is tien het volmaakte, dan is elf daar een transgressie van. “Elf is die Sünde. Elfe überschreiten die zehn Gebote”, laat Schiller de wijze astroloog Seni zeggen in Die Piccolomini. Getuigt het immers niet van onnoembare hybris om het getal van Gods wetten en van de voltooiing te overschrijden? 


Maar als tien plus één is elf ook een nombre plein, een getal met nog iets erbij. Het is dan als het ware tien met een extraatje. In de Amerindiaanse verhalen die Claude Lévi-Strauss vertelt en analyseert in L’origine des manières de table (Mythologiques III) speelt het getal tien, de decade, een belangrijke rol en komt elf als nombre plein frequent voor. Bij de Klamath uit Oregon krijgt de demiurg Coyote pas antwoord op een vraag als hij ze meer dan tien keer stelt, voor de Baniwa bestond de eerste mensheid uit meer dan tien mensen. De demiurg Deovoavoi uit de Tacana-mythologie (Bolivië) is de jongste van een gezin van negen kinderen, acht broers en één zus; die zus trouwt met een aapmens, en ze krijgen een kind, wat het totaal van de oermensheid op elf brengt. Het fenomeen van het nombre plein is wereldwijd verspreid en niet beperkt tot tien en elf: een voorbeeld dicht bij huis is de uitdrukking acht dagen voor een week, die, zoals ieder die kan tellen weet, uit zeven dagen bestaat. Ook fictieve getallen, die een schier eindeloze hoeveelheid uitdrukken, horen misschien in dit rijtje thuis: elvenzeventig, bijvoorbeeld, of tig keren. Dit sluit mooi aan bij wat ik daarstraks al zei over het getal elf bij mensen vroeger tijden, die nog op de vingers telden: wat meer is dan tien, is veel.

 Volgens de jungiaanse psychoanalyse is elf een getal dat op vernieuwing wijst. Tien, de tetraktys, het volmaakte getal van de antieken, wijst op voltooiing maar daardoor ook op stilstand; elf wordt dan de start van een nieuwe ontwikkeling. 



Elf is ook twaalf min één. Twaalf is, net als tien, een van die ronde getallen die de basis vormen van een heel systeem. In het oude Tweestromenland werd gerekend met een talstelsel waarin twaalf het grondtal was, en dat bijgevolg het twaalftallig of duodecimaal stelsel wordt genoemd. Het zou net als het decimale stelsel mogelijk zijn oorsprong vinden in het tellen op de hand, waarbij echter niet al de vingers van de twee handen worden beschouwd als het grondtal, maar alle kootjes van de vier vingers van één hand, die dan met de duim worden aangewezen. Hoewel in het Westen de hegemonie van het tiendelig stelsel in het dagelijkse leven onbetwist is, heeft men het twaalftallig stelsel heel lang in bepaalde contexten gebruikt en wordt het ook vandaag nog heel courant gebezigd. Zo is onze tijdsindeling nog altijd twaalftallig: twaalf uren in een dag of een nacht, twaalf maanden in een jaar, twaalf tekens in de dierenriem. De Britten hebben tot de munthervorming van 1971 duodecimale geldeenheden gebruikt: 1 shilling telde 12 pence. Ook het Brits-Amerikaanse systeem van maten en gewichten (het Imperial Standard System), een allegaartje van diverse talstelsels, bevat duodecimale elementen: een foot bestaat bijvoorbeeld uit 12 inch. En zelfs op het Europese continent zijn er nog altijd het dozijn, twaalf stuks, en het gros, twaalf dozijn ofwel 144 stuks. Wie enigszins vertrouwd is met de fascinerende wereld van bestekken en serviezen, weet dat ook daar tot vandaag in sets van twaalf (of de helft, zes) koppen, schotels, lepels, vorken en messen worden geteld. 


Net als tien, werd ook twaalf als bijzonder betekenisvol gezien. In diverse mythologieën treden goden op in groepen van twaalf. Zo zijn er traditioneel twaalf Olympische goden, die door Platoon werden geassocieerd met zowel de twaalf huizen van de dierenriem als de twaalf maanden. Met de zodiak werden ook de twaalf werken van Herakles verbonden, evenals de tocht van de Argonauten (die overigens niet met zijn twaalven waren, maar met vijftig). Volgens Herodotos stichtten de Grieken twaalf steden in Azië, en bij dat getal hielden ze het, omdat het Griekse volk in de Peloponnesos uit twaalf stammen had bestaan. Vooral in de culturen van de Vruchtbare Sikkel is twaalf prominent: behalve de twaalf stammen van Israël zijn er de twaalf fonteinen van Elim, de twaalf edelstenen op het priesterkleed van Aaron en de twaalf stenen die Jozua uit de Jordaan opviste om ze in het Tabernakel te plaatsen. De apostelen waren uiteraard met zijn twaalven en het hemelse Jeruzalem in de Openbaring van Johannes heeft twaalf poorten. 


Twaalf is het product van drie en vier, waaruit Augustinus afleidde dat de apostelen de opdracht hadden het geloof in de Drievuldigheid te verspreiden in de vier windstreken. Bovendien verwijst drie traditioneel naar de geestelijke wereld en vier naar de materiële (denk bijvoorbeeld aan de vier elementen). Twaalf is voorts de som van twee belangrijke getallen: 5 + 7 = 12 (waarbij zeven op zijn beurt de som is van drie en vier). Ik hou er maar mee op, want intussen zal wel duidelijk zijn dat twaalf een getal met inhoud is.


En elf? Wel ja, elf is net geen twaalf. Elf schiet te kort, en is daardoor een mislukking. Het heeft de hoogmoed meer te willen zijn dan tien maar brengt het niet tot twaalf. Zo valt het tussen twee stoelen. Het behoort ad malem partem, tot het te mijden deel van de werkelijkheid. Volgens de 16de-eeuwse numeroloog Petrus Bungus is elf het getal van de zondaars en de boetelingen. Het heeft geen enkele connectie met het goddelijke, reikt niet omhoog en is geheel zonder verdienste. Wie iets te elfder ure onderneemt, schiet in feite veel te laat in actie. De islamitische Broeders der Zuiverheid noemen elf een stom getal, een getal zonder stem.   



Astronomische klok met dierenriem, San Marco te Venetië. Foto Marcelo Teson. 


Oorspronkelijk, stelt Annemarie Schimmel in The Mystery of Numbers, lijkt elf te maken hebben gehad met de dierenriem: die heeft weliswaar twaalf tekens, maar daarvan is er altijd één verborgen achter de zon en bijgevolg onzichtbaar. De dierenriem werd in het Tweestromenland verklaart als een uitvloeisel van de schepping van de wereld. Het Babylonische scheppingsverhaal, Enoema elisj, verhaalt hoe de god van het licht Mardoek in een kosmische strijd verwikkeld was met de godin van de oerzee, Tiamat. Tiamat werd bijgestaan door elf monsters, kinderen van haar. Mardoek velde Tiamat en hakte haar in tweeën; de ene helft werd de aardschijf, de andere de hemelkoepel, haar adem de mist en haar kwijl de wolken, haar ogen de twee rivieren Eufraat en Tigris. Het elftallige monsterlijke kroost, zegt Schimmel, werd niet gedood, maar geketend en als standbeelden aan het firmament geplaatst: de tekens van de zodiak. Schimmels exegese klopt volgens mij niet. Ook al is er altijd wel één dierenriemteken niet te zien en lijkt het alsof er maar elf zijn, er zijn er wel degelijk twaalf. Eentje te weinig, dus, om van Tiamats kroost af te stammen. Dit neemt niet weg dat Tiamats monsterlijke kinderen met zijn elven waren, wat suggereert dat elf ook in het Tweestromenland niet bijster hoog stond aangeschreven.   


In het hindoeïsme is elf niet volledig negatief, maar het heeft er toch een wat dubbelzinnige status. Enerzijds is het een ongeluksgetal, dat gewoonlijk de voorbode is van onheil: “an unlucky number, an augury of misfortune whenever it appears”, schrijft Benjamin Walker in Hindu World.  Maar het is ook het getal van de versmaat triṣṭubh, en bijgevolg van de god Indra, omdat de triṣṭubh diens metrum is. “Overal waar dit getal optreedt, toont zich Indra’s wezen, want alles wat door hetzelfde aantal gekenmerkt is behoort in zekere zin bij elkaar. En zo verwerft men zich door de triṣṭubh en door een offerkoek op elf schotels Indra’s kracht.” (Jan Gonda, Inleiding tot het Indische denken). Qua adelbrief kan dit tellen voor het getal elf: Indra is immers de belangrijkste god in de Rgveda, godheid van hemelkoepel, regen, donder en bliksem, brenger van vruchtbaarheid. 


In de esoterische tradities van Afrika is elf een bijzonder belangrijk getal, dat een centrale plaats bekleedt in de mysteries van de vruchtbaarheid. Een vrouw die net een kind kreeg, heeft immers elf lichaamsopeningen: twee ogen, twee oren, twee neusgaten, een mond, een vagina, een anus en twee tepels; een man heeft slechts negen openingen – tel zelf maar na indien van toepassing. Maar ook op het mannelijke lichaam heeft het getal elf betrekking: sperma heeft volgens de Afrikaanse leer elf dagen nodig om zijn bestemming in de vrouwelijke schoot te bereiken en het eitje te bevruchten. Het kind dat ter wereld komt, ontvangt de elf goddelijke krachten via de elf openingen van de moeder. Kortom: het getal elf is heilig in Afrika.

Daarmee staat het zwarte continent dus een beetje apart, want in de meeste andere cultuurzones heeft het getal een heel wat minder gunstige bijklank.  


Uit het voorgaande zou men kunnen afleiden dat in oude en traditionele culturen geen enkel getal toeval was: alles heeft altijd een betekenis. Misschien was dat in grote lijnen wel zo, maar dat wil niet zeggen dat we die betekenis altijd kennen of kunnen doorgronden. In het oude Sparta waren er de Dionysiaden, een groep van elf vrouwen die erover moesten waken dat de orgiastische riten van de Dionysusvolgelingen niet te zeer uit de hand liepen. Waarom die met zijn elven waren, is volstrekt onduidelijk. Als er al een reden was voor hun getal, kennen we die niet. En misschien was er wel helemaal geen.


We hebben er ook geen idee van waarom een voetbalteam uit elf man bestaat, tien spelers en een doelman. Ik las ooit ergens dat dit het gevolg is van de schoolsituatie in de 19de eeuw in Engeland. Klassen telden er tien leerlingen, en met de onderwijzer erbij geeft dat elf. Voetbal ontstond als schoolsport en nam in zijn regels de realiteit van de school gewoon over. Uiteraard is dit volstrekte onzin. Voetbal ontstond weliswaar in het schoolmilieu, maar in het begin waren er helemaal nog geen vaste regels, ook niet wat betreft het aantal spelers. Bij rugby, dat in dezelfde tijd en in dezelfde omgeving ontstond als voetbal, staan er trouwens geen elf, maar vijftien spelers op het veld. De uitleg dat er elf spelers zouden zijn als verwijzing naar de menselijke imperfectie, lijkt me ook enigszins bij de haren getrokken. Kortom: we weten het niet. Net zomin als we weten waarom de strafschop wordt gegeven vanop elf meter van het doel (Elfmeter heet de penalty dan ook in het Duits). Is dit omdat elf een getal met een slechte reputatie is, en dat een precair iets als een strafschop precies daarom vanop elf meter moet? We mogen dan wel niet uit het oog verliezen dat voetbal uit Engeland komt en de penalty dus oorspronkelijk vanop een afstand van 12 yards werd gegeven...

 

Voor de carnavalsvierders in de Lage Landen en in grote delen van het Duitse cultuurgebied, tot in Oostenrijk, is elf het gekkengetal. Ook veelvouden van elf, zoals 22, 33 en 44, spelen een rol. Het verband tussen het getal en Carnaval is niet duidelijk en heeft aanleiding gegeven tot verschillende pogingen tot verklaring, die mekaar soms aanvullen maar meer nog tegenspreken. 


Ik overloop er enkele.

Het winterseizoen, dat in gebieden waar Carnaval wordt gevierd meteen ook het carnavalsseizoen is, begint met Sint-Maarten, 11 november, dus de elfde dag van de elfde maand. In de carnavalssteden van het land van Rijn en Maas openen de Raden van Elf die dag, om elf minuten over elf, met elf hamerslagen de carnavalsperiode. Of elf nu het carnavalsgetal is geworden omwille van de datum van het Sint-Maartensfeest, of dat het carnavalsseizoen precies op die datum begint om de dubbele elf, is niet duidelijk. “Gedurende vele eeuwen,” schrijft Theo Fransen in Carnaval ontmaskerd? “was de feestdag van Sint Martinus een bijzondere dag. Het was de dag dat het jaarwerk als afgesloten werd geacht, de schuren zaten vol, als de oogst tenminste goed was geweest, de wijnoogst was binnen, en zeer belangrijk de pacht en belastingen moesten worden betaald. En vooral die pacht, de huren, de cijnsen, de verpondingen, de vele renten en niet te vergeten de tienden drukten zwaar, zeer zwaar op de bevolking. Een jaar lang van schrappen, zuinig zijn en elke cent die binnenkwam opzij leggen kon worden afgesloten en na betaling op 11 november was men daar tenminste weer voor een jaar vanaf. De kinderen kregen op die dag lekkers, er werd eten en kleren aan de armen en de bedelaars gegeven, de zieken kregen iets extra’s, want er was reden voor uitgelatenheid en vreugde. En ’s avonds puilden de herbergen en taverne’s uit, want er werd op de elfde van de elfde heel wat weggespoeld.”


Carnavalsstoet in Maastricht (1954)

 


De Franse etnoloog Claude Gaignebet zette in Le carnaval de hypothese uiteen dat Carnaval een relict is van een oeroude tijdsindeling. Na Carnaval begint de Vasten, een periode die veertig dagen duurt (het Franse carême, “vasten” kan worden afgeleid van quarante, “veertig”). De archaïsche kalender waarop de vastenperiode is gebaseerd, was helemaal opgebouwd uit perioden die telkens veertig dagen duurden. Die veertig dagen verwijzen naar een lunair systeem van tijdsindeling: het is de duur van anderhalve maancyclus. Sporen van die (zeer oude) carnavaleske kalender zijn nog her en der weer te vinden in volksoverleveringen, de christelijke heiligenkalender en de oude Ierse kalender. Volgens een in heel Europa verbreide volksopvatting verlaat de beer, in vervlogen tijden in Europa het heilige dier bij uitstek, met Lichtmis (2 februari) of Sint-Blasius (een dag later) zijn winterleger om poolshoogte te nemen. Vindt hij het nog te koud, kruipt hij weer in zijn hol en duurt de winter nog veertig dagen. Ongeveer veertig dagen vóór Lichtmis is het Kerstmis, het moment van de winterzonnewende, en nog eens veertig daarvoor is het Sint-Maarten, de dag waarop volgens de traditie de beer aan zijn winterslaap begint. In de Ierse kalender vinden we op 1 februari het feest Imbolc, dat dus veertig dagen na de winterzonnewende werd gevierd. De drie andere grote seizoensfeesten van het Ierse jaar vielen ook telkens veertig dagen na een solstitium of equinox: Lughnasadh (1 augustus) veertig dagen na de zomerzonnewende, Beltane en Samain elk veertig dagen na de herfst- resp. de lente-evening. Alle zonet genoemde tijdstippen vinden we ook min of meer terug in de christelijke heiligenkalender:

-      Allerheiligen (1 november) of  Sint-Maarten (11 november)

-      Kerstmis (25 december) tot Epifanie (6 december) 

-      Lichtmis (2 februari), Sint-Blasius (3 februari) 

-      Carnaval en Aswoensdag (veertig dagen voor Pasen)

-      Pasen 

-      Ons-Heer-Hemelvaart (veertig dagen na Pasen) 

-      Sint-Jan (24 juni) 

-      Sinte-Pieter (1 augustus) 

-      Sint-Michiel (29 september).

De carnavaleske religie die aan de veertigdagenkalender ten grondslag ligt, zou volgens Gaignebet wel eens kunnen teruggaan tot het Paleolithicum. De beer speelde een belangrijke rol in deze religie: hij was de meester van het wild en ritmeerde als zodanig de seizoenen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de dierenmaskers die worden gedragen ter gelegenheid van de diverse carnavaleske maskerades in de loop van het jaar (Carnaval, Allerheiligen, midwinter…) heel vaak nog altijd berenmaskers zijn.


Als we in het licht van dit alles naar 11 november kijken, lijkt het weinig waarschijnlijk dat de datum werd gekozen omdat hij twee elven bevat. Het is het tijdstip waarop 11 november valt, dat ertoe doet. 11 november valt in de carnavaleske jaarkrans veertig dagen (1x40) voor de winterzonnewende, tachtig dagen (2x40) voor de theoretisch vroegste datum van Aswoensdag en honderdtwintig dagen (3x40) voor Pasen. Indien wat Gaignebet vooropstelt ook nog klopt, is de elfde van de elfde maand een cruciale datum omwille van zijn positie in de archaïsche kalender. Maar waarom elf het gekkengetal is, wordt er niet door verklaard. 


Godsdiensthistorici als Mircea Eliade stellen dat de archaïsche mens de veranderende wereld niet ervoer als het product van een historisch verloop, maar als een aan cyclische processen onderworpen systeem. Op vaste tijdstippen liep de ene cyclus ten einde en nam de volgende een nieuwe aanvang. De cyclus zelf werd gezien als een ordening, een kosmos, terwijl de periode tussen twee cycli werd opgevat als één van wanorde, chaos. Uit de chaos werd telkens weer de nieuwe orde geboren, net zoals in den beginne, of zoals Eliade het graag formuleert in illo tempore, de kosmos uit de chaos werd gevormd. Relicten van de ahistorische, cyclische wereldbeschouwing leven nog voort in onze gehistoriseerde wereld. Nieuwjaar, zegt Eliade, is een typisch voorbeeld van zo een relict, en nieuwjaarsvieringen gaan overal ter wereld gepaard met rituele gedragingen die de chaos simuleren. Vaak wordt de sociale orde omgekeerd: een kind wordt bisschop gewijd, een nar wordt tot koning gekroond, een eredienst wordt geleid door een ezel, blanke mensen maken hun gezicht zwart, mannen verkleden zich als vrouwen en vice versa. “Omkeringsrituelen” noemt men dit. Met Carnaval wordt de sociale orde op zijn kop gezet: de zotten kiezen een koning of prins die “regeert” over een omgekeerde wereld. Is 11 november de dag waarop de gevestigde orde wordt omgekeerd en de gekken de plak zwaaien? Is daarom elf het gekkengetal geworden, omdat het op een cruciaal tijdstip in het jaar valt en het bovendien ook nog andere geloofsbrieven heeft die het bij uitstek geschikt maken om in een carnavaleske wereld te figureren? Dat is best mogelijk, en mijn buikgevoel zegt me dat er wel eens heel goed een verband zou kunnen zijn tussen het getal elf, dat traditioneel al scheef werd bekeken, en het omkeringsprincipe. Leuke verklaringen dus, zowel die van Gaignebet als die van Eliade. Maar de bewijslast voor beide is nul komma nul. Wat Fransen schrijft over de sfeer die rond het feest van Sint-Maarten hangt, met boerkens die smelten van vreugd en plezier omdat de oogst is binnengereden, snijdt uiteraard ook hout. 


Men heeft ook geprobeerd de carnavaleske elf met een heel specifiek historisch feit in verband te brengen. De associatie van elf met de zotheid is ongetwijfeld al oud, maar hoeven we het daarom per se in de oertijd te zoeken? Misschien volstaat het om terug te gaan tot de Middeleeuwen. Graaf Adrian van der Marck richtte op 11 november 1381 in Kleef een Geckengesellschaft op, met als devies Ey, lustich, fröhlich – de beginletters vormen dus het woord Elf. Werd elf het gekkengetal als gevolg van de actie van de Kleefse graaf? Dat zou kunnen, al lijkt de stichting van dat ene gezelschap misschien wat mager om de verspreiding van het zottengetal over de gehele Duits- en Nederlandstalige gebieden van Europa te verklaren. Misschien stichtte graaf Adrian het gezelschap wel precies op die dag omdat 11 november allang de datum was waarop de zotheid zich telkens weer manifesteerde?  



 


Er is ook een hypothese die de Raad van Elf, die in de carnavalssteden het hele carnavalsgebeuren aanstuurt, en daarmee meteen ook het gekkengetal elf, verklaart vanuit de historische Raad van Elf van het hertogdom Brabant. Toen de Brabantse hertog Anton van Bourgondië op 25 oktober 1415 in de slag bij Azincourt sneuvelde, kwamen de overheden van de zeven oudste steden en de vier grootste abdijen van het hertogdom samen om zich te beraden over de wettige opvolging van de overledene. De weduwe van de hertog, Elisabeth van Görlitz, kwam niet in aanmerking wegens haar rechten op Luxemburg. Anton had echter twee zoontjes uit zijn eerste huwelijk met de in 1407 overleden Johanna van Saint-Pol. De oudste, Jan, was nog maar elf jaar, maar werd niettemin door de Staten erkend als de nieuwe hertog Jan IV van Brabant. Het dagelijks bestuur van het hertogdom zou echter worden waargenomen door de Raad van Elf. Het besluit Jan IV als hertog te erkennen werd genomen op 4 november; de raadsleden werden een week later in hun functie bevestigd, dus mogelijk op 11 november. Is er een verband tussen de eerbiedwaardige Raad van Elf van de Brabantse Staten en het gekkengetal? Het lijkt me erg onwaarschijnlijk.

 

Nog een woord- en letterspelletje brengt het carnavaleske elf in verband met de Franse Revolutie. Égalité, liberté, fraternité: de beginletters van de slagzin van de revolutionairen vormen inderdaad “elf”. De onderliggende idee is dan, dat we onder de narrenkap allemaal gelijk zijn, broeders in de vrijheid. Maar bij deze verklaring hoeven we ons zelfs niet af te vragen of ze kan kloppen, denk ik: dat doet ze overduidelijk niet. Niet alleen omdat, ten eerste, het motto van de revolutie Liberté, égalité, fraternité luidt en de beginletters helemaal niet “elf” maar “lef” vormen, ten tweede omdat de associatie van het getal elf met Carnaval toch heel wat ouder dan 1789. Dat in de streken waar de carnavalstraditie het weligst tiert, meteen ook de weerstand van de bevolking tegen de revolutionaire Franse troepen het grootst was toen die in 1798 de Lage Landen inlijfden, maakt het allemaal nog wat onwaarschijnlijker.

 

Een verklaring die het zoekt in de wereld van het volksgeloof, vind je in diverse oudere woordenboeken. F.A. Stoett schrijft in Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden onder het kopje Elf is het gekkennummer: “Eigenlijk is elf hier “een woordspeling met het znw. elf, een bijvorm van alf, in den zin van gek, zot of dwaas, eene betekenis die zich in overdrachtelijke opvatting uit den naam der alven of elven, bedrieglijke boze geesten, ontwikkeld heeft.”” Ook D.J. van der Ven in Het Carnavalsboek van Nederland in elf hoofdstukken legt het zo uit: “Waarschijnlijk heeft het getal 11 als gekkennummer zijn betekenis ontleend aan een overdrachtelijke opvatting van de naam van elfen of alven. Oorspronkelijk waren het lieflijke bosgeesten, die in Shakespeare’s Midzomernachtsdroom een grote rol speelden en die dankbare motieven boden aan sprookjesvertellers en fantasierijke tekenaars. Maar in vele volksvoorstellingen traden deze elfen meer en meer als boze geesten op en in een heel oud geschrift werd de angstige vraag gesteld: ‘En hoorde ghi noit segghen van alfs gedrochte, dat die liede pleghet te bedrieghen?’In de middeleeuwen vreesde Kiliaan reeds in de elf een boze geest, een dreigende demon, die door hem werd gelijk gesteld aan de incubus, de demon insultur hominum. De blik van een elf was volgens hem al voldoende om iemand onder invloed te brengen, te betoveren of zelfs krankzinnig te maken en zo werd ieder, die zich onwijs aanstelde, een elf of alf genoemd. Elf werd dus synoniem aan zot en het werkwoord alfen kreeg in de volksspraak de betekenis van boerten, schertsen, beetnemen.” Ik kan me uiteraard vergissen, maar mij lijkt dit heel erg met de haren getrokken.


Prins Fokko I van Leutekum (Nederland)

 


En dan is er nog Alaaf! Hier en daar kan je lezen dat deze carnavalskreet een verbastering is van elf. Ook Van Dale oppert dit als een mogelijke verklaring, met de toevoeging dat elf kan refereren aan een transgressie van de decaloog, dus van de tien geboden. In volkse uitdrukkingen wordt inderdaad wel eens verwezen naar dat extra gebod bovenop de tien die Mozes introduceerde, het elfde gebod. Het heeft geen vaste inhoud, maar de algemene ondertoon lijkt gewoonlijk wel te zijn dat je moet pakken wat je kan krijgen. Daarbij moet ik uiteraard onwillekeurig denken aan de cafés die Het elfde gebod heten, waaronder een in Antwerpen, vlak bij de kathedraal. In cafécontext zou het elfde gebod dan kunnen worden gezien als de verplichting tot genot. Is er een verband tussen alaaf en het elfde gebod? Voorts is het natuurlijk taalkundig gezien niet onmogelijk dat alaaf van elf komt. Als je bijvoorbeeld de Antwerpse, of breder: de Brabantse, uitspraak neemt van “elf”, blijf je niet zo ver uit de buurt van “alaaf”, en ook in de meeste Limburgse dialecten heeft elf twee lettergrepen. Al ga je zowel in de Brabantse als in de Limburgse elven nergens een a-klank vinden en ligt de klemtoon ook steevast op de eerste lettergreep. 

Misschien is de afleiding dan toch minder plausibel dan je op het eerste gezicht zou veronderstellen? Nog veel minder aannemelijk lijkt me in ieder geval de theorie die alaaf van het Hebreeuwse en ook Jiddische alef wil afleiden. Interessant is wel, dat alaaf! een behoorlijke ouderdom heeft: een baardmankruik uit Keulen, gedateerd 1550, draagt het opschrift ALLAF. Wat natuurlijk helemaal niet wil zeggen dat alaaf “elf” betekent, en ons in het geheel niet wijzer maakt wat betreft de herkomst van de carnavaleske elf. 

 

Ongetwijfeld vind je, als je de omvangrijke literatuur over Carnaval naarstig uitvlooit, nog wel enkele pogingen tot verklaring van de associatie van het getal elf met zotheid, zotternij en het carnavalsgebeuren. Misschien stoot je dan zelfs op iets dat ietwat plausibel is. Wat ik zonet heb aangehaald, is dat in mijn ogen gewoonlijk niet of onvoldoende. Bij sommige verklaringspogingen heb ik wel het gevoel dat het zou kunnen kloppen, omdat ik het alleszins intuïtief als aanvaardbaar aanvoel. Met begrippen als imperfectie en omkering kom je ongetwijfeld dicht in de buurt van wat de carnavaleske zotheid voorstelt. Maar overtuigd ben ik niet. Ik vrees dat het zottengetal elf één van de vele raadsels van de cultuurgeschiedenis is, een dwaallichtje waarvan we soms de indruk hebben dat het ons langs een pad voert dat ons ergens brengt, maar dat bij nader inzien toch niet doet. 

 

Tijd om af te ronden.

Het getal elf is doorheen de geschiedenis van de verschillende culturen niet bepaald het meest gewaardeerde getal geweest, zoveel mag wel duidelijk zijn. 



Maar ik besluit graag met een positieve noot. In alle ernst, bovendien.
Zoals ook uit het voorgaande al overvloedig is gebleken, rekenen wij gewoonlijk in een talstelsel waarvan de basis het getal tien is. Dit decimale stelsel is uiteraard lang niet het enige mogelijke. Uit het Nabije Oosten stamt een ander talstelsel met als basis twaalf, zoals ik eerder al aanstipte. Dat stelsel heeft nog een reeks sporen nagelaten, net als het vigesimale of twintigtallige systeem, waarvan nog relicten waren te vinden in het Britse muntwezen van voor 1971. Telde een shilling twaalf pence, een pond sterling telde twintig shilling. Sporen van het tellen in twintigtallen vinden we in diverse West-Europese talen. Tachtig is in het Frans quatre-vingts; negentig is quatre-vingt-dix (toch in de Hexagone: in België is het nonante); de Keltische talen en het Deens gebruiken consequent twintigtallen om 40, 50, 60, 70, 80 en 90 te benoemen en wie een beetje vertrouwd is met de King James Version van de bijbel weet dat veelvouden van score, twintig, er steevast worden gebruikt om er de leeftijd van een mens mee aan te duiden:
“The days of our years are threescore years and ten; and if by reason of strength they be fourscore years, yet is their strength labour and sorrow; for it is soon cut off, and we fly away.” (Psalm 90:10)



En zo zou ik nog even kunnen doorgaan, bijvoorbeeld over het binaire of tweetallige stelsel dat wordt gebruikt in de informatica, net als het zestientallige of hexadecimale stelsel. In feite komt het hierop neer: je kan de meest verschillende getallen gebruiken als basis voor een telsysteem. Ook het getal 11. Vooral het getal 11, schrijft Georges Ifrah in The Universal History of Numbers. Omdat het een priemgetal is, alleen deelbaar door 1 en door zichzelf. Dat heeft zo zijn voordelen. Immers, “the main purpose of a written number system – I’m sure everyone will agree – is to allow its users to represent all numbers simply and unambiguously. And I do mean all numbers – integers, fractions, rational and irrational numbers, the whole lot. So what we are looking for is a numbering system with a base that has no factor other than itself, in other words, a number system having a prime number as its base. The only example I’ll give is base 11. This would be much more useful than base 10 or 12, since under base 11 most fractions are irreducible: they would therefore have one and only one possible representation in a system with base 11. For instance: the number which in our present decimal system is written 0.68 corresponds in fact to several other fractions – 68/100, 34/50, and 17/25. Admittedly, these expressions all refer to the same fraction, but there is an ambiguity all the same in representing it in so many different ways. Such ambiguities would vanish completely in a system using base 11 or 7 (or indeed, any system with a prime number as its base), since the irreducibility of fractions would mean that any number had one and only one representation. Just think of the mathematical advantages that would flow from such a reform...” 


Ze heeft dus toch nog haar nut, die elf. Of zou dat althans kunnen hebben, want voorlopig heb ik nog maar weinig brede toepassingen van het undecimale talstelsel kunnen terugvinden. In de 19de eeuw was men een poos van mening dat de Maori van Nieuw-Zeeland met elftallen zouden hebben geteld, maar later onderzoek wees uit dat ze een decimaal systeem hanteerden. Iets gelijkaardigs deed zich voor met de Pañgwa van Tanzania, wier veronderstelde undecimale talstelsel bij nader inzien toch gewoon decimaal bleek. Alleen in de computerwereld wordt hier en daar met elftallen gewerkt.

Alaaf! 



Bibliografie


AA: “Narrenzahl Elf”, op https://www.brauchwiki.de/narrenzahl-elf/. Leonard R.N. Ashley: The Complete Book of Numerology. New Jersey, Barricade Books, 2005. Alban Butler: Butler’s Lives of the Saints. Edited, Revised and Supplemented by Herbert Thurston and Donald Attwater. 4 vols. London, Burns Oates & Washbourne, 1956. Jean Chevalier & Alain Gheerbrant: Dictionnaire des symboles. Mythes, rêves, coutumes, gestes, formes, figures, couleurs, nombres. Édition revue et augmentée. Paris, Éditions Robert Laffont & Éditions Jupiter, 1982. Camille Creusot: La face cachée des nombres. Préface de Serge Hutin. 7e édition. Paris, Éditions Dervy, 2009 (1999). Mircea Eliade: Het heilige en het profane. Vertaald door Hans Andreus. Amsterdam, Meulenhoff, 1977 (1957). Mircea Eliade (ed. in chief): The Encyclopedia of Religion. 16 vols. New York, MacMillan Publishing Company & London, Collier MacMillan Publishers, 1987. Max Elskamp: Les Commentaires et l’Idéographie du Jeu de Loto dans les Flandres. Anvers, J.-E. Buschmann, 1918. Theo Fransen: Carnaval ontmaskerd? Maasbree, Uitgeverij de Lijster, 1981. Theo Fransen & Gerrit Gommans: Alaaf! Carnaval in Nederland en België. Utrecht & Antwerpen, Uitgeverij Het Spectrum, 1984. Theo Fransen & Sander Mattheijsen: Hét Carnavalsboek. Van lentefeest tot festival. Venlo-Belfeld, Wielaard Media, 2014. Claude Gaignebet: El Carnaval. Ensayos de mitologia popular. Barcelona, Editorial Alta Fulla, 1984. A.P. van Gilst: Vastelavond en carnaval. De geschiedenis van een volksfeest. Veenendaal, Uitgeverij Midgaard, 1974. J. Gonda: Inleiding tot het Indische denken. Antwerpen, Uitgeversmij N.V. Standaard-Boekhandel & Nijmegen, N.V. Dekker & Van de Vegt, 1948. James Hastings (ed.): Encyclopaedia of Religion and Ethics. 13 vols. Edinburgh, T. & T. Clark & New York, Charles Schribner’s Sons, 1908-1927. Georges Ifrah: The Universal history of numbers. From prehistory to the invention of the computer. London, The Harvill Press, 1998. Gertrude Jobes: Dictionary of Mythology, Folklore and Symbols. 3 vols. New York, The Scarecrow Press, 1962. Jean-Loïc Le Quellec & Bernard Sergent (eds.): Dictionnaire critique de mythologie. Paris, CNRS Éditions, 2017. Claude Lévi-Strauss: L’origine des manières de table. Mythologiques III. Paris, Librairie Plon, 1968. Stijn van der Linden: De heiligen. Met medewerking van Esther Scheepers. Eindredactie Sjoerd de Jong. Amsterdam & Antwerpen, Uitgeverij Contact, 1999. Karl Menninger: Number Words and Number Symbols. A Cultural History of Numbers. New York, Dover Editions, 1992 (1969). Werner Mezger: Das große Buch der schwäbisch-alemannischen Fasnet. Ursprünge, Entwicklungen und Erscheinungsformen organisierter Narretei in Südwestdeutschland. Stuttgart, Theiss Verlag, 1999. Marc-Alain Ouaknin: Mystères des chiffres. Paris, Éditions Assouline, 2004. Louis Réau: Iconographie de l'art chrétien. 3 vols. en 6 tômes. Paris, Presses universitaires de France, 1955-1959. Lutz Röhrich: Lexikon der sprichwörtlichen Redensarten. Dritte Auflage. 2 Bde. Freiburg im Breisgau, Verlag Herder, 1974. Annemarie Schimmel: The Mystery of Numbers. Oxford & New York, Oxford University Press, 1993. F.A. Stoett: Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden. Vierde druk. 2 dan. Zutphen, W.J. Thieme & Cie, 1923.  Maarten Timmer: Van Anima tot Zeus. Encyclopedie van begrippen uit de mythologie, religie, alchemie, cultuurgeschiedenis en analytische psychologie. Rotterdam, Lemniscaat, 2001. J. Van der Ven: Het Carnavalsboek van Nederland in elf hoofdstukken. Tweede druk. Ingeleid door Anton van Duinkerken. Heerlen, Uitgeverij Winants, 1950. Benjamin Walker: Hindu World. An Encyclopedic Survey of Hinduism. 2 vols. London, George Allen & Unwin Ltd, 1968.




Clement Caremans (c) 2022



maandag 14 februari 2022

My Funny Valentine

 




My Funny Valentine

Al meer dan een week is het brood dat ik koop getooid met een hart dat in de korst is gebakken. Gisteren kreeg ik publiciteit voor Plus Magazine in mijn brievenbus, voor de zoveelste keer, maar nu getooid met hartjes en met ook nog een cadeau erbij, een foeilelijke draagtas, in plastic godbetert, met uiteraard een resem hartjes erop. Toen ik vanochtend mijn mailbox opende, viel mijn oog onmiddellijk op een zonder meer onmisbaar artikel in De Morgen: "Triootje voor Valentijn? De fantasie is beter dan de daad". Nee, er is geen ontkomen aan: het is vandaag Valentijn, wat mij betreft met stip het onnozelste en meest irritante gebeuren van de feestkalender.
14 februari: de dag die gevierd wordt met boeketten, diners bij kaarslicht, debiele kaartjes, pralines, zogenaamd sexy lingerie en allerlei rommel in de vorm van of bezaaid met harten.
Waar deze onzin vandaan komt, is niet duidelijk. Aan de basis ligt een heilige Valentinus, die op 14 februari 273 de marteldood zou zijn gestorven op bevel van de Romeinse keizer Claudius II Gothicus. Deze wetenschap brengt echter weinig verheldering, want in de Roomse martelarenkalender staat er dat op 14 februari twee Valentinussen in pijnlijke omstandigheden het loodje legden, een priester uit Rome en een bisschop uit Terni. Bovendien stierf Claudius II Gothicus al in 270, dus daar rammelt het verhaal ook een beetje. De marteldood van priester Valentinus van Rome wordt beschreven in het relaas van de handelingen (acta) van vier andere martelaars, Marius, Martha, Audifax en Abacuc. Van die vier hadden de bollandisten, die de heiligenlevens met een kritisch oog bestuderen, al in de 17de eeuw door dat ze waarschijnlijk nooit hebben bestaan. Méér zelfs: niets wijst erop dat er onder Claudius II Gothicus christenvervolgingen zijn geweest. Als de martelaars met wie Valentinus in één adem wordt genoemd nooit hebben bestaan en de christenvervolgingen die deze heldhaftige belijders het leven kostten nooit hebben plaatsgevonden, wordt de historiciteit van Valentinus van Rome zelve ook ietwat twijfelachtig. Alle verhalen die over hem worden verteld, zijn bijgevolg hoogstwaarschijnlijk pure fictie. Net als de verhalen die over Valentinus van Terni werden opgetekend, en die overigens voor een belangrijk deel haast identiek zijn aan die over Valentinus van Rome. En dan zwijg ik nog over enkele andere Valentinussen, zoals Valentinus van Tongeren, die van Trier, die van Raetia, die van Viterbo en nog een stuk of wat, die in de 3de of de 4de eeuw de marteldood zouden zijn gestorven en daden hebben verricht die sterk herinneren aan wat Valentinus van Rome zou hebben gedaan. Een soep is het, jazeker.
In de acta van Marius, Martha, Audifax en Abacuc is Valentinus een onverschrokken prediker van het christelijke geloof, die zowel de prefect van Rome als de keizer zelf de oren wast om hun verknochtheid aan heidense afgoden. Dat kost hem zijn kop, maar tussendoor geneest hij ook nog het blinde dochtertje van een officier en bekeert hij diens familie. Ditzelfde verhaal vertelt Jacobus de Voragine in zijn Legenda aurea. Ook daar is er niets dat op enige betrokkenheid bij amoureuze activiteiten wijst. Pas in latere verhalen doet de liefde haar intrede: Valentinus zou in het geheim het huwelijk van Romeinse soldaten hebben ingezegend, terwijl de keizer zijn militairen verboden had te trouwen, want door het liefdesbedrijf zouden hun krachten op het slagveld achteruit gaan. Dààrom is het dat de keizer de priester laat vatten, folteren en onthoofden. Andere versies laten Valentinus zélf verliefd worden op een mooi meisje, de dochter van zijn gevangenisbewaarder nota bene, die hij bloemen laat bezorgen en aan wie hij, als hij ter dood is veroordeeld, een brief stuurt als afscheid die hij besluit met "van je Valentijn". De historische feitelijkheid van dit alles is nul komma nul.
Waarom vieren we Valentijn dan op 14 februari, met een centrale plaats voor les affaires du coeur? Een beproefd gebruik in de godsdienstgeschiedenis is: als we niet weten waarom een bepaald fenomeen zich voordoet, verklaren we het als een relict van iets anders. Zo ook hier. De Romeinen vierden op 15 februari de Lupercalia, een feest waarvan we weten hoe het gevierd werd zonder er echter zelfs maar een flauw benul van te hebben waarom en waartoe. Een gokje is, dat de Lupercalia met vruchtbaarheid te maken hadden. En vermits Valentijn met de liefde te maken heeft, en dus ook met de daarbij horende vleselijke handelingen die met vruchtbaarheid worden geassocieerd, is de conclusie snel getrokken: Valentijn is een kerstening van de Lupercalia. Tja.
Misschien komt het Valentijnsfeest wel uit Engeland. Geoffrey Chaucer schrijft in de 14de eeuw in zijn Parliament of Foules (Vogelparlement) dat op Sint-Valentijnsdag "every foul cometh ther to choose his mate". De dag waarop alle vogeltjes hun aan nestje beginnen? En in hun voetspoor de mensen? Eeuwenlang bleef Valentijnsdag een voornamelijk Britse aangelegenheid, en vervolgens ook wel een Franse, wat gezien de toenmalige Britse aanwezigheid in wat vandaag Frankrijk is niet hoeft te verwonderen. Daarna waaide de viering over naar de States, om ten slotte de hele wereld te veroveren. Hier bij ons zijn er sporen van een Lievekensdag uit de 15de eeuw, maar het is toch pas in de tweede helft van de 20ste eeuw dat Valentijn echt populair werd. De middenstand, meer bepaald bloemisten, confiseries en lingeriezaken, vaart er wel bij.
Zuurpruimen als ik, die ongevoelig zijn voor de zogezegde romantiek van het gebeuren, kunnen zich troosten met de gedachte dat het op 15 februari alweer voorbij is. Voor de positiever ingestelde Valentijnvierders voeg ik het bekendste Valentijnslied ever toe, My funny Valentine, vandaag een onmiskenbare standard uit het Great American Song Book. Het komt uit de musical Babes in Arms van Richard Rodgers en Lorenz Hart uit 1937. Hier gezongen en gespeeld door Chet Baker, in de tijd voor hij een wandelende ruïne werd.

(c) Clement Caremans, 2020






vrijdag 4 februari 2022

Brandganzen, ganzenbomen en eendenmossels

 


Ganzenboom, uit John Gerard, Herball, or Generall Historie of Plantes





Brandganzen, ganzenbomen 

en eendenmossels


"De Nekker" noemen Mechelaars het blijkbaar. Wij, van 't Stad of in ieder geval van daar vlakbij, hebben het over "het Mechels Broek". Hoe je het ook noemt: het is een mooi stukje polder, gelegen tussen de Dijle en de Boeimeerbeek. Nat weiland en broekbos, doorsneden met sloten, kreken en greppels, en in de westelijke helft een grote plas. Een fijn gebied om te wandelen, in gelijk welk seizoen maar toch vooral in de winter, omdat dan de watervogels het talrijkst zijn.

Gisteren waren we er nog eens. We hadden ons voorzien op veel modder, en dat was maar goed ook, want het slijk was alomtegenwoordig. Op de plas en in de sloten grondelden wilde eenden, wintertalingen, slobeenden, pijlstaarten en krakeenden - ik denk dat je op maar weinig locaties in de buurt van Antwerpen een grotere kans hebt om pijlstaarten te zien dan in het Mechels Broek. Smientjes ook, natuurlijk, de schattigste van alle zwemeenden met hun bolle acajou kopjes met blonde bles en met hun hoge gefluit. Uiteraard waren er in het open gedeelte van de plas ook kuifeenden, futen, meerkoeten en aalscholvers. En er zwommen grauwe ganzen rond, Canadese ganzen ook en een eenzame knobbelzwaan. De onvermijdelijke nijlganzen waren ook van de partij en hielden een beetje afstand van de rest, of de rest van hen, want ik heb de indruk dat de meeste eenden en ganzen deze agressievelingen mijden als de pest. Op een stukje grasland dat niet blank stond een honderdtal kieviten, en in de wei ernaast grauwe ganzen, kolganzen en brandganzen.

Brandgans, Branta leucopsis (Bechstein)


De brandgans fascineert me. Niet alleen omdat het zo'n mooie vogel is - alle ganzen zijn mooi - maar omwille van de verhalen die met het beest verbonden zijn. In Ierland circuleerde in de Middeleeuwen het verhaal dat de brandgans zich niet voortplantte zoals dat bij vogels gebruikelijk is, maar voortkwam uit Lepas anatifera, de eendenmossel, een kreeftachtige die met veel goede wil op de kop van een gans lijkt. Giraldus Cambrensis, een Welse monnik die in de 12de eeuw Ierland bezocht en in De geschiedenis en de topografie van Ierland (Topographia Hibernica) straffe verhalen neerpende over de natuurlijke en menselijke historie van het land, was de eerste die het eendenmosselverhaal op papier zette. De ganzen, schrijft hij, beginnen hun bestaan als aanwassen die aan de meerpalen en staken groeien die langs de kust worden aangebracht. Ze hangen vast met hun snavel en hun lijf zit in een schelp. In die schelp ontwikkelen ze veren, en als ze volgroeid zijn, laat hun bek de paal waaraan hij vastzat los en vliegen of zwemmen de ganzen weg.

Topographia Hibernica British Library MS 13 B VIII (c.1188 CE)
Foto Ray Oaks

Bestiarium in British Library, Harley 4751 f. 36
Foto Ray Oaks

Ganzenboom in het Bestiarium van Pierre de Beauvais, Library of the Arsenal, ms. 3516 fol. 205r
Foto Ray Oaks

Omdat brandganzen geen eieren leggen als andere vogels, redeneerde men, is hun vlees in feite geen vlees maar eerder een soort vis, dat bijgevolg zonder problemen tijdens de vasten kon worden gegeten. Wat de Ieren, diepkatholiek als ze waren, dan ook met overtuiging deden. Tot in de 16de eeuw bleven schrijvers dit verhaal voor waar herhalen. Edmund Campion schrijft in zijn Historie of Ireland (1571): "Barnacles, thousands at once, are noted along the shoares to hang by the beakes about the edges of putrified timbre... which in the processe taking lively heate of the Sunne, become water-foules." En John Gerard, de grote Engels herbalist, neemt het verhaal nog op in de eerste editie (1597) van zijn Herball, or Generall Historie of Plantes.
Waar deze merkwaardige opvatting vandaan komt, weten we niet. Dat vogels in de regel eieren leggen, was ook in de Middeleeuwen geweten. Van de brandgans kreeg men natuurlijk nooit eieren te zien: de vogels broeden aan de oostkust van Groenland, op Spitzbergen en op Novaja Zemlja, tot in de moderne tijd regionen die zich buiten de in West-Europa gekende wereld bevonden. Dus dan maar de eendenmossel.

Clement Caremans (c) 2022

Ganzenboom volgens Conrad Gesner

Ganzenboom volgens Ulisse Aldrovandi

zaterdag 6 februari 2021

Birdnerds

Uitkerkse Polder. Foto Nora de Smet.


Birdnerds 


Vogelspotten is geen rare hobby meer, lees ik daarstraks in De Standaard. Het is een lifestyle, staat er in de volgende zin. Ik verslik me bijna. Een lifestyle, begot. Bij lifestyles horen uiteraard onmiskenbare kenmerken – hoe zou iemand er anders in slagen je lifestyle te herkennen? De veldkenmerken van een lifestyle zijn vaak merken, brands, van producten bij welke de beoefenaars zweren. De vogelspotter zweert, zo leer ik in het stuk, bij Aigle, Fjällräven en Swarovski. Ik neem aan dat het waar is, want zo staat het in een artikel in De Standaard en dat is een kwaliteitskrant. Gewoonlijk ben ik niet zo goed mee als merknamen worden afgerateld. Branding is niet echt aan mij besteed. Maar ik ben mee, voor deze ene keer. Ik weet dat Aigles laarzen zijn, al heb ik er zelf nooit gedragen: ze pasten nooit, te smal voor mijn nogal forse kuiten. Fjällräven: daar heb ik zelf wel eens een broek van gehad. Een handig ding, want met veel zakken, behoorlijk slijtvast en in een stof die snel droogt, wat altijd handig is als de fiets je belangrijkste transport is en je dus regelmatig een stortbui op je donder krijgt. Mijn liefste heeft ook zo’n broeken voor op de fiets. Of voor de wandeling. Hoe diep je ook wegzakt in een verraderlijke greppel, hoe vettig ook de drab van de polderklei waarin je je evenwicht verloor, je spoelt het zo weg uit een broek van Fjällräven. Of één van The North Face of van Wolfskin, nog zo’n wonderlijke merken van technische broeken, zoals wij ze gemakshalve noemen. Swarovski ken ik ook: een fabrikant van niet alleen gewoonlijk foeilelijke maar peperdure siervoorwerpen en juwelen in kristal, maar ook van de, naar verluidt, allerbeste verrekijkers die voorhanden zijn. En ook zowat de duurste. Toen ik jaren geleden een nieuwe verrekijker mocht kiezen voor mijn verjaardag – mijn vorige had ik al vijfendertig jaar en hij was net iets te dikwijls gevallen, onder andere in zeewater, om nog excellent te functioneren – heb ik ook een Swarovski bekeken, volledigheidshalve zeg maar. Een bijzonder helder beeld gaf die. Maar toch geen vijf keer zo helder als dat van de Nikon die ik koos. Die was nochtans ook heel helder, en niettemin was zijn prijs maar een vijfde. 
Vogelspotten een lifestyle? Jawel, zegt het artikel, dat tevens een interview is met Jan Rodts, gewezen directeur van Vogelbescherming Vlaanderen, naar aanleiding van het jaarlijkse Vogeltelweekend. Dat vogelaars ook boeken over vogels kopen, zegt wel genoeg. Boeken die je vroeger aan de straatstenen niet kwijt kon, zoals vogelgidsen of Jenny de Laets uitstekende monografieën over diverse vogels zoals bijvoorbeeld de roodborst, zijn nu hot. Wist je dat er zelfs mooie koffietafelboeken zijn over vogels? Je kan ze kopen in het soort boekhandels dat vandaag zo gegeerd is, waar je niet alleen boeken vindt maar ook koffie kan drinken (horresco referens, eigenlijk). Vorig jaar, het was net voor de eerste lockdown denk ik, wees de dame aan de kassa van boekhandel De Groene Waterman mij ook al op de aantrekkingskracht die vogelboeken hebben vandaag de dag. Bij mijn stapeltje was ook een vogelboek, ik denk Mrs Moreau’s Warbler van Stephen Moss, een van mijn favoriete natuurschrijvers. “Ha, een boek over vogels” zei de dame. “Wist u dat boeken over vogels heel populair zijn? Ik denk dat het zelfs niet echt over vogels hoeft te gaan: zet een vogel op de kaft en de mensen kopen het.” 

Onze meester in het vijfde studiejaar heette Bruyninckx, Mathieu Bruyninckx. Den Bruyninckx voor de leerlingen, den Thieu voor de collega's. Een man met een wat bonkig uiterlijk en een stuurs gezicht met grove trekken: hoog en breed voorhoofd, beetje uitstaande oren, een bril met zwaar montuur. Altijd met de grijze stofjas die onderwijzers toen steevast droegen als ze voor de klas stonden. Hij werd vijftig het jaar dat ik in zijn klas zat, we hebben allemaal nog bijeengelegd om een mooi boek voor hem te kopen. Ik weet zelfs nog hetwelk: Planten en dieren van Europa, van Harry Garms. Want meester Bruyninckx was een groot natuurliefhebber. Hij was een van de betere onderwijzers die ik in de lager school heb gehad en ik veronderstel dat al zijn lessen best meevielen. Maar van de lessen taal, rekenen, geschiedenis en aardrijkskunde herinner ik me niets. Las hij voor in de klas, zoals onderwijzers in de lagere school in die tijd wel meer deden? Ik zou het niet weten. Googelend vond ik dat hij een begenadigd poppenspeler was, die zelfs een boekje schreef over het handpoppenspel. Ook dat herinner ik me niet. Ik weet nog wel dat hij heel muzikaal was en een mooie bariton had als hij zong. Volgens het biootje dat ik op het web van hem vond speelde hij gitaar - in mijn memorie was het viool. Maar het duidelijkst staan mij zijn lessen plant- en dierkunde voor de geest. “Werkelijkheidsonderricht” heette dat vak officieel, je moet er maar opkomen. Hoe ook, als meester Bruyninckx les kon geven over de witte dovenetel, de scherpe boterbloem, de eekhoorn, de meikever, de roodborst of de stekelbaars, was hij echt in zijn element. Hij kon zo over een dier vertellen dat je het als het ware in de klas voor je neus tot leven zag komen. De didactische middelen waren nog beperkt, toen: een bord, waarop hij schreef wat we in ons schoolschrift moesten noteren en voorts hoogstens een gekleurde schoolplaat. Niettemin wist hij te begeesteren - mij toch in ieder geval. Ik had al een hele tijd veel belangstelling voor de natuur, maar door meester Bruyninckx werd mijn interesse voor plant en dier volop leven ingeblazen. Ik begon een herbarium, dat ik vele jaren ben blijven aanvullen en dat op de duur meer dan vijfhonderd soorten bevatte, bijna allemaal verzameld in de buurt van Antwerpen. Tot op zeker moment een of ander kevertje erin slaagde in de kist met de gedroogde planten binnen te dringen en het hele boeltje op te vreten, zodat alleen het papier met de identificatie- en vindplaatsgegevens overbleef. Maar ik had het over meester Bruyninckx, onder wiens impuls ik salamanders en stekelbaarzen en waterschorpioenen en geelgerande watertorren in een aquarium ging houden en hagedissen, padden en veenmollen in een terrarium. Ik schreef hele schriften vol over dieren en illustreerde die zelf; van mijn spaarcenten kocht ik mijn eerste vogelboeken (zoals de Prisma Vogelgids en het Prisma Vogelboek van J.E. Sluiters, boekjes die ik zowat uit het hoofd kende) en met verjaardagen of Sinterklaas kwamen daar dan bijvoorbeeld De eieren en nesten van onze vogels van J.G. Th. van Nes, het Vogelboek voor iedereen van Ko Zweeres of Het vogeljaar van Jac. P. Thijsse bij. Boeken over aquaria en terraria deden eveneens hun intrede, vergezeld van de drie wonderlijke “excursieboekjes” van W.J. Prud’homme van Reine Wat vind ik in sloot en plas, Wat vind ik aan het strand en Wat vind ik in de duinen. Een flora was er uiteraard ook nodig: ik kocht de Prisma Flora van J.E. Sluiters; de Geïllustreerde Flora van Nederland van Heimans, Heinsius en Thijsse kreeg ik met een Sinterklaas cadeau. Ik was gebiologeerd door wat overal leeft en groeit en verslond er boeken over. Ik denk dat ik alle vogels kon opnoemen die ooit in België waren gesignaleerd, met hun wetenschappelijke naam. Ik was ongetwijfeld een “nerd”, om een term te gebruiken die toen nog niet bestond aan deze kant van de Atlantische Oceaan: van voetbal kende ik niets en de in die tijd volop opbloeiende popcultuur ging haast compleet aan mij voorbij; de verscheurende keuze tussen Beatles en Stones heb ik nooit gekend, ze waren allebei op de achtergrond aanwezig maar geen van de twee behoorde echt tot mijn leefwereld. Kamsalamanders, rugstreeppadden en levendbarende hagedissen interesseerden me oneindig veel meer. Evenals de Kretenzers, de Etrusken, de stichters van het oude Mykene en Indianen. En vogels natuurlijk, zowel de bruinkopgorzen, rijstvogels en bandvinkjes waarmee ik in de volière die mijn pa had getimmerd probeerde te kweken, zonder enig succes overigens, als wat in het park Sorghvliedt, op Fort 8, op het Schoonselhof en in de polder zat. Van mijn veel oudere nicht Clementine kreeg ik een verrekijker, zo'n plastieken ding uit Taiwan dat je niet kon scherpstellen en waarvan de lichtsterkte verwaarloosbaar klein was. Veel hulp bij het vogels kijken had ik er niet aan. Dus ging ik sparen voor een échte verrekijker. Toen ik een jaar of veertien was, kocht ik er een van mijn opgepotte zondagsgeld. 


Mechels Broek. Foto Nora de Smet.




Al meer dan vijftig jaar kijk ik naar vogels. Als tiener trok ik met mijn spitsbroeder Henk naar de Kalmthoutse heide en vooral de Hobokense Polder, waar toen de natuur net bezig was het met vuilnis en aarde (van de graafwerken aan de Antwerpse Ring) opgehoogde voormalige boerenland te veroveren. We keken plat op onze buik liggend op de bevroren grond naar watersnippen, scholeksters, bergeenden, knobbelzwanen, zomer- en wintertalingen, krakeenden, kuifeenden en tafeleenden, witgatjes, blauwe reigers, dodaarzen en meerkoeten op de plassen. Gehurkt tussen het riet of de elzenstruiken, met onze laarzen in de modder, tuurden we naar blauwborsten, karekieten, woudaapjes, rietgorzen en ijsvogels tot we geen gevoel meer hadden in onze voeten. Er zaten zomertortels, goudvinken, graspiepers, patrijzen, tureluurs en nu en dan klapeksters in de polder, en op de nog niet begroeide stukken zandvlakte kleine plevieren. Toen Henk zijn rijbewijs had, reden we met het bestelwagentje van zijn vader, een bakker, naar de streek van Damme en naar Zeeland en Holland, waar het assortiment waargenomen vogels werd uitgebreid met grote en middelste zaagbekken, nonnetjes, ijseenden, parel-, ijs- en roodkeelduikers, zwarte zee-eenden, brilduikers, eidereenden, toppereenden, brandganzen, rotganzen, grauwe ganzen, kolganzen, rietganzen, wilde en kleine zwanen, wulpen, kluten, steenlopers, lepelaars, strandleeuweriken en ijs- en sneeuwgorzen. Ik was vooral een vogelkijker, terwijl Henk er ook heel vaak alleen op uit trok om te fotograferen. Uren aan een stuk kon hij in een schuilhut zitten tussen het riet om watervogels te verschalken, en dat resulteerde dan in knappe foto's. Soms lukte het niet en dan werden enkele filmrolletjes met een fuut genadeloos vernietigd omdat de lichtinval op het oog van de vogel niet naar wens was - een vrij dure grap in die dagen van het analoge beeld. Ik herinner me hoe Henk bijna ontplofte van frustratie toen hij vijf uur in zijn schuilhut had gezeten om een groenpootruiter te fotograferen, die hij, zo zei hij het, een paar keer bijna in beeld had gehad. Behalve met Henk of alleen, was ik ook vaak op vogeljacht met mijn kozijn Remy. Die had zijn hart verpand aan het Verdronken Land van Saeftinghe en toen ik een jaar of zeventien-achttien was, trokken wij bijna elk weekend het schor in. We reden ernaartoe met zijn grijsgroene kever, door het havengebied in aanleg op de linker Scheldeoever. Ik zag er mijn eerste steltkluten, zilver- en goudplevieren, rosse grutto's, zwarte ruiters en zowat alle Europese strandlopers. Maar toen had Remy ineens een lief en behoorde de avifauna van het Schelde-estuarium niet langer tot zijn prioriteiten. Ik ben later nog wel sporadisch in Saeftinghe geweest, maar het Verdronken Land en zijn vogels verdwenen ook grotendeels uit mijn gezichtsveld. 

Ik kijk al meer dan een halve eeuw naar de vogels. Ik ben dus een vogelspotter, een vogelkijker, een vogelaar, een birdwatcher, een birder, neem ik aan. Henk was, of is, er ook een. Net als indertijd Remy, en zo vele anderen die ik in de loop der jaren ontmoette, al of niet turend door een verrekijker of met de telelens in aanslag. Wat maakt iemand tot een birder? Als ik de verschillende vogelkijkers die mijn pad kruisten op een rijtje zet, moet ik vaststellen dat “vogels kijken” heel breed en divers kan worden ingevuld. Henk wou vogels zien, maar hij wou ze vooral kunnen fotograferen. Het moesten bovendien goede foto's zijn: die van mindere kwaliteit, ook al was het een zeldzaam beestje dat erop stond, belandden bij het vuilnis. Ik denk niet dat Henk vogels keek om iets te weten te komen over hun gedragingen. Uiteraard leverden de vele uren in de schuilhut veel kennis op over wat vogels zoal uitrichten, maar die kennis was een bijproduct: foto's, daar was het om te doen. Als de gelegenheid zich voordeed om een rariteit te fotograferen, was dat meegenomen, maar zeldzaam was niet het belangrijkste criterium. Spectaculair evenmin: Henk zei vaak dat hij veel vrouwtjeseenden in feite mooier vond dan de mannetjes - de bonte outfits van de woerden waren voor hem fotografisch minder interessant dan de eindeloos geschakeerde zwart-met-bruin-en beige camouflagepakjes van de wijfjes. Ik denk dat hij wel graag eens een sperweruil voor zijn lens had gehad, maar hij was net zo enthousiast over een perfect gekadreerde, feilloos belichte, haarscherpe steenuil op een weidepaaltje ergens in Berendrecht. Remy was een ander type vogelkijker. Hij vond het fijn een nieuwe soort te zien en in de schorren had hij altijd een fototoestel met een telelens bij zich. Maar ik heb nooit de indruk gehad dat hij bijzonder hoge eisen stelde aan zijn foto's. Als de vogel er herkenbaar op stond, was het in orde. Hij wou ook niet per se deze of gene soort gezien hebben, al herinner ik me wel de thrill die ook hij voelde als we iets bijzonders voor onze neus kregen. Maar hij was toch vooral een sociale en sportieve vogelaar; volgens mij was het hem in eerste instantie om de ambiance te doen van het wandelen door het schor, het pure fysieke plezier van in lieslaarzen gestoken te baggeren door kniediepe modder, te waden door vaak flink tegenwerk biedend stromend water in de geulen. Op een hoog punt in het schor het hoge tij opwachten en dan de duizenden grutto's of plevieren te zien overvliegen, vlak boven je hoofd, als kon je ze haast aanraken. Vóór de wandeling de obligate koffie met een witteke, achteraf een pint met de gidsen en met andere Saeftinghewandelaars, en de straffe verhalen die daarbij hoorden. De vogels waren ongetwijfeld een essentieel ingrediënt van de mélange, maar ze waren geen doel op zich. 

Mark Cocker onderscheidt in Birders: Tales of a Tribe maar liefst acht categorieën vogelaars: “scientist, ornithologist, bird-watcher, birdwatcher, birder, twitcher, dude and robin-stroker”. In vier van die groepen kan gelijk welke vogelkijker zichzelf wel onderbrengen. De andere vier liggen wat moeilijker: het zijn niet zozeer categorieën waarin je jezelf gaat willen plaatsen, het zijn er eerder waarvan je vindt dat de anderen ertoe behoren. De acht categorieën vormen een veld tussen twee polen, met aan de ene kant ongetwijfeld de robin-stroker, misschien vertaalbaar als “roodborstjesknuffelaar”. Ik denk niet dat iemand per se een robin-stroker wil zijn, hoewel iedereen met enig engagement voor vogels tot zekere hoogte tot deze groep behoort. “They are the most lukewarm in their enthusiasm,” schrijft Cocker. “Like my parents, they heap food on the bird table. They watch from the living-room window. They join the Royal Society for the Protection of Birds and, instead of a leading-edge conservation outfit, they often think they're supporting an organisation devoted to injured creatures. Despite the implied slur of sentimentality, robin-strokers are the vast bulk of decent folk without whom bird conservation would have no real teeth. We should all learn to love and stroke them fondly.” 

Aan de andere pool bevindt zich de ornithologist, of ruimer de scientist. Deze benamingen lijken voor zich te spreken. Een ornitholoog is wie op wetenschappelijke wijze vogels bestudeert: klaar als een klontje. Toch is het minder eenvoudig dan het lijkt. De ornithologie dateert in feite al uit de Oudheid: antieke auteurs als Aristoteles en Plinius schreven al over vogels. Maar eeuwen lang bestond ornithologie vooral uit het herkauwen en becommentariëren van wat de antieke auteurs hadden geschreven, vanaf de Renaissance aangevuld met anatomische studies. Van het observeren van levende vogels kwam maar weinig in huis. Niet de verrekijker was het belangrijkste instrument van de ornitholoog: dat was zijn geweer. De wetenschappelijke studie van vogels bestond in de 19de eeuw vooral uit het verzamelen van specimens: vogels werden geschoten, hun eieren werden uit het nest gehaald en uitgeblazen. “Collecting” is de titel van het hoofdstuk dat Stephen Moss aan de Victoriaanse tijd wijdt in A Bird in the Bush: A Social History of Birdwatching. In feite brak pas in het begin van de 20ste eeuw de veldornithologie door, die tak van de wetenschap waarin de observatie van levende vogels in hun natuurlijk milieu centraal staat - al hadden voorlopers als Gilbert White in de 18de eeuw en John Clare en Henry David Thoreau in de 19de al met veel geduld en scherpe blik naar vogels gekeken en geluisterd, in plaats van ze te schieten. Maar goed, ik denk dat we het er wel over kunnen eens zijn wat vandaag Cockers ornithologist is: de wetenschappelijk geschoolde, of toch minstens wetenschappelijk georiënteerde, vogelaar. Het is de vogelaar voor wie het met vogels bezig zijn niet beperkt blijft tot het vrijblijvend begluren van de vogeltafel in de tuin of het meenemen van een verrekijker op de wandeling voor het geval dat er iets te zien zou zijn. De ornitholoog springt ook niet per se in de wagen om in één ruk naar Eemshaven te rijden, omdat daar een ivoormeeuw is gesignaleerd. Niet dat deze bezigheden beneden de waardigheid zijn van de ornitholoog. Naar vogels kijken in de tuin is immers relevant: je telt bijvoorbeeld de aantallen van de verschillende soorten en zo kom je wat over de dynamiek van populaties te weten. En die ivoormeeuw in Eemshaven leert misschien iets over de zwerftochten van deze hoogarctische soort nu het pakijs tegen hoge snelheid afsmelt. Weten hoe vogels leven, wat ze doen en waarom: dat houdt de ornitholoog bezig. Kennis opdoen over vogels, en die toevoegen aan wat de wetenschap al weet. Sommigen stellen zich mogelijk de maatschappelijke relevantie van dit alles in vraag. Is in een wereld die wordt geteisterd door klimaatopwarming, toenemende ongelijkheid, racisme en de opkomst van totalitaire ideologieën en nu nog eens SARS-CoV-2 over zich heen krijgt, birdwatching geen ontoelaatbaar escapisme? Ik zou hierover een boom kunnen opzetten, maar ga dat niet doen. Laat ik me beperken tot de mededeling dat iedereen die met enige ernst en een beetje inzicht naar vogels kijkt, al jaren wist, lang voor de pers het thema oppikte en de politiek schoorvoetend volgde, dat er wat aan de hand is met het klimaat. Vogels zijn als lakmoes: ze reageren heel snel op wijzigende milieufactoren en wie met een wakkere blik naar vogels kijkt, merkt snel dat er iets loos is. Vogelaars weten ook al jaren, beter dan wie ook, hoe dramatisch het is gesteld met de populaties van bepaalde soorten. Veertig jaar geleden zag ik nog ieder jaar zomertortels, patrijzen of veldleeuweriken in de onmiddellijke omgeving van de stad Antwerpen... 

Ik beschouw mezelf als wat Mark Cocker een birdwatcher of birder tout court noemt. Geen erg fanatieke bovendien: daarvoor heb ik nog te veel andere interesses, die ook hun plaats opeisen. Ik ben niet biologisch geschoold, en heb dus niet de pretentie een ornitholoog te zijn, zelfs geen amateur. Ik koester niet de illusie ooit ook maar iets te zullen toevoegen aan het corpus van wetenschappelijke kennis over vogels. Als verwoed boekenwurm heb ik uiteraard ook wel een stapeltje ornithologische literatuur in huis, waar ik graag in grasduin om te lezen over iets wat me op dat moment boeit, en dat heeft mij mettertijd een zekere background opgeleverd die me gewoonlijk in staat stelt wat ik zie te contextualiseren. Een enkele keer heb ik wel eens gedacht iets bijzonders te hebben gezien, maar achteraf moest ik dan toch vaststellen dat het al uitvoerig beschreven stond in, zeg maar, het Handbook of the Birds of Europe, the Middle East and North Africa (in birderskringen bekend als “Cramp & Simmons” of de “BWP” – steno voor Birds of the Western Palearctic, de officiële ondertitel van het boek) of in het nog uitgebreidere, gortdroge, Handbuch der Vögel Mitteleuropas van Glutz von Blotzheim. Ik loop echter allang niet meer rond met een vogelgids in mijn jaszak en ik heb de jongste veertig jaar geen enkele waarneming meer genoteerd. Als ik ga wandelen, neem ik vaak een verrekijker mee maar heel dikwijls ook niet, omdat ik niet altijd zin heb in zo’n ding aan mijn nek. En ik heb het opgegeven te proberen een kenner te zijn van vogelgeluiden. Je hebt vogelaars die ware kraks zijn op dit vlak: ze horen onmiddellijk of de sequens van drie tonen van zonet afkomstig was van een tuinfluiter dan wel een zwartkop. Ik hoor dat, jammer maar helaas, niet. 

Wie geheid naar Eemshaven zal rijden voor een ivoormeeuw, mocht die daar zijn gesignaleerd, is de twitcher. Weinig vogelaars zullen zichzelf twitchers noemen, maar ze zullen wel van anderen zeggen dat die het zijn. Stephen Moss klaagt over “the fact that “twitcher” is now generally used – by the press and public – as a synonym for “birdwatcher”, with little regard for its actuel meaning. In fact, as the Oxford English Dictionary confirms, the word twitcher has a very specific definition: someone who spends a large proportion of their free time travelling long distances to see a rare bird.” Twitchers zijn constant op zoek naar nieuwe soorten om die te kunnen toevoegen aan hun lijst. Nu vindt iedere vogelaar het fijn om een nieuwe soort te zien. Toen ik mijn eerste wielewaal in het wild zag, ergens hoog in een populier, vond ik dat uiteraard geweldig. Maar de paar keer dat ik er een zag nà die eerste keer, was mijn voldoening even groot. En die zomer enkele jaren geleden, toen we in de Quercy, ergens tussen Cahors en Souillac, op een weg door het bos opeens een wielewaal voor onze auto zagen opduiken, die vervolgens een paar honderd meter voor ons uit is blijven vliegen, zal ik niet gauw vergeten. De zwerm bijeneters die een dag lang wat rondhing in de vallei achter het huisje dat we huurden in Ciggiano, zal me eveneens lang heugen. Ik herinner me ook nog mijn eerste klapekster, ergens einde jaren 1970 in de Hobokense Polder. Ik overdrijf niet, denk ik, als ik zeg dat mijn hart enkele slagen oversloeg. Maar bij elke klapekster die ik daarna nog heb gezien, voelde ik een gelijkaardige thrill. Dit alles maar om te zeggen: de kick van de ontmoeting met een nieuwe vogelsoort is me niet vreemd. Maar ik heb nooit naar de Vogellijn gebeld. Voor jongere lezertjes even een korte toelichting: vanaf 1979 organiseerde het tijdschrift Dutch Birding de Vogellijn. Dat was een nummer dat je kon bellen om een bandje te horen waarop het meest recente vogelnieuws stond. Zat er ergens op een Hollandse plas een afgedwaalde Stellers eidereend, dan kwam je dat op de Vogellijn te weten. 


Velduil in Uitkerkse Polder. Foto Pieter Ingelaere. 


Twitching heeft iets van een sport. Enkele jaren geleden waren mijn betere helft en ik in Noord-Wales. In onze bed-and-breakfast in Betws-y-Coed verbleef ook een gezelschap van twee mannen en twee vrouwen die de Snowdon kwamen beklimmen. Het was een verkennende beklimming, die hen moest voorbereiden op een groter project: ze wilden in een bepaald tijdsslot (ik ben vergeten hetwelk) de vier hoogste toppen van de Britse Eilanden beklimmen – de Ben Nevis, de Snowdon, de Carrauntoohil en de Scafell Pike. Ze waren niet aan hun proefstuk, want ze hadden ook al gelijkaardige prestaties geleverd op Nieuw-Zeeland en in de Andes. Twitchers doen hetzelfde met vogels. Zij nemen zich voor, bijvoorbeeld, om in één jaar 150 nieuwe soorten te zien. Sommigen halen dan ook het Guiness Book of Records. Een bekend geval is dat van de Amerikaanse vogelaarster Phoebe Snetsinger. Hoewel ze pas op haar vierendertigste vogels begon te kijken, zag ze in haar leven meer dan 8500 vogelsoorten. Ze begon te birdwatchen bij wijze van ontspanning, toen ze haar vier kleine kinderen opvoedde. Maar het vogelen kreeg een steeds belangrijker plek in haar leven en in de jaren 1970 ging ze ook op vogeltocht buiten de States. In 1981 werd ze gediagnosticeerd met terminale kanker, maar ze besloot niet bij de pakken te zitten en te blijven vogelen. In 1992 huldigde het Guiness Book of Records als “the world’s leading bird spotter”: ze had toen immers 7500 soorten op haar teller. Ze overleefde in de jaren die volgden aardbevingen, schipbreuk, nieuwe kankers en een groepsverkrachting, maar niets kon haar stoppen. Haar huwelijk liep bijna spaak, maar zij bleef overeind. In november 1999 verongelukte echter de minibus waarmee ze door Madagascar toerde. Alle inzittenden kwamen ervan af met lichte verwondingen, maar Phoebe, die op de achterbank had liggen slapen, overleefde de crash niet. ‘s Ochtends had ze nog een nieuwe soort aan haar lijstje toegevoegd, de pas in 1997 wetenschappelijk beschreven roodschoudervanga (Calicalicus rufocarpalis GOODMAN, HAWKINS & DOMERGUE).

Je kan twitchers ook vergelijken met verzamelaars. Verzamelen is altijd al een essentieel aspect geweest van het bezig zijn met vogels. Vroege ornithologen bestudeerden vogels met behulp van een geweer: ze verzamelden specimens die dan aan collecties van balgen of opgezette dieren werden toegevoegd. Die gecollectioneerde vogels waren wetenschappelijk niet zonder belang: ze stelden de wetenschappers in staat de dieren aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen en zo de morfologie en de anatomie, die zeker voor vroegere zoölogen de fundamenten waren van de taxonomie, in detail in kaart te brengen. Twitchers verzamelen ook, maar knallen de vogels niet langer af. Ze trekken niet naar Zuid-Amerika om daar zeldzame ara's neer te leggen, maar gewoon om ze te zien en aan hun lijstje toe te voegen. Maar er zijn verzamelaars en verzamelaars. Sommige boekenliefhebbers verzamelen boeken over onderwerpen die hen bijzonder boeien, of van auteurs die ze graag lezen. Daar kan al eens een mooi uitgegeven editie bijzitten, of een wat zeldzamere oude druk. Maar die aspecten zijn niet de drijfveer tot het verzamelen: dat blijft de inhoud van de boeken. Andere boekenmensen zijn belust op het rare, het uitzonderlijke. Zij zijn niet zozeer geïnteresseerd in (ik verzin hier maar wat) Le Grand Meaulnes van Alain-Fournier, nee: zij willen een exemplaar van de clandestiene tweede druk met een zetfout op de elfde regel van bladzijde 87. Zo zijn er ook twitchers, die niet zozeer zo veel mogelijk soorten willen zien, maar vooral ook kicken op uitzonderlijke soorten. Een bijeneter zal hen eerder koud laten, zij krijgen liever, bijvoorbeeld, een golden-winged warbler voor hun kijker, een uiterst zeldzame dwaalgast uit Noord-Amerika, die in februari 1989 voor het eerst aan deze kant van de Atlantische Oceaan werd waargenomen. 

De winter is voor mij het vogelseizoen bij uitstek. In normale jaren rijden mijn liefste en ik dan een paar keer naar Zeeland, Holland en de Vlaamse zeepolders, om er naar de overwinterende eenden, ganzen en steltlopers te kijken. Covid-19 maakt tripjes naar Nederland deze winter onmogelijk, dus blijven we dichter bij huis. Het Mechels Broek is een fijne plek om eenden en ganzen te zien en inderdaad, enkele dagen geleden zagen we er een resem eenden en ganzen – wilde eend, krakeend, pijlstaart, wintertaling, smient, kuifeend, bergeend, nijlgans, grauwe gans, brandgans en Canadese gans – aalscholvers, ooievaars en blauwe reigers. Een week eerder ging het richting Damme en Uitkerkse Polder. In de buurt van Damme zaten er in de weilanden grauwe ganzen, rietganzen en brandganzen. In de Uitkerkse Polder zag je die ook, maar een vogelfotograaf die we op onze wandeling ontmoetten, maakte ons onmiddellijk duidelijk dat er nog iets anders te zien moest zijn. Met een kanon van een telelens onder de arm en een statief op de schouder, stapte hij resoluut ergens naar toe – het was zonneklaar dat hij niet zo’n beetje rondstruinde om een geschikt plekje te vinden: hij wist precies waar hij zijn moest. Na een paar honderd meter zagen we enkele tientallen mannen en vrouwen met verrekijkers, telescopen en telelenzen in de weer, die keken naar iets dat zich achter een met riet omgeven waterloop bevond. Ik heb dergelijke samenscholingen altijd wat grappig gevonden: tientallen enorme vogelkanonnen, een fortuin aan objectieven, gericht op een vogel die zich gewoonlijk op zo’n afstand bevindt dat je hem met een gewone 8x42 kijker nauwelijks kan onderscheiden. Deze keer bleek het om een velduil te gaan. Een velduil is natuurlijk bijzonder. Ik heb er in de loop der jaren wel enkele gezien, zelfs in de Hobokense Polder, maar hij blijft een zeldzaamheid. Met zijn kleine kop en zijn heel lange en voor een uil slanke vleugels doet hij in de vlucht eerder aan een dagroofvogel dan aan een uil denken, en bovendien is hij overdag actief. Hij vloog een paar keer op en vloog dan wat cirkels, scherend over het riet en nu en dan ertussen verdwijnend, en wanneer hij frontaal in beeld kwam, vielen de zwartomrande felgele ogen zelfs van op afstand op. Na enkele demonstratievluchten wiekte hij hoger en vloog een paar honderd meter, tot hij uit mijn gezichtsveld verdween. Niet alleen uit het mijne: een twintigtal anderen begonnen hun alaam in te pakken om het weer naar hun geparkeerde wagens te versjouwen. 


Velduil.


Deze voormiddag gingen we wandelen in Blommerschot, op de grens van Wechelderzande en Oostmalle. In die buurt wandelen we al jaren. Mooi is, dat we er in de loop van meer dan dertig jaar wel wat evolutie hebben gezien – een aantal van de prachtige oude beuken die er groeien hebben intussen de geest gegeven, sommige werden gekapt, hier en daar kwam nieuwe aanplant – maar dat het gemeentebestuur van Malle noch dat van Lille (waartoe Wechelderzande behoort) het nodig vonden om het gebied op te leuken met nieuwe paden, lantaarns, zitbanken of wat dan ook. Alleen lijken de mountainbikers ook dit gebied te hebben ontdekt, met als gevolg dat de bospaden zijn kapotgereden tot een blubberige brij. Maar men heeft het nog niet nodig gevonden middels de aanleg van knuppelpaden de wandelaars te vrijwaren van het fenomeen slijk. Houden zo, denk ik dan. Gewoonlijk neem ik naar Blommerschot geen verrekijker mee. Maar nu had ik er wel een bij me. En kijk, hij kwam van pas. Want al ben ik geen groot kenner van vogelgeluiden, een boomklever herken ik direct. En omdat ik een kijker had, kon ik hem ook een tijdje gadeslaan, op en neer rennend tegen de stam van een zomereik, heel hoog, het blauwgrijs van de rug in het winterse zonlicht mooi contrasterend met het zalmroze van de onderkant, de zwarte oogstreep duidelijk zichtbaar. Het was even geleden dat ik nog een boomklever had gezien, dus dat zat snor. Het hoeven niet altijd klapeksters of wielewalen te zijn. Of velduilen. Of roodschoudervanga’s. 

 (c) Clement Caremans 2021


Boomklever.

zondag 2 februari 2020

Berenscheten, bosmarmotten en pannenkoeken










Phil, de voorspellende bosmarmot van Punxsutawney


 Berenscheten, bosmarmotten en pannenkoeken  




In Groundhog Day, een komedie uit 1993 met in de hoofdrollen Bill Murray en Andie MacDowell, wordt de chagrijnige, cynische weerman Phil Connors door de redactie van zijn tv-zender naar het boerengat Punxsutawney in Pennsylvania gestuurd om er een reportage te maken over Groundhog Day, een folkloristisch gebeuren dat hij hartsgrondig verfoeit. Die dag, 2 februari, staat in Punxsutawney in het teken van de bosmarmot (groundhog), die voorspelt of de winter ten einde is of nog even duren zal. Heel het gehucht is verzameld rond het hol van marmot Phil: als ze uit haar hol komt terwijl het zonnig is en ze ziet haar eigen schaduw, blijft het nog even winteren; is het echter bewolkt op het moment suprême en is er geen schaduw te bespeuren, is de winter ten einde. 
In de film komt weerman Phil in een tijdslus terecht, waardoor hij Groundhog Day telkens weer herbeleeft, elke dag opnieuw. Hij zit gevangen in de kerker van zijn kille cynisme, en zal pas uit die hoogst persoonlijke winter kunnen losbreken als zijn mentaliteit verandert. Hetgeen uiteraard gebeurt: nadat Phil heeft geprobeerd de zinloosheid van de zich steeds herhalende dag te doorbreken met enkele knettergekke zelfmoordpogingen, begint hij zich het lot van de mensen in zijn omgeving oprecht aan te trekken, wordt hij creatief en wint hij tenslotte het hart van de knappe tv-producente Rita, die tevoren volstrekt niet in hem geïnteresseerd was. Het slot van de film is evident: boy gets girl en ook voor Phil Connors eindigt de eeuwige winter.
Groundhog Day bestaat ook buiten de film: in grote delen van de Verenigde Staten en Canada, waar de bosmarmot voorkomt, wordt het ontwaken van het beest feestelijk gevierd op 2 februari.

Volgens de katholieke feestkalender is het op 2 februari Lichtmis, alias het Feest van de Opdracht van Jezus in de Tempel én het Feest van de Zuivering van Maria. Het joodse gebruik schreef voor dat een jongen in de Tempel werd gepresenteerd, terwijl een vrouw die een zoon had gebaard pas na veertig dagen weer het heiligdom mocht betreden om er te worden gezuiverd (na de geboorte van een meisje duurde dat tachtig dagen). Dus trokken Jozef en Maria met het busselkind Jezus naar de Tempel om de rituele verplichtingen te voltrekken; ze hadden ook een koppeltje duiven bij zich om dat aan God te offeren.

Vandaag is Lichtmis als viering zo goed als onbekend, al kennen sommigen onder ons het nog als de dag waarop pannenkoeken worden gebakken. Die pannenkoeken waren ooit obligaat: “op Lichtmis is geen wijfke zo arm of ze maakt haar panneke warm”, zei een volks gezegde wat dubbelzinnig, want met een erotische ondertoon. En één van de populaire namen voor het feest, dat met zijn volledige naam Maria-Lichtmis of Onze-Lieve-Vrouw-Lichtmis heet, was Onze-Lieve-Vrouw-schudt-de-pan. Waar de koeken vandaan komen is niet duidelijk. Je leest soms dat ze met hun gouden kleur en ronde vorm refereren aan de sterker wordende zon die de lente zal brengen, maar dat is wellicht nonsens. Ook is wel geopperd dat ze de voortzetting zijn van de mola salsa, koeken die in het oude Rome ter gelegenheid van de Lupercalia werden geprepareerd door de Vestaalse Maagden. Nog een andere verklaring zoekt het in de sociale en economische realiteit van ons agrarische verleden. Met Lichtmis zou men de laatste wintervoorraden van bloem, eieren en boter hebben weggewerkt door koeken te bakken. Of ook nog: op het einde van de winter maakten nieuwe meiden en knechten hun opwachting op de boerderijen. Ze werden verwelkomd met pannenkoeken. En misschien was het wel een combinatie van de twee.
In feite weten we het niet.

Lichtmis werd in Engeland ook wel aangeduid als Wives' Feast-Day en in Duitsland als Frauentag. Weibermonat noemde men, zeker tot de 19de eeuw, de maand februari in de Duitse graafschappen Westfalen en Mark: “vrouwenmaand”. Dat is, zegt het Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens van Bächtold-Stäubli en Hoffmann-Krayer, niet alleen omwille van de Frauentag Lichtmis, maar omdat héél februari allerlei gebruiken kende die de vrouwen bijzondere voorrechten en vrijheden verleenden, zoals dansfeesten waarop de mannen niet waren toegelaten. Een aantal 19de- en vroeg-20ste-eeuwse Duitse folkloristen meende hierin de sporen te kunnen zien van een oud Germaans vruchtbaarheids- en dodenfeest. In het potjeslatijn van de 8ste-eeuwse Indiculus superstitionum et paganarium wordt deze viering nog vermeld als Spurcalia, een feest dat op zijn beurt zijn naam zou hebben gekregen van een aardgodin Spurke of Spurka. Deze Spurka zou nog verder leven in de Spörkelfrau, een aan Vrouw Holle herinnerende figuur uit de overlevering van het Rijngebied. “In het Westerwald wordt de naam gegeven aan degene, die de laatste is bij het bezoeken van een kraamvrouw en in de omgeving van Bonn wordt de laatste in de rij bij een offergang zo genoemd”, schrijft Farwerck in Noordeuropese mysteriën en hun sporen tot heden. Ook de alternatieve naam van de maand februari, sprokkelmaand (Duits Sporkel-, Spürkel-, of Spirkelmonat), zou met de spurcalia en Spurka kunnen te maken hebben. Dit alles is natuurlijk puur giswerk, waarvoor geen enkel feitelijk bewijs voorhanden is. Wat niet belet dat sommige hedendaagse heidenen Spurka gretig adopteren en er een avatar in herkennen van de Grote Godin die ooit, vóór de komst van de patriarchale Indo-europeanen, door de matriarchale volkeren van het oude agrarische Europa werd aanbeden. Nu is het erg twijfelachtig dat die matriarchale beschaving van de Godin ooit méér is geweest dan een romantische projectie, maar anderzijds is het sterk vrouwelijke karakter van februari onmiskenbaar. Zo telt de heiligenkalender van de maand opvallend veel vrouwelijke heiligen. Het Handwörterbuch noemt Brigitta (1 februari), Maria (2), Anna-Maria (3), Veronica (4), Agatha (5), Dorothea (6), Apollonia (9), Scholastica (10), Euphrosine (11), Eulalia (12), Catharina (13), Juliana (16), Mariamna (17), Eleonora en Irene (21), Margareta van Cortona (22) en Walburga (25). Stijn van der Linden voegt er daar in zijn naslagwerk De heiligen nog een stuk of wat bij en noemt in totaal 35 heilige dames die in februari hun feestdag of minstens naamdag hebben. Voor een maand van 28 dagen is dat niet mis. Bovendien gaat het vaak om heiligen met een specifiek vrouwelijke actieradius: Veronica wordt aangeroepen bij bloedvloeiingen en menstruatieklachten, Agatha helpt bij de meest uiteenlopende borstkwalen (van tepelkloven tot borstkanker), Dorothea en Juliana zorgen voor een voorspoedige bevalling, Eulalia en Walburga zijn patrones van de kraamvrouwen. En bij Brigitta vinden (onder meer) kraamvrouwen, vroedvrouwen, borelingen, melkboeren, melkmeisjes, koeien (!), zieke en buitenechtelijke kinderen én genezers soelaas en bescherming.

Lichtmis kwam op de feestkalender toen Gelasius I het installeerde ter vervanging van de Lupercalia. Dat Romeinse feest vond plaats op 15 februari en je leest links en rechts ook wel dat het aan de basis ligt van Carnaval of ook wel van Valentijnsdag.
De Lupercalia lijken een nogal composiete aangelegenheid te zijn geweest. Het scenario ging ongeveer als volgt. Bij de Lupercal, de grot aan de voet van de Palatijn waar volgens de legende een wolvin de tweelingen Romulus en Remus, de grondleggers van Rome, had gezoogd, offerden priesters geiten en een hond. De priesters behoorden tot twee colleges, de Luperci Fabiani (of Fabii) en de Luperci Quinctiales (of Quintilii); het eerste was volgens de overlevering door Remus gesticht, het andere door Romulus. Behalve de twee dieren, werden ook de mola salsa geofferd, de al genoemde gewijde koeken van de Vestaalse Maagden. Enkele priesters smeerden bloed van het offermes op het voorhoofd van twee knapen uit vooraanstaande families; andere Luperci veegden het bloed weer weg met in melk gedrenkte wol, waarop de jongens in lachen moesten uitbarsten. De geitenhuiden werden in repen gesneden die de voor de rest poedelnaakte Luperci als gordel of lendendoek omhingen; vervolgens renden ze omheen de Palatijn en mepten ze met de repen geitenhuid naar de omstaanders, vooral naar de vrouwen. Uit wat de klassieke auteurs – Ovidius, Dionusios van Halikarnassos, Ploutarchos, Cicero, Varro – erover vertellen, heeft men wel gedacht te kunnen concluderen dat ook zij nog nauwelijks wisten waarover dit alles ging. Maar evengoed kan de relatieve beknoptheid van de antieke bronnen betekenen dat men juist héél vertrouwd was met de Lupercalia, zodat het niet nodig werd gevonden er veel woorden aan vuil te maken. Het feest heeft ook heel lang bestaan: het zou teruggaan tot de tijd van Romulus en Remus en hield stand tot 494 CE, het jaar waarin paus Gelasius I het verbood en verving door de viering van de Zuivering van Maria, beter bekend als Maria-Lichtmis.

Andrea Camassei, Feest van de Lupercalia


Wat de naam Lupercalia betekent, weten we niet. Hij is zeker niet afgeleid van de god Lupercus, want die werd pas in de tijd van Augustus geïntroduceerd; de god van de Lupercalia was volgens de antieke bronnen Faunus. Een populaire etymologie brengt Lupercalia en luperci in verband met de combinatie lupus, “wolf” en arcere, “afweren”, wat niet eens zo vergezocht is: een volk van boeren en herders als de vroege Latijnen zal wolven wel liefst op een veilige afstand hebben gezien. De moeilijkheid is wel, dat Rome iets had met wolven: Romulus en Remus waren immers door een wolvin gezoogd. In dit licht, is een positieve afleiding van bijvoorbeeld een grondvorm *lupo-sequos (“wie de wolf volgt”) mogelijk waarschijnlijker (J. Gruber). Voorts heeft men wel gedacht (Jérôme Carcopino) aan een combinatie van lupus en hircus (“geit”), terwijl ook is geopperd dat de naam hoegenaamd niets met wolven van doen heeft, maar met het werkwoord luere, “reinigen”. Luere per capram, dus “zuiveren middels een geit”, zou dan de oorsprong zijn. Kortom: we weten het niet.
Ook de betekenis of de functie van het ritueel is verre van duidelijk: er lijken zowel elementen van een vruchtbaarheids- als van een zuiveringsritueel in te zitten, met erbovenop nog afweringsmagie tegen kwade krachten.
Vruchtbaarheid of zuivering? Voor beide valt wel iets te zeggen, zeker in het licht van wat we weten (of niet echt weten, maar kunnen gissen) over de maand februari bij de Romeinen.

Aanvankelijk kwam februari in de Romeinse kalender niet voor, maar in de zogenaamde republikeinse kalender, waarin nieuwjaar op 1 maart viel, was ze de 12de en dus laatste maand van het jaar. De maanden Martius, Maius, Quinctilis en October telden elk 31 dagen, de rest telde er 29 en Februarius 28. Dat leverde een jaar op van 355 dagen, dat dus flink afweek van het echte zonnejaar en regelmatige bijsturing nodig had. Daarvoor zorgden de pontifices, de priesters, die februari nu en dan afbraken na de 23ste of de 24ste dag en er een extra maand, een mensis intercalarius, van 27 dagen tegenaan plakten, wat in een jaar van 377 of 378 dagen resulteerde. Het Romeinse februari was dus een bijzondere maand: ze zuiverde het jaar aan.
Het was ook de maand waarin zich allerlei feesten voordeden die met zuivering te maken hadden. De naam februarius is trouwens afgeleid van februus, wat zuivering betekent.
Het verband tussen februari en zuivering kwam ook in de Keltische wereld voor. De archaïsche Ieren hadden begin februari het feest Imbolc of Oimelc. Van de vier grote Ierse seizoensfeesten die Tochmarc Emire, het 10de-eeuwse verhaal van Cuchulainns vrijage met de mooie Emer, opsomt (de andere drie zijn Samain, Lughnasad en Beltane) is Imbolc waarschijnlijk het minst bekende. In feite weten we er zo goed als niks over. De etymologie is duister, met het gevolg dat ze tot enkele hypothesen heeft geleid waarvan er geen echt voldoet.
O'Maille leidt imbolc af van *imb-bolg, waarbij bolg een zak is, een balg, waarin de opbrengst van het land wordt bewaard. Imbolc zou dus een vruchtbaarheidsfeest zijn. Pamela Berger zoekt het in The Goddess Obscured in dezelfde richting. Ook voor haar gaat het om vruchtbaarheid, maar zij interpreteert bolg als de buik van de zwangere Moeder Aarde. Eric Hamp leest imbolc / oimelc als een afleiding van *owis, “schaap” en *molgo- “melken”: Imbolc is voor hem een herdersfeest, dat het tijdstip viert waarop de ooien melk beginnen de geven. Voor Joseph Vendryes gaat het om *imb-, “rond” en *folc-, “wassen, baden, reinigen”. Imbolc zou dan niet zozeer met vruchtbaarheid – in het algemeen of van de veestapel in het bijzonder – te maken hebben, maar veeleer een feest van reiniging en zuivering zijn.

Imbolc werd gevierd op 1 februari en geassocieerd met de godin Brigit. Na de kerstening werd dat in Ierland de naamdag van de heilige Brigitta. Brigitta was de beeldschone dochter van de koning van het Ierse Leinster. Ze was christen en wou maagd blijven; daarom bad ze dat ze lelijk zou worden om aan een huwelijk te ontsnappen. Dat lukte: ze bleef maagd, werd weer even mooi als tevoren en stichtte het eerste klooster van Ierland te Kildare. Zij werd zo de patrones van Ierland, de Mary of the Gael, en uit de wonderlijke handelingen die haar door haar biograaf Cogitosus worden toegedicht, blijkt duidelijk dat die haar minstens ten dele identificeerde met de voorchristelijke Ierse godin Brigit. Deze godin Brigit was een dochter van de Ierse oppergod, de Dagdha. Als wel meer Keltische vrouwelijke godheden was ze zowel een individuele als een drievoudige figuur (er waren dus in feite drie Brigits). Haar naam betekent zoiets als “de hoge” of “de verhevene” en haar functies zijn veelvuldig: ze was patrones van de dichtkunst, de smeden, de ververs, de wevers, de brouwers, de zieners en de helers. Ze was beschermster van de kraamvrouwen en werd voorts geassocieerd met de vruchtbaarheid van de veestapel. Dus ook hier is er weer een expliciete verwijzing naar traditioneel met vrouwen geassocieerde begrippen.

In het oude Europa was 2 februari volgens de Franse etnoloog Claude Gaignebet (Le carnaval) een belangrijke datum in een archaïsche kalender waarvan tot vandaag sporen zijn terug te vinden in de onze. Die oude kalender was geheel opgebouwd uit perioden van telkens veertig dagen; deze veertig dagen verwijzen naar een lunair systeem van tijdsindeling: het is de duur van anderhalve maancyclus. Gaignebet heeft het over de “carnavaleske kalender”, omdat de periode van de Vasten, de veertigdagentijd die begint met Carnaval en eindigt met Pasen, een overduidelijk relict is van deze oude tijdsindeling. Andere sporen van de carnavaleske kalender zijn nog her en der weer te vinden in volksoverleveringen, de christelijke heiligenkalender en de oude Ierse kalender.

Aino met beer


Centraal in deze tijdrekening staat de beer, die ooit in heel Europa voorkwam en omwille van zijn menselijk aandoende lichaamshouding werd beschouwd als de wildere tweelingbroer van de mens. Tot in een heel recent verleden speelde de beer bij de Giljaken, de Ketten en andere volkeren van Siberië, bij de Aino van Hokkaido, Sachalin en de Koerilen en bij diverse Noord-Amerikaanse eerste naties een essentiële rol in het religieuze leven. De Aino vangen een berenjong, brengen het op als een mensenkind – het krijgt zelfs de borst – en als het twee jaar is, wordt het tijdens een feestelijk ritueel vastgebonden, met pijlen gedood en opgegeten. Iyomante wordt deze ceremonie genoemd, wat “iemand wegsturen” betekent: de beer wordt naar de goden gestuurd, hij is de boodschapper tussen de wereld van de mensen en die van de goden. Ook in Europa was de beer ooit een heilig dier, met het gevolg dat in sommige culturen zijn naam niet mocht worden uitgesproken en men dan maar gebruik maakte van een eufemisme om hem te benoemen. Beer betekent oorspronkelijk “de bruine”, en zowat alle Germaanse talen noemen de beer naar zijn kleur: Nederlands beer, Engels bear, Duits Bär, Zweeds björn; in het Middel-Nederlandse dierenverhaal Vanden Vos Reynaerde heet hij Bruin. Bij de Slaven is hij de “honingeter”, bijvoorbeeld medved' in het Russisch en niedzwiedz in het Pools. En voor de Balten is hij lokys in het Litouws en lacis in het Lets, “de likker”, wat misschien eveneens verwijst naar het eten van honing, maar mogelijk ook verband houdt met het oeroude geloof dat een berin haar jongen dood en vormeloos ter wereld brengt en ze leven en vorm geeft door ze te likken. Waar wél de naam van het dier mocht worden gebruikt, zoals bij de Kelten en de Grieken, zijn er toch goddelijke of koninklijke connotaties: er was een Gallische berengodin Artio, de naam van koning Arthur, de Rex Quondam Rexque Futurus, kan hoogst waarschijnlijk worden afgeleid van naam van de beer, arth in het Welsh en art in het Iers, en in de oude Griekse godin van de jacht en het wilde leven Artemis horen we arktos doorklinken. Die Keltische en Griekse berennamen zijn geen latere eufemismen, maar voeren ons rechtstreeks terug naar een (uiteraard gereconstrueerde en hypothetische) Proto-Indo-Europese grondvorm *h₂ŕ̥tḱos, een woord dat waarschijnlijk zoiets als “vernieler” betekende en in diverse latere Indo-Europese talen verwante woorden opleverde: Hettitisch ḫar-tág-ga-aš, Sanskriet rákṣas, Avestisch rašah, Latijn ursus. Eeuwenlang was de beer de koning der dieren, tot een flink stuk in de Middeleeuwen de leeuw deze rol overnam. Het wapenschild van de Vlaamse graven toonde oorspronkelijk geen leeuw, maar een beer; het Brugse stadswapen echoot deze oude situatie nog door leeuw én beer te tonen als schilddragers. De beer stond niet alleen voor koninklijke waardigheid maar ook voor moed en kracht: in Scandinavië hulden krijgers zich in berenhuiden om zo één te worden met het wezen van de beer en onverschrokken en onoverwinnelijk te zijn in de strijd. Berserkir heetten ze, en in het Engels betekent het adjectief berserk "woest", "uitzinnig". De Wildeman, een belangrijke figuur in de literatuur, de beeldende kunst en de folklore van de Europese Middeleeuwen, was mogelijk ooit een beer. Nogal wat Europese sprookjes en volksverhalen voeren mensenkinderen op die terecht komen bij beren, zoals Goudlokje, kinderen die van een mens en een beer afstammen, zoals de Franse Jean de l’Ours, kinderen die als een beer leven, zoals Oerson in het verhaal van Oerson en Valentijn, of meisjes met beerachtige geliefden, zoals in Madame Leprince de Beaumonts La Belle et la Bête (in de film van Jean Cocteau is het Beest eerder een leeuw en bij Disney zelfs een soort bizon, maar het origineel was ongetwijfeld een beer).


De berenscheet, zoals voorgesteld in Olaus Magnus' Historia de gentibus septentrionalibus


Beren houden, net als de Noord-Amerikaanse bosmarmot waarover ik het daarstraks had, een winterslaap. En volgens een eeuwenoude, in heel Europa verbreide volksopvatting, verlaat de beer met Lichtmis of met Sint-Blasius (een dag later) zijn winterleger om poolshoogte te nemen, precies zoals de groundhog dat doet volgens de inwoners van Punxsutawney. Een essentieel aspect van het verlaten van zijn winterleger, is de pet de l’ours, de “berenscheet”. Want als de beer vindt dat het lang genoeg heeft gewinterd en de tijd gekomen is voor het vrije bestaan van het warme seizoen, gaat hij op zoek naar wilde vruchten en slaat hij er daarvan zoveel naar binnen, dat zijn spijsvertering aan hoog tempo begint te werken en hij met een knal de stop naar buiten jaagt die zich tijdens de winterslaap in zijn darmen had gevormd. Met die knallende scheet luidt de beer de lente in. Vindt hij het daarentegen nog te koud, kruipt hij weer in zijn hol en duurt de winter nog veertig dagen. Zo’n veertig dagen vóór Lichtmis is het Kerstmis, het moment van de winterzonnewende, en nog eens veertig daarvoor is het Sint-Maarten, de dag waarop volgens de traditie de beer aan zijn winterslaap begint. In de Ierse kalender vinden we, zoals gezegd, op 1 februari het feest Imbolc, dat dus veertig dagen na de winterzonnewende werd gevierd. De drie andere grote seizoensfeesten van het Ierse jaar vielen ook telkens veertig dagen na een solstitium of equinox: Lughnasadh (1 augustus) veertig dagen na de zomerzonnewende, Beltane en Samain elk veertig dagen na de herfst- resp. de lente-evening. 

Alle zonet genoemde tijdstippen vinden we ook min of meer terug in de christelijke heiligenkalender:
- Allerheiligen (1 november) of Sint-Maarten (11 november)
- Kerstmis (25 december) tot Epifanie (6 december)
- Lichtmis (2 februari), Sint-Blasius (3 februari)
- Carnaval en Aswoensdag (veertig dagen voor Pasen)
- Pasen
- Ons-Heer-Hemelvaart (veertig dagen na Pasen)
- Sint-Jan (24 juni)
- Sinte-Pieter (1 augustus)
- Sint-Michiel (29 september).

De carnavaleske religie die aan de veertigdagenkalender ten grondslag ligt, gaat volgens Gaignebet zeer ver terug in de tijd, mogelijk tot het Paleolithicum. De beer speelde een prominente rol in het leven van de ijstijdmens: beide waren ecologische concurrenten, die op hetzelfde voedsel aasden en dezelfde schuilplaatsen opzochten. Mogelijk werd de beer vereerd als de meester van het wild die de seizoenen ritmeerde. Paleolithische grotschilderingen beelden beren af, en beenderen van beren die in grotten worden gevonden, liggen vaak in een patroon waarvan diverse archeologen en paleontologen veronderstellen dat het het resultaat is van menselijk ingrijpen. Werden de beren begraven, zoals mensen? Werden, zoals bij de Aino en de Giljaken, beren door mensen geadopteerd en grootgebracht? Verbindt een traditie van duizenden jaren een berencultus uit de oude steentijd over de berenobsessie van de Germanen en de Kelten heen met de berenmaskers die tot vandaag worden gedragen ter gelegenheid van de diverse carnavaleske maskerades in de loop van het jaar (Carnaval, Allerheiligen, midwinter…), ook in gebieden waar Ursus arctos al vele eeuwen is verdwenen? Het is een fascinerende gedachte, ook al is er geen enkel feitelijk bewijs voor. En ook al hebben in berenloze regio's vaak andere dieren de rol van de beer als meester van de seizoenen overgenomen: in Duitsland de eveneens winterslapende das en in het oosten van de Verenigde Staten, waar zowel beer als das ontbreken, Phil de bosmarmot.


Clement Caremans (c) 2020