woensdag 4 februari 2026

Dingenliefde

 



Dingenliefde

 

 

Kan je van dingen houden?
Houden van, beminnen, liefhebben: het is iets wat we gewoonlijk associëren met mensen. De ene mens bemint een andere. Dat kan een partner zijn, of een ouder, een kind, een vriend. Vaak is er sprake van wederkerigheid, althans dat is meestal toch de bedoeling: ik bemin en word op mijn beurt bemind. Eenrichtingsliefde bestaat ook, maar die krijgt al gauw iets ongezonds. Eenrichtingsliefde inspireert wel eens tot kunst, denk aan de hoofse minnelyriek, maar in het leven van alledag is ze vooral een beetje zielig. Liefde kan ongetwijfeld ook worden uitgebreid tot dat deel van de niet-menselijke wereld dat we “bezield” noemen. Liefde voor dieren, bijvoorbeeld. Ook die verloopt volgens velen slechts in een enkele richting, maar de baasjes van Minou of Bonzo zullen dat met klem ontkennen: ze zijn ervan overtuigd dat de hond of de kat die ze graag zien, ook om hen geeft. Of het hier gaat om projectie dan wel of er echt sprake is van iets als liefde of affectie uitgaand van het dier, blijft voorlopig een onbeantwoorde vraag. Ethologisch onderzoek lijkt echter aan te tonen dat Minou of Bonzo wel degelijk iets als genegenheid kunnen voelen voor zowel hun soortgenoten als hun baasjes. Ook op het vlak van het beminnen is Homo sapiens waarschijnlijk geen unicum.

Maar liefde voor dingen, hoe zit het daar mee?
“Dingen” is natuurlijk een erg breed begrip. Je hebt voorwerpen, objecten, wat je kan vastpakken – een vaas, een boek, een bromfiets, de eerste definitie die Van Dale geeft voor het begrip “ding”. Maar natuurlijk zijn er ook abstracta, zoals, zeg maar, wereldvrede, of rechtvaardigheid. En natuurverschijnselen. Denk aan sneeuw, of bosgrond, of een zonsondergang. Van al die dingen kan je houden: ik hou bijvoorbeeld van boeken, van sneeuw, en ook wel van rechtvaardigheid. “Houden van” betekent in deze gevallen natuurlijk niet overal exact hetzelfde: als ik zeg van koffie te houden, of van winterse wandelingen, of van de strijkkwartetten van Ludwig van Beethoven, dekt het gebezigde werkwoord toch telkens een ietwat andere semantische lading. En er zijn zelfs mensen die van het vaderland, het eigen volk, of, jawel, God houden, maar daarover wil ik het niet hebben: dit alles gaat mijn begripsvermogen te boven. Onmiskenbaar is wel, dat “houden van” in al deze gevallen iets anders betekent als wanneer je het hebt over de liefde voor je vrouw, je kind of zelfs je hond. Maar au fond betekent het dat je iets – een mens, een object, een principe, een fenomeen – zo hoog inschat, dat je het nodig hebt om je goed te voelen. Iets waarvan je houdt, maakt je leven beter, zinvoller. In veel gevallen betekent het zelfs, dat je niet zonder kan. 









Mijn betere helft Nora houdt van dingen. Ze houdt ervan, ze bewaart ze en ze omringt zich ermee. Onze woonst staat, ligt en hangt vol met allerlei objecten die zij in de loop der jaren heeft bijeengebracht, verzameld. Dat zijn niet alleen kunststukken en siervoorwerpen als tekeningen, schilderijen, posturen, kandelaars, vazen, schalen en schotels, maar ook koffie-, thee- en suikerpotten, melkkannetjes, tot volledige serviezen, vooral van Belgische of Britse origine (veel Royal Boch en Gaudy Welsh). Voorts stenen, tegels, gedroogde bloemen en stukken hout, bij voorkeur met patronen erin uitgevreten door letterzettertjes of andere kevers. Kevers heeft ze trouwens ook, evenals glazen stolpen met vogelnestjes, konijnen- en vogelschedeltjes, schelpen, schildpadden. Her en der staan opgezette vogels – een kerkuil, een jan van gent, een ransuil, een buizerd, een wilde eend, een ekster, een fazant, en in onze diepvriezer moeten nog wat dode vogels zitten, ooit tijdens wandelingen opgeraapt en mee naar het hol gesleept en bewaard met het oog op taxidermische verwerking. Een aantal glazen stolpen beschermt pluimen, de meeste ook de oogst van wandelingen. In enkele van haar doosjes – ze heeft ook een collectie doosjes – zitten snorharen van onze poezen, zwarte van Tommie, Pollie en Miemans, witte van Fritz, eveneens witte maar heel lange en een beetje gekrulde van Bonzo, grijswitte van Jerom. Op een schap van een rek ligt een paardenschedel, en links en rechts staan, meestal tussen de boeken, vogelkooitjes. Mijn betere helft is graag omringd door al die dingen, waarvan er enkele financieel iets waard zijn, maar de meeste vooral werden meegesleept omdat ze mooi zijn of een verhaal vertellen, soms omdat er een herinnering aan vastzit. 






Ikzelf vind al die dingen waarmee Nora ons huis heeft gevuld best in orde. Ik sleep zelf weinig hebbedingen aan maar vind het fijn erdoor omringd te zijn. Dat wil niet zeggen dat ik geen voorwerpen bewaar: ik kan heel moeilijk iets wegdoen en heb nog altijd allerlei spullen uit mijn kinderjaren – een houten paard op wielen, een trapautootje, een poppenkast, allemaal zestig jaar of langer geleden gemaakt door mijn pa. En ik heb nog een hele reeks kleine matchbox-autootjes. Die dingen uit haar kindertijd heeft Nora niet meer, behalve dan haar verfomfaaide en stro verliezende teddybeer: al de rest werd lang geleden door haar bomma en haar moeder weggesmeten. 






Ik heb vroeger ook allerlei zaken verzameld: zoals schelpen en insecten, en als jonge snaak heb ik een herbarium aangelegd. Jarenlang heb ik plantjes verzameld, tot ik bijna vijfhonderd soorten had, allemaal geoogst in de ruime omgeving van Antwerpen. Tot een of ander kevertje in de herbariumdoos wist door te dringen, zodat alleen nog de vellen papier waarop de planten kleefden overbleven. Mijn drang tot verzamelen is intussen grotendeels weggedeemsterd.
Wat ik wél al bijna zes decennia aansleep, zijn boeken. Ik ben een boekengek. Ik kreeg van mijn ma, die een verwoed lezer was, al in mijn kindertijd boeken cadeau, bijvoorbeeld omdat ik een goed rapport had, en wat toen begon is nooit meer gestopt. Ik weet niet hoeveel boeken ik in huis heb (en als ik het zou weten, zou ik het hier toch niet vertellen) maar het zijn er veel, méér dan ik ooit allemaal zal gelezen krijgen. Dat is een wetenschap die zowel een beetje frustreert als geruststelt: er is de frustratie dat ik nooit alles gelezen krijg, maar tevens de geruststelling dat er altijd nog wel wat te ontdekken is, gewoon op een schap binnen handbereik. Umberto Eco, die meer dan vijftigduizend boeken had, betoogde dat het goed was veel boeken in huis te hebben die je nog niet hebt gelezen en wellicht nooit zal lezen, als blijvende tastbare uitnodiging om verder te blijven lezen en je intellectuele horizon uit te breiden. Nicholas Taleb noemt die boeken waarvan de lectuur mogelijk uitblijft de “antilibrary”, en net als Eco kan wat hem betreft dat deel van een huisbibliotheek nooit groot genoeg zijn. Het klinkt me als muziek in de oren.








Boekenliefhebbers verzamelen boeken om heel uiteenlopende redenen. Je hebt er die vooral thematisch verzamelen en boeken vergaren over onderwerpen die hen bijzonder boeien. Anderen focussen op auteurs die ze graag lezen. Zo zijn er Tolkienfans die jarenlang vanalles bijeenbrengen van en over Tolkien: alle edities van uiteraard The Lord of the Rings en The Silmarillion, maar ook van het minder bekende werk. En alle vertalingen, van Nederlands en Frans over Portugees en Sloveens tot Urdu, Kantonees en Tagalog, talen die ze niet  begrijpen, heel vaak in schriften die ze niet kunnen lezen. Bij mij gebeurt de aanschaf van boeken vooral op grond van inhoudelijke interesse. Alleen ben ik behept met een nogal brede interesse: er is heel veel dat mij boeit. Het gaat me in ieder geval vooral om de inhoud van het boek, en ook wel over de auteur die het schreef. Als het boek mooi is uitgegeven, of als het gaat om een exemplaar waar een bijzondere geschiedenis aan vast zit, is dat meegenomen. Van een aantal boeken stelde ik, toen ik ermee thuiskwam, vast dat ze tot de verzameling van Gerrit Komrij hadden behoord. Dat was een prettige bijkomstigheid, maar het was niet de reden waarom ik ze kocht. Heel fijn was ook de vaststelling dat in het exemplaar van Die Vögel der paläarktischen Fauna van Hartert, een oud ornithologisch naslagwerk dat ik bij een antikwaar in Amsterdam had besteld, het ex libris van de grote Nederlandse naturalist Jacobus Pieter Thijsse bleek te kleven. Of dat een op de kop getikte Dictionary of British Birds uit de persoonlijke bibliotheek van de Britse bioloog Richard Fitter afkomstig bleek. Soms zaten in zo’n oud boek dat ooit bij een al of niet vermaarde wetenschapper had geresideerd, nog velletjes papier met allerlei aantekeningen die de hooggeleerde eerdere bezitter ooit maakte. Dan gaat de hemel natuurlijk voor een stukje open. Maar ook daar was het mij te doen om het boek zelf en is al de rest een gelukkige toevalstreffer. Ik ben een liefhebber van boeken, maar geen bibliofiel. Bibliofielen zijn vooral belust op het bijzondere, zelfs het uitzonderlijke. Zij zijn niet zozeer geïnteresseerd in (ik verzin hier maar wat) Le Grand Meaulnes van Alain-Fournier, nee: zij willen alleen de eerste druk van het boek. Of beter nog: zij willen een exemplaar van de clandestiene tweede druk met een zetfout op de elfde regel van bladzijde 87.



 




Boeken zijn objecten, dingen. Als alle dingen, kunnen ze een esthetische waarde hebben en dat vind ook ik mooi meegenomen. Er kan ook een gevoelswaarde aan vastplakken, of er kan een heel verhaal mee verbonden zijn. Omwille van zijn associaties is zo’n boek veel waard, al is de financiële waarde nul komma nul. Ik heb er eentje voor mij liggen. Als ik het goed heb, hadden moe en va, de ouders van mijn pa, welgeteld één boek in huis. De Kern van het Oud en Nieuw Testament heet het en het is van de hand van ene D. D’Haese. Het werd in 1912 uitgegeven door boekhandelaar Pr. Desmedt-Fovel in Sint-Jans-Molenbeek en is een zogezegde “gewijde geschiedenis”, een voor het grote publiek bestemde, met stichtelijke prenten geïllustreerde, navertelling van de bijbelse verhalen. Het boek ziet er behoorlijk afgeleefd uit, met een wat besmuikte versleten band die een nummer draagt, wat laat vermoeden dat het ooit tot een bibliotheekcollectie behoorde (hoe het dan bij mijn grootouders verzeild geraakte en er bovendien bleef, is me een raadsel: ik denk niet dat een van beiden ooit een voet heeft gezet in een bibliotheek). Dat uitgerekend dit ene boek bij mijn grootouders in huis was, is een beetje vreemd. De indruk zou kunnen worden gewekt dat mijn va en moe diepgelovige bijbellezers waren, in wier leven de heilige schrift centraal stond. Je weet wel, zoals je dat kent uit Nederland of de States, waar de zwartekousengemeenschappen welig tieren. Dat is natuurlijk niet het geval. Mijn grootmoeder was weliswaar katholiek, maar bijbellectuur was nooit een katholieke bezigheid. Bijbels in de volkstaal circuleerden destijds nauwelijks in katholieke middens. Gewijde geschiedenissen zoals het boek van D’Haese wél, maar ik kan me niet herinneren dat moe zich erg met de lectuur van dat boek inliet. Katholiek was ze vast en zeker, in de overtreffende trap haast, en als voorbeeldig schaap uit de godvrezende kudde ging ze naar de mis, hield ze haar Pasen, woonde ze massa’s begrafenissen bij om te kunnen bidden – “lezen” – voor het zielenheil van de respectieve overledenen en ging ze regelmatig op beeweg “om haar hemel te verdienen”. Ook had ze geprobeerd haar kinderen tot voorbeeldige christenen op te voeden, wat niet helemaal was gelukt: haar twee dochters en vier zoons waren gedoopt, hadden hun plechtige communie gedaan en waren kerkelijk getrouwd, maar voor het overige kon je geen van hen betrappen op veel affiniteit met de heilige Roomse Kerk en haar leer. Daar zat mijn grootvader waarschijnlijk voor iets tussen. Die kwam uit een familie die al enkele generaties liberaal was, speelde tuba en trombone in verschillende Hobokense en Antwerpse fanfares en harmonieën en was bijgevolg meer vertrouwd met het caféwezen dan met gebedsoorden. Militant vrijzinnig was hij niet, maar van de zwartrokken had hij toch geen hoge pet op. Ik herinner me een verhaal over een confrontatie tussen hem en een non van de Vlaamse school in Hoboken, ergens net voor of in het begin van de Eerste Wereldoorlog. Mijn tante, een jaar of zes, zeven, had in de klas iets gedaan wat de onderwijzeres, een non, niet beviel. De non had het kleine meisje bij haar lange haren gegrepen en tot op de tree vooraan in de klas gesleurd. Ze had zo hard getrokken dat het kind er een flinke buil aan over hield. Toen het meisje thuis wenend haar relaas had gedaan, was mijn grootvader in een Franse colère naar de school gestapt en had de non voor een volle klas gevraagd wat Ma Soeur ervan zou vinden als hij Ma Soeur haar kap aftrok en haar bij haar kalot door het lokaal zou sleuren. Enfin, ik bedoel maar: ik vermoed dat mijn grootvaders houding tegenover kerk en geloof en hun woordvoerders een redelijk straf antidotum was tegen het devote wereldbeeld van zijn echtgenote, en dat dit afstraalde op de kinderen. Maar spijts zijn geuzennatuur, was het toch vooral va die de gewijde geschiedenis las. Hij had er ook zijn naam in geschreven, zowel vooraan als op het achterplat. “Louis Caremans” staat er, in het wat verkrampte handschrift van iemand die nauwelijks scholing had gekregen en niet gewoon was te schrijven. En er staan ook enkele door hem getekende sierletters in, de brouwers-W noemde hij ze en hij tekende ze vaak op blanke stukken papier. En dus ook in het boek. Moe heb ik nooit in het boek zien lezen: haar lectuur was in de eerste plaats haar parochieblad, dat ze ’s avonds in haar zeteltje zat uit te spellen. 
Ik denk dat het mijn grootvader vooral om de straffe verhalen te doen was. Ik herinner me dat enkele geschiedenissen in het boek zijn bijzondere belangstelling hadden: Noë en zijn Ark, de vrouw van Lot die in een zoutpilaar verandert, Jozuë die de muren van Jericho doet instorten, Samson en Dalila, David en Goliath, Daniël in de leeuwenkuil, Absalon die met zijn haar in de boomtakken verstrikt raakt, Jonas in zijn walvis, de wrede Herodes... Va vertelde en ik was gefascineerd. En van zodra ik zelf kon lezen, zat ik met mijn neus in het boek. 

Daar is het begonnen denk ik. Alles lezen wat ik onder handen krijg en wat me op enige manier interesseert. 
En boeken kopen, om ze hopelijk ooit te lezen.





Clement Caremans (c) 2025

 

maandag 2 februari 2026

De roze steltzwaan

 






De roze steltzwaan


We waren er al enkele weken over bezig, maar het weer en de zere ruggen en knoken en ons beider onverbeterlijke uitstelgedrag hadden ervoor gezorgd dat we nog niet waren gegaan. Ik denk dat het ergens aanvang januari moet zijn geweest, toen mijn betere helft mijn aandacht vestigde op enkele foto’s en een filmpje van flamingo’s, geschoten aan het Grevelingenmeer. Kristien van Acker, arts op rust en verdienstelijk natuurfotograaf, had ze op Facebook gepost, met de mededeling erbij dat het voor haar de eerste keer was dat ze naar de flamingo’s in Nederland was gaan kijken. Heel herkenbaar: hoewel wij iedere winter minstens een keer naar Zeeland rijden om er vogels te gaan kijken, hadden ook wij de Grevelingse flamingo’s nog nooit bezocht, dus het werd toch wel de hoogste tijd dat een keer te doen.
Want die flamingo’s zijn een merkwaardig fenomeen. Elke winter, en dat al sinds het einde van de jaren 1970, pleisteren er flamingo’s in het Grevelingenmeer, de ingesloten vroegere zeearm tussen Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland. Waar tot de jaren 1960 de flamingo maar nu en dan in de Lage Landen werd gesignaleerd (24 keer in Nederland en 17 keer in België volgens mijn Prisma-Vogelboek uit 1962), begonnen vanaf ca. 1978 kleine groepjes ieder jaar in het Deltagebied op te duiken. Rond die tijd ontstond een kleine broedkolonie van flamingo’s in het Zwillbrocker Venn, net over de Duits-Nederlandse grens. De vogels van deze kolonie trekken ’s winters weg, tot in Zuid-Europa, maar het grootste deel verblijft in de Grevelingen nabij Oude-Tonge, een van de dorpen van Goeree-Overflakkee. Daar resideren ze van oktober tot april, profiterend van het zoute water dat gewoonlijk de hele winter ijsvrij blijft. De flamingo’s in de Grevelingen behoren, zo lees ik, niet alle tot dezelfde soort. Tussen de roze flamingo’s (Phoenicopterus roseus) uit Zuid-Europa, Afrika en het Midden-Oosten, zitten er ook rode flamingo’s (Phoenicopterus ruber) uit de Caraïben en Chileense flamingo’s (Phoenicopterus chilensis) uit Chili en Argentinië. Die broeden ook in het Zwillbrocker Venn en bastaarderen er lustig op los. Die Zuid-Amerikaanse vogels zijn niet op eigen houtje de Atlantische Oceaan overgestoken, maar zijn ontsnapt uit dierentuinen of vogelparken.




Dat we nog nooit de moeite namen een goeie zeventig kilometer te rijden om de vogels te zien, begrijp ik in feite zelf niet zo goed. In ieder geval: nu is het zover. Onszelf goed ingeduffeld, want we worden met de leeftijd wat kouwelijker en het kan flink waaien in de Delta, nog een aaitje voor kater Jerom, de bolderik in en hup, naar Oude-Tonge. Daar zouden, althans volgens de schaarse informatie die we hebben, de flamingo’s vanaf de dijk goed te observeren zijn. Onze gps navigeert ons naar het centrum van het dorp, dat min of meer uitgestorven lijkt. Op een plannetje van de omgeving, merk ik dat de Heerendijk, die begint vlakbij waar wij hebben geparkeerd, in de richting van het Grevelingenmeer voert. We hebben er geen idee van of die Heerendijk de juiste is, maar we besluiten hem te volgen. Na een kwartiertje stappen komen we bij een fietspad dat recht naar de Krammer leidt, het zuidoostelijke deel van de Grevelingen. Onderweg zien we diverse grote zilverreigers, blauwe reigers, bergeenden, kuifeenden, middelste zaagbekken, futen en een ijsvogel. Overal zitten er wel meerkoeten en in de heggen naast de dijk spelen winterkoninkjes verstoppertje. Op de Grevelingen dobberen bergeenden, knobbelzwanen en enkele enorme groepen brandganzen met ook wat rotganzen ertussen. Maar geen flamingo’s. We beseffen dat we op deze manier nog een paar uur kunnen ronddwalen zonder de flamingo’s te zien en omdat we bovendien te voet de vogels te gemakkelijk opschrikken, besluiten we met de auto de buurt verder te verkennen. Maar eerst een kleinigheid eten, een koffietje drinken en een sanitair intermezzo. We vinden zelfs een etablissement dat open is, nooit een evidentie in de dorpen van de Delta.
Een koffie, een stukje taart en een plasje later, weer op weg. Nora ziet aan een raam van een woonst een aankondiging hangen van een herdenking van de watersnood van 1953, die hier lelijk heeft huisgehouden. Terwijl ze het papier leest, komt de bewoonster tot bij de deur en, zoals dat dan gaat, wordt er een woordje gewisseld. Ik wandel verder richting auto. Enkele minuten later daagt Nora op. De dame bij de deur heeft haar precies uitgelegd waar de flamingo’s zitten: we kunnen er meteen naartoe. We moeten richting Nieuwe-Tonge de dijk blijven volgen tot bij de provincieweg; dan moeten we door een tunneltje en komen we vlakbij het water. 


Als we uit het tunneltje komen, zien we voor ons de Grevelingen. En op hooguit veertig, vijftig meter staan ze in het ondiepe water langs de oever: de flamingo’s. Er is nog een mevrouw die heeft staan filmen, maar niet tevreden is over wat ze te zien krijgt, want er zit maar weinig leven in de vogels. Nu en dan maakt er eentje een geluid dat op het gesnater van een gans lijkt. Ze staan echter vooral zo’n beetje te slapen, de meeste op één poot, de kop tussen de vleugels. Maar hemel, wat zijn ze mooi. Prachtig gewoon. Hoewel het een vrij sombere dag is met verspreide mist, lijken de roze vogels een gloed te verspreiden, op te lichten als het ware. Er zit nogal wat variatie in hun kleur: er zijn er die bleekroze zijn met een lichte hals en kop en alleen wat rood aan de vleugels, andere hebben een rode kop en hals en zijn ook op hun romp dieper van kleur. Ik kan ze niet precies determineren, maar ik vermoed dat de rodere vogels tot een van de Amerikaanse soorten behoren, of wellicht bastaarden zijn. Hun tropische herkomst ten spijt, lijken ze niet al te veel last te hebben van de Hollandse kou. Terwijl Nora probeert wat filmpjes en foto’s te schieten, tel ik de groep. Ik kom op tweeëntachtig, maar mogelijk zijn er een paar meer, want misschien zijn er sommige door de bosjes duindoorn niet te zien van waar ik sta. Een vliegtuigje dat laag overvliegt haalt de vogels uit hun sluimer: ze strekken hun onmogelijk lange hals, schudden de kop met de rare haakvormige snavel en enkele spreiden hun vleugels, waarbij het diepe rood van de dekveren en het zwart van de slagpennen tevoorschijn flitsen. “Phoinikopteros” noemden de Grieken de flamingo, de roodvleugel, een naam die Carl von Linné in 1758 opviste toen hij het dier zijn wetenschappelijke naam gaf. De onderbreking heeft de vogels een beetje actiever gemaakt: hoewel enkele hardnekkig verder dutten, lijken de meeste te vinden dat het tijd is voor een grondige poetsbeurt. We zien nu beter hun vreemde snavel, die ze omgekeerd in ondiep water houden als ze zich voeden: ze zuigen water op en persen het daarna met hun tong naar buiten, waarbij het in het water aanwezige plankton achter de lamellen in de bek blijft zitten. Die rare bek, samen met de onwaarschijnlijk lange hals en dito poten, maakten dat Lewis Carroll in de flamingo een ideale hamer zag voor het croquetspel in de tuin van de Rode Koningin.




Ook ornithologen worstelden lange tijd met de vreemde kenmerken van de vogel en wisten niet zo goed waar ze hem moesten indelen. “Roze steltzwaan”, de oude Nederlandse naam voor de flamingo, geeft mooi de schimmige taxonomische positie van de vogel weer: was hij een soort reiger of ooievaar, met zulke hals en poten, of stond hij met zijn gelamelleerde snavel en zwemvliezen en dikke laag donsveren in de stamboom van de vogels dichter bij de eenden, de ganzen en de zwanen? Tenslotte kunnen flamingo’s, hun lange stekkepoten ten spijt, uitstekend zwemmen, en soms foerageren ze precies als zwanen: ze grondelen, stuit omhoog en de lange hals uitgerekt onder water, waar ze met hun snavel kleine diertjes uit de modder filteren. Sommige karakteristieken leken dan weer verwantschap te suggereren met de grote orde van de Charadriiformes – snippen, strandlopers, plevieren, meeuwen, sterns, alken e tutti quanti. En, nog vreemder, flamingo’s voeden hun jongen een tijdje met een substantie die wordt afgescheiden door de krop: een soort duivenmelk. Al gauw nam men het zekere voor het onzekere en kende men de flamingo een eigen orde toe. Maar met welke andere vogels die verwant is, bleef lang duister. De Amerikaanse taxonoom Alexander Wetmore bracht ze in de jaren 1930 onder bij de ooievaars, maar al spoedig kregen ze een eigen orde toebedeeld, de Phoenicopteriformes, die na de reigers en ooievaars en voor de eendachtigen werd geplaatst, op de plek dus waar een steltzwaan die naam waardig thuishoort. Deze visie hield stand tot de jaren 1980. Biochemisch onderzoek heeft de jongste decennia echter roet in het eten gestrooid. Uit de resultaten van DNA-DNA-hybridisaties die in de jaren 1990 werden uitgevoerd, bleek alvast duidelijk dat flamingo’s geen uitstaans hebben met ooievaars. DNA-sequenties in de ribosomen van zowel de celkern als de mitochondriën leken er aanvang eenentwintigste eeuw op te wijzen dat flamingo’s de naaste verwanten zijn van de futen, een connectie die door latere research steeds weer werd bevestigd. In een artikel uit 2005 werd de clade die flamingo’s en futen verenigt door G. Sangster Mirandornithes gedoopt, een naam die intussen vrijwel algemeen is aanvaard. Die Mirandornithes zouden de zustergroep zijn van een clade die ook de duiven omvat, ook een vogelgroep waar taxonomen zich de tanden op stukbijten. Mirandornithes kan vrij worden vertaald als “wonderlijke vogels”.
Wonderlijke vogels: inderdaad.




Clement Caremans, (c) 2026