vrijdag 29 maart 2019

Sumer is icumen in




 

 Sumer is icumen in





Mijn grootmoeder had een koekoeksklok. Als kind was ik tuk op die klok. Ze leek wel een huisje. De met houtsnijwerk versierde voorzijde toonde bladeren waartussen vogels zaten. De slinger was een in hout uitgesneden blad, de gewichten waarmee het uurwerkmechanisme aan de gang werd gehouden, waren gietijzeren sparappels, mastentoppen. Boven de wijzerplaat – zwart, met ietwat gotisch aandoende witte Romeinse cijfers – was er een deurtje, en dat was de plek waar zich om het half uur het wonder voltrok. Het deurtje klapte dan open en een grijs vogeltje, de koekoek, schoot tevoorschijn. “Oe-oe” deed het vogeltje en verdween weer, deurtje dicht. Op het halfuur weerklonk telkens één “oe-oe”, op het uur zoveel “oe-oes” als de kleine wijzer aanwees. Middag en middernacht waren hoogtepunten: twaalf keer na mekaar! Kwam daar nog bij dat nu en dan het mechanisme haperde, en de kleine koekoek bleef roepen tot iemand van arren moede de slinger blokkeerde en de klok stilviel. Op een keer riep de koekoek meer dan zestig maal vóór er kon worden ingegrepen. Ik beweer niet dat ik toen een glimp van de eeuwigheid heb opgevangen, maar veel kan het niet hebben gescheeld.

Volgens de overlevering werd de eerste koekoeksklok rond 1730 gebouwd in het dorpje Schönwald in het Zwarte Woud. De horlogemaker die ze ontwierp zou in feite (las ik ergens, maar ik weet niet meer waar) oorspronkelijk helemaal geen koekoeksroep voor ogen hebben gehad: hij wou een haan laten kraaien, maar kreeg het mechaniekje daartoe niet voor mekaar. Dus maar voor de koekoek gekozen, met zijn eenvoudige maar o zo herkenbare roep… Dit verhaal klopt niet. Al in 1629, zo’n halve eeuw voor de uurwerkindustrie in het Schwarzwald voet aan de grond kreeg, beschreef de Augsburger Philipp Hainhofer voor het eerst een soort koekoeksklok waarvan keurvorst August van Saksen de trotse bezitter was. Ook andere 17de-eeuwse teksten maken gewag van koekoeksklokken of delen ervan. Athanasius Kircher beschrijft in Musurgia Universalis (1650) het principe van de mechanische koekoek, die zijn karakteristieke geluid voortbrengt middels twee orgelpijpjes gestemd met een grote of kleine terts als interval. Domenico Martinelli’s Horologi Elementari (1669) lanceerde de idee om de koekoekautomaat de uren te laten aanduiden met zijn roep. Vanaf de publicatie van dit werk was iedere uurwerkmaker die ook Latijn kon lezen, in staat een koekoeksklok te bouwen. Het was vooral in het Zwarte Woud dat de prille uurwerkindustrie wel brood zag in de klok met het “oe-oe” roepende vogeltje. In de 19de eeuw werd deze regio het centrum van de fabricage van koekoeksklokken, die vandaar uit de wereld veroverden. Om tot vandaag de enen kinderlijke verrukking te bezorgen en de anderen te doen huiveren om zoveel onversneden kitsch.

Koekoeksklokken.





Vanwaar de fascinatie met de roep van de koekoek – want dáár is het hem uiteraard in de eerste plaats om te doen?

Het heeft veel, zoniet alles, te maken met de kracht van eenvoud. Less is more. Twee tonen slechts, gescheiden door een terts – gewoonlijk een fa# gevolgd door een re: “oe-oe”. En dit zo duidelijk, luid en nadrukkelijk, dat de verwekker van het geluid vrijwel overal waar hij voorkomt zijn naam eraan ontleent.
Doorheen zijn hele Euraziatische verspreidingsgebied, van de Donegal tot de Fujiyama, is de koekoek inderdaad genoemd naar zijn roep: in Frankrijk coucou, in Spanje en Portugal cuco, in Italië vandaag cuculo of cucù en ten tijde van de Romeinen cuculus, in Griekenland vroeger kokkux en nu koukos, in Engeland cuckoo (of oudere varianten als cuckow en, bij Chaucer, cokkow), bij de Duitsers Kuckuck, in het Iers cuach, in het Pools kukulka, bij de Tsjechen kukačka, bij de Russen kukushka, in het Perzisch koku, in het Sanskriet kokilas, in Hongarije kakukk, in Litouwen gegutè, in Finland käki, in Turkije guguk, in Azerbeidzjan gugoo, in Kasjmir kuku, in Sikkim kukku, in Bhutan akku, in Nepal pug-pug in Japan kak-ko. De Germanen van het noorden hoorden de roep blijkbaar een ietsje anders, wat het Angelsaksische geac, het Oudnoorse gaukr en het Oudhoogduitse gouh opleverde, IJslands gaukur, Deens gøg, Zweeds gök, Duits Gauch en gawk, gauk, gowk, gog of goke in Noord-Engeland en Schotland. Gawk zou trouwens de oorspronkelijke Engelse naam zijn geweest, cuckoo (<cuccu) Franse import, geïntroduceerd in het kielzog van Willem de Veroveraar. Overigens blijkt ook in gawk-gebieden de vogel “koekoek” te roepen: “The goke ansered hur and sayd V times, Cukkow”, lezen we in een Engelse tekst van ca. 1450.


Archibald Thorburn, Koekoek (Cuculus canorus).

Boskoekoek of Himalayakoekoek (Cuculus saturatus) uit Rusland en Centraal- en Oost-Azië, een wat kleinere verwant van Cuculus canorus.



De zang van de koekoek is alom gekend. Ook wie nog nooit een koekoek hoorde, weet hoe hij klinkt. En wie voor het allereerst met de tweetoon kennismaakt, weet meteen wat hij hoort. Een koekoek zien is echter heel wat anders: daar krijg je niet zo vaak de kans toe. Maar weinigen hebben de slanke, tortelduifgrote grijze vogel met spitse vleugels en lange staart ooit echt gezien. Dat heeft niet alleen te maken met relatieve schaarsheid van het beest – België zou vandaag nog zo’n 6000 à 8000 paren tellen – maar vooral ook met zijn schuwheid en verdoken manieren. Voorts verblijft Cuculus canorus Linné ook maar korte tijd in onze streken: hij arriveert in april (in noordelijker regionen, zoals Schotland, pas in mei; in Lapland pas in juni) en gaat er vanaf augustus (in Lapland vanaf juli) alweer vandoor. Zoals een Engels versje het zegt:
In April
Come he will;
In May
He sings all day;
In June
He changes his tune;
In July
He gets ready to fly;
In August
Go he must.
Het grootste deel van het jaar brengt hij door in Afrika ten zuiden van de evenaar en in tropisch Azië. Eerder dan een noordelijke Euraziatische soort die in Afrika en Zuid-Azië overwintert, is hij een tropische vogel die hier temidden de voorjaarsexplosie van leven zijn eieren komt leggen en zich met rupsen volvreten, vooraleer weer naar het zuidelijk halfrond te verdwijnen. In ieder geval is hij, méér dan gelijk welke andere vogel, voor het collectieve bewustzijn uitgegroeid tot dé heraut van de lente.

Dat is al heel lang zo. “Als voor de eerste maal de koekoek weêr zijn’ blijden zang verheft / En van uit de lenteloov’ren ons het hart met vreugde treft,” lezen we al bij Hesiodos in Werken en dagen, een leerdicht voor de Griekse boer uit ca. 700 voor onze jaartelling, waar de dichter gaat uitleggen wat de landman in de vroege lente zoal moet doen.
Misschien werd de samenhang tussen lente en koekoek nooit mooier verwoord dan in deze 13de-eeuwse rota Sumer is icumen in (meteen de oudste in de Engelse literatuur):
Sumer is icumen in
Lhude sing cuccu.
Groweþ sed and bloweþ med
And springþ þe wde nu.
Sing cuccu.
Awe bleteþ after lomb
Lhouþ after calue cu.
Bulluc sterteþ bucke uerteþ
Murie sing cuccu.
Cuccu cuccu.
Wel singes þu cuccu.
Ne swik þu nauer nu.
Sing cuccu nu sing cuccu.
Sing cuccu sing cuccu nu.
Van de Middelengelse tekst, die de oudste vermelding van cuccu bevat, gaat zo’n kracht uit, dat ik hem weergeef zonder hem te moderniseren, met thorns (þ) en al. Ik waag me ook niet aan een vertaling, en parafraseer gewoon. De lente is in het land, luidt het (de Middelengelse sumer is niet zozeer onze zomer als wel de volledige periode tussen lente- en herfstequinox), zing dus luid, koekoek! Het zaad groeit, de weide bloeit en het bos schiet op. Zing, koekoek! De ooi blaat tot haar lam, de koe loeit naar haar kalf, de stier springt, de bok veest. Zing vrolijk, koekoek. Koekoek, koekoek! Je zingt mooi, koekoek, blijf zingen. Zing nu koekoek!

Wordsworth was, eeuwen later, al even opgetogen:
O blithe new-comer! I have heard,
I hear thee and rejoice:
O Cuckoo! Shall I call thee Bird,
Or but a wandering Voice?
While I am lying on the grass
Thy troubled shout I hear;
From hill to hill it seems to pass,
At once far off and near.
John Bunyan - een puritein, wat wil je - liet zich dan weer heel wat minder enthousiast uit over de koekoek en zijn lenteroep:
Thou booby, say’st thou nothing but Cuckoo?
The robin and the wren can thee out-do:
They to us play through their little throats
Not one, but sundry pretty taking notes.
But those hurt fellows, some, like thee, can do
Little but suck our eggs and sing Cuckoo.
Thy notes do not first welcome in our Spring,
Nor dost thou its first tokens to us bring:
Birds less than thee by far, like prophets do
Tell us ’t is coming, though not by Cuckoo.
Ook voor Edward Topsell (The Fowles of Heauen or History of Birdes) is de koekoek niet de heraut van de lente; met zijn roep, die steeds weer zijn eigen naam herhaalt, geeft hij veeleer uiting aan zijn ijdelheid:
Cuckoes by reason of their often reiterated voyces are the Moralls of vayne boasters, Thrasonians, and as we say Braggadocians. for as she scorneth all other notes and voyces, Cryinge nothinge but her oune name even vnto a taedious importunitie: So the loue to talke of nothinge but themselues and their oune acts, envyinge the iust prayses and merits of other men, and extollinge the dunghills of their oune fame, aboue the sweetest mountaynes of the best deseruers. 
Het gebrek aan variatie in de zang van de koekoek staat centraal in de fabel van de koekoek en de nachtegaal. In een zangwedstrijd komen koekoek en nachtegaal tegen elkaar uit: de eenvoudige tweetoon van de één tegenover het quasi eindeloos gevarieerd lied van de ander. Als jury wordt de ezel aangeduid, omdat die met zijn grote oren ongetwijfeld meer hoort dan wie ook.
Nachtegaal en Koekoek streden
Om den zangprijs van het dal.
Hoe gelukkig zal hy wezen
Die dien zangprijs winnen zal!

Koekoek sprak: ik weet een regter,
Die ons vonnis wijzen kan.
Ooren heeft hy om te hooren
Grooter dan de groote Pan.

De Ezel kwam, men gaat aan 't zingen.
Langoor bromt eens in de keel,
Rekt zich uit, en geeuwt en luistert
Naar het lied van Filomeel.

Wind en bosch en stroomen zwegen.
Eindlijk zegt hy: ‘Gants niet kwaad;
Maar het is te wild gezongen,
En het blijft niet in de maat.’

Na een korte poos gegrinnik
Geeft hy d' ander ook gehoor,
Koekoek flux aan 't koekoekschreeuwen,
Koekoek, koekoek, na als voor.

‘Bravo! ja, dat noem ik zingen,
(Zegt hy) dat 's de rechte toon!
't Nachtegaaltjen piept wel aardig,
Maar de Koekoek spant de kroon.

Dat zijn klinkklaar zuivre jamben;
Dat 's een maat naar mijn verstand:
Daar is 't zoet by in te slapen;
'k Hou niet van dien Griekschen trant.
Tot zover de versie van Willem Bilderdijk, die in dit vers uit 1811 de koekoek identificeert met de aan strakke regels onderworpen dichtkunst, terwijl de nachtegaal hier de vrije, natuurlijke poëzie van de romantische beweging representeert.
Een 19de-eeuws Vlaams lied, dat in diverse liedverzamelingen is opgenomen - Jan Frans Willems, Heinrich Hoffmann von Fallersleben, Florimond van Duyse - confronteert de nachtegaal en de koekoek zonder de ezel als jury in te schakelen: het zijn de andere vogels die zelf oordelen over de kunde van de twee rivalen.
1
De koekoek in den mei
die hoorde den nachtegael fluiten
en op zijn stemmeken tuiten.
Hy zei: "gy klein gebras,
wat komt al dit stoffen te pas?
Gy zijt te hooveerdig,
mijn stem is ook weerdig
geprezen; maer ziet,
ik een roem daer op niet.
Dus zwijgt,
eer dat gy van my veel verwijtingen krijgt."
Maer de nachtegael sprak:
"Koekoek, houd uw gemak,
want gy zijt tegen my veel te zwak.
Als ik kom tierelieren,
verheugen zich mensen en dieren;
maer gy -
't is koekoek! geheel de maend mei.
Maer gy,
gy maekt niet één vogelken bly.
Al die u aenhooren, die zouden zich stooren:
dus kruip in den hoek, gy droeve koekoek.
Of, als ge uw bek nog niet en stilt,
en dat ge u voor my niet vernederen wilt,
zoo roep ik de vogels te gaêr,
om ons te vonnissen onder malkaêr.
Welaen!"
De koekoek die sprak: "zoo gezeid, zoo gedaen,"
en zy zijn henen gegaen.
2
De voghels kwamen te saêm:
en als zy nu waren gezeten,
zoo liet men de nachtegael weten,
dat hy met zijn stemmeken gauw
het eerste kauwetteren zou.
Hy zong met veel iever,
hoe langer hoe liever,
hy miek meyt zijn bek menig aerdigen trek.
Hy zong, hy klong, hy sprong,
hy draeide zijn steertjen en wrong zijne tong.
Maer de koekoek op 't letst
deed ook wonder zijn best,
doch 't en was niet als koekoek! koekoek!
't Was koekoek! en anders ook niet.
Maer ziet,
zij kregen op 't letste verdriet.
De koekoek was bly;
want hy meende dat hy
al de vogels getrokken had op zijne zy'.
Het vonnis was, dat de nachtegael
was fraeijer van toonen en zoeter van tael;
maer 't koekoeksken van over lang
vaster in maet en kloeker in zang.
Hier meê
vertrok elk vogelken naer zijne steê,
en zoo was alles in vreê.
Georg Friedrich Händel speelt met het thema van de zangwedstrijd van koekoek en nachtegaal in zijn 13de orgelconcerto (in F groot), waar hij de ingewikkelde, voortdurend variërende fiorituren van de nachtegaal laat contrasteren met de repetitiviteit van de tweetoon van de koekoek.





Het tijdstip waarop de koekoek zich voor het eerst laat horen, verschilt van streek tot streek.
In Vlaanderen wordt traditioneel 15 april als de eerste koekoeksdag beschouwd. Ook in Engeland situeert first cuckoo day zich meestal op 14 of 15 april. In Zuid-Frankrijk is dat 21 maart, in sommige streken van Italië 25 maart (Maria-Boodschap):
All’ Annunziata
Si u’ cuccule n’à cantate
O è muerte o è malate.
In Noord-Frankrijk is de datum 1 april, in Noorwegen en Noord-Duitsland 1 mei (Sint-Walpurgis). Het begin van de lente werd in Duitse teksten aangeduid met “wann der gauch gucket” en volgens het woudrecht duurde de winter “bis zu Sant Walpurgedage dar der gauch gukte und ni lenger”. Eveneens in Duitsland was er het gezegde “Tiburtius kommt mit Sang und Schall, er bringt uns Kuckuck und Nachtigall”, dat verwijst naar de feestdag van de heilige Tiburtius, 14 april, ook Kuckuckstag genoemd omdat dan de vogel zich het eerst zou laten horen. Overigens begint wat de aankomst van de koekoek betreft, global warming stilaan een duit in het zakje te doen. Het heeft er alles van, dat Cuculus canorus steeds vroeger in het jaar uit equatoriaal Afrika weerkeert. Voor de periode 1966-1996 geven de Sussex Bird Reports als gemiddelde eerste koekoeksdag 7 april, terwijl Gilbert White in het 18de-eeuwse Hampshire nog als vroegste 7 en als laatste datum 26 april noteerde. De vroegste, vrijwel algemeen geaccepteerde waarneming van een roepende koekoek, is er één van 20 februari 1953, te Farnham in Surrey.

Vooral op de Britse eilanden werd de eerste koekoek doorheen de eeuwen als een belangrijk gebeuren ervaren. Dit wordt gereflecteerd in de poëzie, waarvan ik al een paar voorbeelden citeerde, en in de muziek, met composities als Frederick Delius’ On Hearing the First Cuckoo in Spring. In de 20ste eeuw was het voor veel Britten de gewoonte een brief aan The Times te schrijven als ze hun eerste koekoek van het jaar hoorden. Op 3 april 1907 publiceerde de krant dit pareltje van de hand van Mr W.J. Courthope:
Sir, - I wonder whether many of your readers have heard the cuckoo at this unuasually early date? I heard him two or three times this afternoon and I find that others in these parts heard him this morning. The Sussex legend that the cuckoo is let out of a basket by an old woman at Heathfield Fair - about the middle of April - marks the season when his arrival is commonly observed.
Yours faithfully,
W.J. Courthope
The Lodge, Wadhurst, Sussex, April 1
De dag erop drukte The Times volgende reactie af:
Sir, - Referring to Mr W.J. Courthope’s letter in your today’s issue, I can claim to have heard an earlier cuckoo.
On Sunday afternoon, outside the little village of Friday Street in Surrey, I was delighted and surprised to hear the bird’s “wandering voice” quite close at hand. That was on March 31.
Yours, &cc.
David A. Horner
Lidsdale, Epsom, April 3
Deze koekoeksbrieven werden een genre op zich; gentlemen of leisure observeerden de natuur en zijn verschijnselen en correspondeerden daarover, direct of via de lezersrubriek van The Times, met elkaar. Hoezeer de eerste-koekoeksmeldingen een stempel drukten op de brievenrubriek van de eerbiedwaardige krant, wordt geïllustreerd door de titels van de drie volumes lezerscorrespondentie die ze publiceerde: The First Cuckoo, The Second Cuckoo en The Third Cuckoo. Maar tradities hebben het moeilijk deze dagen, ook aan gene zijde van het Kanaal. “The modern, Rupert Murdoch-owned, tabloid Times is no longer interested in cuckoos,” schrijft Michael McCarthy in Say Goodbye to the Cuckoo.
This was made quite explicit in a piece by Sally Baker, letters editor from 2003 to 2005, published in the paper on 11 February 2006, entitled “Time to evict a legendary cuckoo from our nest”, with the sub-heading: “Contrary to myth, The Times long ago lost interest in this deceptive herald of spring.” Ms Baker, who had moved on to become the paper's feedback editor, wrote that, although “first cuckoo” letters were still received each year, none was published. “That we still publish “first cuckoo” letters is perhaps the greatest myth in Times lore and I am almost reluctant to explode it,” she wrote. But explode it she did, concluding her piece, “So I extend a warm welcome, wherever he or she presently is, to the first cuckoo of this spring. But please, don't tell us about it.”
Het horen roepen van de eerste koekoek werd vroeger allerlei voorspellende en gelukbrengende kracht toegeschreven. Er is geen vogel, zegt Jacob Grimm, die zoveel talent tot voorspellen wordt toegeschreven als de koekoek. Een Duitse uitdrukking vat dit heel kernachtig samen: “Das weiss der Kuckuck”.

Een heel oud gebruik, dat al in Vanden Vos Reynaerde opduikt, bestaat erin de koekoek te ondervragen naar de leeftijd die men zal bereiken.
Kukuk vam häven
wo lange sall ik leven?
riepen de kinderen in Niedersachsen als ze een koekoek hoorden. In Zweden vertelde de roepende koekoek aan jonge meisjes hoelang het zou duren eer ze trouwden:
Gök, gök sitt på quist, / säg mig vist, / hur många år / jag o-gift går? 
Koekoek, op je tak, /zeg mij eerlijk, / hoeveel jaren / blijf ik ongetrouwd?
Koekoekte de vogel vervolgens meer dan tien keer, ging men ervan uit dat hij op een behekste tak zat en de voorspelling bijgevolg niet ernstig moest worden genomen. 
De eerste koekoek horen met veel geld op zak, voorspelde een jaar van voorspoed. Was je op het moment van de eerste koekoeksroep echter platzak, was dat een slecht voorteken: je zou dan het hele jaar krap bij kas zitten. In Engeland en in Duitsland geloofde men, dat je als je de eerste koekoek hoorde, met je centen moest rinkelen: je wensen zouden dan in vervulling gaan. Hoort men in de Schotse Highlands de eerste koekoek terwijl men zit te eten, zal het jaar goed verlopen. Hoort men hem daarentegen in Duitsland op de nuchtere maag, kan men zich aan een jaar vol honger verwachten. In Frankrijk heeft het horen van de eerste koekoek vóór de casse-croûte dan weer tot gevolg dat je de rest van het jaar als een luie donder zal slijten. In Somerset zetten de kinderen het na het horen van de eerste koekoek op een lopen, om te vermijden dat ze lui zouden worden voor de rest van het jaar. Als in Cornwall de roep van rechts komt, is dat een goed teken; komt hij van links, heb je brute pech. Als in Noorwegen de koekoek in het noorden roept, voorspelt dat de dood; komt de roep uit het zuiden, ligt er een goede oogst in het verschiet; bij een westelijke koekoeksroep worden je wensen vervult en bij een oostelijke heb je geluk in de liefde. Enzovoort. Enzovoort.

De koekoeksroep is soms een metafoor voor het volle leven: waar de koekoek roept, daar gebeurt wat de moeite waard is. In de visie van de tekstschrijvers van de vele stapliederen die tussen de twee wereldoorlogen en tot in de jaren 1960 werden gezongen, vooral door de kortgerokte en -gebroekte meisjes en jongens van de diverse jeugdbewegingen die Vlaanderen rijk was, verwees de koekoek naar een sterk geromantiseerde natuur, die steevast werd gecontrasteerd met het oprukkende, maar verguisde, stadsleven.
Ontwaakt gij luie slapers,
de koekoek roept u op.
’t Wordt tijd om te ontwaken,
de koekoek roept u op.
Koekoek, koekoek!
De koekoek roept u op.
De zon kleurt met haar stralen
de groene heuveltop.
Koekoek, koekoek!
De koekoek roept u op.
Maar de koekoek heeft ook een donkere kant. Hij werd in het volkse bijgeloof soms geassocieerd met de duivel, en mogelijk daarom was hij nu en dan een boodschapper van slecht nieuws. De tweetoon heeft inderdaad het vermogen een melancholische sfeer te creëren. Volgens de dichters uit het middeleeuwse Wales confronteert hij ons steeds weer met de vergankelijkheid der dingen, met de vluchtigheid van het bestaan. “Cw? Cw?” weerklinkt het telkens opnieuw: “Waar? Waar?” - waar is onze jeugd gebleven, waar ging de liefde heen, mais où sont les neiges d’antan? In een Frans lied, in 1890 uitgegeven in Cinquante chants populaires receuillies dans la Haute Normandie et harmonisées par Edouard Moullé en vooral bekend geworden in de versie van de folkgroep Malicorne, brengt een koekoek het droeve nieuws van de dood van de geliefde.
Quand je menais mes chevaux boire
Ilaire, ilaire, itou, ilaire
Ilaire, oh ma nanette
Quand je menais mes chevaux boire
J'entendis le coucou chanter (bis)
Il me disait dans son langage
Ilaire, ilaire, itou, ilaire
Ilaire, oh ma nanette
Il me disait dans son langage
"Ta bien aimée vont l'enterrer" (bis)
Ah! Que dis-tu méchante bête?
Ilaire, ilaire, itou, ilaire
Ilaire, oh ma nanette
Ah! Que dis-tu méchante bête?
J'étais près d'elle hier au soir (bis)
Mais quand je fus dedans la lande
Ilaire, ilaire, itou, ilaire
Ilaire, oh ma nanette
Mais quand je fus dedans la lande
J'entendis les cloches sonner (bis)
Mais quand je fus dedans l'église
Ilaire, ilaire, itou, ilaire
Ilaire, oh ma nanette
Mais quand je fus dedans l'eglise
J'entendis les prêtres chanter (bis)
Donnais du pied dedans la chasse
Ilaire, ilaire, itou, ilaire
Ilaire, oh ma nanette
Donnais du pied dedans la chasse
Réveillez-vous, si vous dormez (bis)
Non, je ne dors ni ne sommeille
Ilaire, ilaire, itou, ilaire
Ilaire, oh ma nanette
Non, je ne dors ni ne sommeille
Je vous attends dedans l'enfer (bis)


Thomas Bewick, Koekoek. Ingekleurde houtsnede uit A History of British Birds (1797).
J.G. Keulemans, Koekoek. Lithografie.
J.G. Keulemans, Koekoek. Lithografie. In Onze Vogels 2 (1873). 

In vroeger dagen ging het horen van de eerste koekoek vaak met een feestelijke sfeer gepaard. In sommige streken van Duitsland kreeg eertijds wie de vogel het eerst hoorde roepen, een ei getrakteerd. In Engeland werden diverse voorjaarskermissen met de koekoek in verband gebracht. Een motief dat er in nogal wat verhalen opduikt, is dat van de koekoek die niet alleen de lente aankondigt maar ze tevens incarneert. De plot gaat gewoonlijk zo: de burgers van één of ander plattelandsstadje – Gotham in Nottinghamshire, Madely in Gloucestershire, Borrowdale in Cumberland, Wing in Rutland… – willen dat de lente eeuwig in het land blijft. Dus besluiten ze rond een bosje waarin een koekoek zit te roepen een hek te bouwen of een haag te planten. Helaas, de koekoek vliegt toch weg en met hem verdwijnt de lente. De clou is steevast dat de Gothammers of Borrowdalers besluiten dat ze gewoon het hek wat hoger hadden moeten maken, dan had de vogel niet weg gekund. Verhalen van dit soort zijn natuurlijk quasi universeel: de ene groep mensen vertelt ze over een andere om aan te tonen hoe onnozel die wel zijn. Ze gaan over domoren die de reflectie van de maan in een waterput voor een bol kaas nemen, of die het schijnsel van diezelfde maan op een kerktoren interpreteren als vuur en prompt aan het blussen slaan. Volgens sommige auteurs gaan de koekoeksverhalen echter over méér dan alleen maar de dommigheden van een stel Britse boeren van Olen. John Edward Field bracht vertelsels als deze in verband met de vele plaatsen die Cuckoo Pen heten en waar gewoonlijk sporen te vinden zijn van oude aardeconstructies – wallen, tumuli e.d. In The Myth of the Pent Cuckoo ontwikkelt hij de theorie dat de insluiting van de koekoek (cuckoo penning) de echo is van een oud seizoensritueel dat te maken had met de komst van de lente en de vruchtbaarheid die zij brengt. De aardeconstructies zouden relicten zijn van de oude cultusplaatsen.

Hera met koekoek.


Was de koekoek ooit een cultusvogel? Er is een Griekse mythe die zegt dat Zeus, toen hij er niet in slaagde Hera op gewone wijze te veroveren, zich in een koekoek veranderde (Zeus was een meester in het versieren van goddelijke én sterfelijke vrouwen in de meest uiteenlopende gedaanten). Hera was vertederd door de mooie vogel en drukte die tegen haar boezem. Daarop veranderde de koekoek weer tot Zeus, die de jonge godin overweldigde. Volgens Pausanias maakte de beeldhouwer Polukleitos ooit een prachtig beeld van Hera dat de godin voorstelde, gezeten op haar troon, met een scepter in de hand; bovenop die scepter prijkte een koekoek. Ook een lekythos in het British Museum toont Hera met zo’n koekoeksscepter. Vaak zit er een vogel mee op Hera's troon, naar verluidt een koekoek. Of dit er echter op wijst dat de koekoek ooit een rol speelde in de cultus van Hera, is  niet zeker. De betekenis van de mythe waarin Zeus zich als koekoek aan de godin opdringt, is volstrekt onduidelijk en misschien heeft men de mythe wel gewoon geconcocteerd om te verklaren waarom Hera een koekoek als attribuut had.

Hoewel er nog wel verwijzingen naar de koekoek zijn in de Griekse mythologische traditie. De plek waar Zeus, in koekoeksgedaante, zich met Hera zou hebben verenigd, was de Kokkugion, de Koekoeksberg dus, die eerder de Thronax werd genoemd omdat Zeus er, hoog in de nevelen, zou hebben getroond en er daarom ook een aan hem gewijd heiligdom was. Ik vermeld ook nog graag even het fantastische Nephelokokkugia uit de komedie De Vogels van de Atheense blijspeldichter Aristophanes. In deze politieke satire - of is het veeleer een sprookje? - zijn twee Atheense burgers, Euelpides en Peisthetairos het eeuwige gekrakeel, de eindeloze burgertwisten en de permanente oorlogsdreiging van hun stad spuugzat. Ze gaan op zoek naar goede raad en trekken daarom naar het vogelpaar Tereus en Prokne, ooit een mythisch koningspaar met een bloedstollende voorgeschiedenis van wellust, bloeddorst en wreedheid, maar nu als hop en nachtegaal idyllisch samenlevend met het gevederde volkje. De Atheners stellen Tereus de vraag waar ze het beste zouden kunnen leven, maar geen van de antwoorden die ze krijgen, voldoet echt. Maar dan krijgt Peisthetairos een geweldig idee. Met vereende krachten moeten de vogels een sterke stad in de lucht bouwen, vanwaaruit ze over goden en mensen zullen regeren. Onder leiding van de twee Atheners, die inmiddels al vleugels en veren hebben gekregen, komt het luchtkasteel wonderlijk snel tot stand. “Nephelokokkugia” heet het, wat zoiets betekent als “Wolkenkoekoeksburg”. De muren van de nieuwe burcht verhinderen dat de rook van de offers de goden bereikt, zodat die honger beginnen te krijgen. Mensen en goden sturen gezanten om de zaak te verkennen en hun politieke houding te bepalen. Prometheus raadt Peisthetairos en Euelpides aan geen enkele toegeving te doen. Zeus, die de lieve vrede wil bewaren, geeft uiteindelijk Basileia, het Koningschap, aan Peisthetairos ten huwelijk en zo besluit De Vogels met een vrolijke bruiloft.

Over de betekenis van dit bizarre stuk is veel inkt gevloeid: is het een onschuldig sprookje, escapistisch van toon, of een reactionaire utopie die de terugkeer predikt naar een oligarchische of zelfs monarchistische staatsvorm? Gaat het over de restitutie van een goddelijk koningschap, met Peisthetairos en Basileia als de nieuwe Zeus en Hera? Wat mij hier vooral interesseert, is dat de naam van Aristophanes’ luchtkasteel expliciet aan de koekoek refereert. Is dat omdat de dichter hem gewoon goed en grappig vond klinken? Alludeert hij op een oud, maar inmiddels onduidelijk, verband tussen Zeus, Hera, en de koekoek, waarbij het hieros gamos van Zeus, de koekoek, met de maagd Hera nog eens wordt herhaald, nu niet op de top van de Kokkugion maar in het nieuwe Nephelokokkugia? Of zit in de verwijzing naar de vogel een ironische hint verscholen naar diens elusieve karakter? Wordt zo de irrealiteit van de nieuwe stad nog eens onderstreept: niet alleen wordt de utopische polis in de lucht gebouwd, van en op wolken, ze draagt bovendien de naam van de koekoek, de vogel die uit het niets opduikt en weer verdwijnt, en vaak niet meer is dan een roep die wordt gehoord zonder dat de roeper zelf ooit wordt gezien, de vogel die de reputatie heeft een dief te zijn, die zijn eieren in een vreemd nest legt en zijn jongen door anderen laat grootbrengen... 

Soms wordt nog wel geopperd, in navolging van de natuurmytholoog Wilhelm Mannhardt, dat de koekoek ooit een rol speelde in de Germaanse religie en meer bepaald met de godin Freya werd geassocieerd. Freya was een godin van natuur en vruchtbaarheid. “Het is […] Freya die de mensen een lang leven, voorspoed, geluk in het huwelijk, kinderen, vruchten, een nieuw begin en de lente brengt”, schrijft Johan Boussauw in Vogels in volksgeloof, magie en mythologie. “Vandaar dat de haar toegewijde vogel aangeroepen werd door degenen die wilden weten hoe oud ze zouden worden, hoeveel kinderen ze zouden krijgen of hoe lang het nog zou duren voor ze zouden trouwen. De eerste roep van de koekoek bepaalde of men een rijk of een schraal jaar tegemoet ging.”



Verhalen als dat van de domme Wise Men of Gotham leggen niet alleen een verband met de lente, maar ook een associatie met zotheid bloot. Lente en zotheid of dwaasheid: ze gaan ook samen in het gebruik om op 1 april “de zotten op de dril” te sturen met één of andere dwaze boodschap of opdracht. In Engeland noemt men deze traditie van All Fools’ Day vooral in de noordelijker counties hunting te gowk of huntigawk; in het Duitse taalgebied heeft men het over Kukukjagen. De oorsprong van het gebruik van de zottendril is onbekend en de associatie met de koekoek is al evenmin duidelijk. Sommigen zien in het koekoekjagen de sporen van een oud initiatieritueel. Het kan ook gewoon te maken hebben met het feit dat een koekoek nu eenmaal erg moeilijk te lokaliseren is en dat het bijgevolg haast onbegonnen werk is er één te betrappen. In vrijwel heel Europa hebben kinderen overigens de gewoonte om, als ze verstoppertje spelen, “koekoek” te roepen naar hun zoekende speelmakkertjes. 
De associatie van de koekoek met zotheid of dwaasheid heeft in het Engels ook betekenissen als “gek”, “dwaas” of “onnozelaar” opgeleverd voor cuckoo, als substantief en als adjectief; het Amerikaanse Engels kent zelfs een werkwoord cuckoo dat “dwaas doen” betekent. En cuckoo house, cuckoo farm, cuckoo academy en cuckoo's nest betekenen allemaal hetzelfde: psychiatrische instelling of, wat volkser en minder politiek correct, “zothuis”. Het hoeft verder geen betoog dat Margaret Thatcher niet de bedoeling had de bisschop van Durham een compliment te geven toen ze als reactie op diens kritiek op de Tories, verklaarde: “After all, it wouldn’t be spring, would it, without the voice of the occasional cuckoo?”

Cuculus canorus is wat ornithologen een vértrekker noemen. Hij arriveert laat in zijn zomeroord en trekt er vroeg weer weg. Voor men enig benul had van het fenomeen vogeltrek, zat men aardig in de maag met wat er, naargelang de streek, zo ergens in juli of augustus met de koekoek gebeurde. Een wijd verbreide opvatting was, dat de koekoek in de winter een klamper, een roofvogel werd. In De Spechten en de Koekoeken van België (1941) schrijft de ornitholoog R. Verheyen hierover: “Het geloof dat Koekoek en Sperwer één en dezelfde vogel zijn, leeft thans nog voort te Turnhout, om Hoepertingen, in Brabant, te Wijnegem en Halle, om Luik en in de Ardennen, verder nog hier en daar in de Maasvallei, in Condroz, in Haspengouw, in de Borinage en om Templeuve.” Een Occitaans spreekwoord uit de Val d’Aran in de Pyreneeën zegt dat de koekoek met Sint-Barnabas (11 juni) weer een sperwer wordt: “Entà St. Bernabèr eth cocut qu’es vire esparvèr”. Het gaat hier om een zeer oud en hardnekkig denkbeeld, dat al diep geworteld was in de tijd van Aristoteles, die het als onzin van de hand deed. De Romein Plinius slikt het echter als koek (Naturalis Historia, boek X):
De koekoek schijnt uit een havik te ontstaan door in een bepaalde periode van het jaar van gedaante te veranderen; de andere haviken vertonen zich met uitzondering van een zeer beperkt aantal dagen, in die periode immers niet. Zelf is de koekoek ook gedurende een beperkte periode in de zomer te zien; daarna wordt hij niet meer waargenomen. De koekoek heeft als enige havikachtige geen kromme klauwen en afgezien van zijn kleur lijkt hij qua kopvorm of anderszins niet op een havik maar ziet er eerder uit als een duif. Ja, hij wordt zelfs door de havik opgegeten als ze zich eens tegelijkertijd vertonen en is zo de enige vogel die door een soortgenoot wordt gedood. Ook verandert hij van roep.
Een specifieke variant op dit denkbeeld was, dat de koekoek in zijn eerste jaar koekoek was maar de rest van zijn leven als roofvogel sleet.

Waarschijnlijk als reactie op deze bizarre uitleg, maakte al bij Jacob van Maerlant in de 13de eeuw, maar vooral later in humanistische kringen, de geloofwaardiger theorie opgeld dat de koekoek een winterslaap hield. Zo schrijft bijvoorbeeld Jonstonus in zijn Naeukeurige beschrijving van de natuur der viervoetige dieren, vissen en bloed-looze water-dieren, vogelen, kronkel-dieren, slangen en draken (1660): “Des winters verbergt hij sich in de hollen der aarde, stenen en bomen. Des winters als hij verschuilt is hij sonder veren, en is te geloven, dat hij met het gene hij daar vergadert, oft gevonden heeft, sich onderhoudt, oft op wijs der swaluwen en beeren leeft.” In Jacht-bedrijff klinkt een moderner aandoende twijfel door: “Blijven selden hier te lande, en als een enckel blijft, soo is de gemene opinie, dat een nest in een holle boom soude maecken, en des somers provisie van appelen, peren en andere vruchten in brengen, en dan indien selfde nest den winter over, daer hij maeckt in soude leggen en ruijenn en sijn veeren tegens den vortijdt weer krijgen, doch noijt een gesproocken die sulx met waerheijt selfs te hebben gesien heeft willen getuijgen.”

Men heeft nog andere verklaringen voor het winterse verdwijnen van de koekoek verzonnen. Volgens de overlevering van het plaatsje Elp in het Nederlandse Drenthe zouden de Elpers “na de langste dag de koekoek in een kist opsluiten. Na de winter laten ze hem er weer uit. In Schoonloo zegt men dan ook spottend als de eerste koekoek in het voorjaar wordt gehoord: ‘De Elpers hebben de koekoek weer losgelaten.’” De spotnaam voor de Elpers is koekoeken of koekoeksdieven, wat volgens sommigen overigens niet zou verwijzen naar de vogels, maar naar ene mijnheer Koekoek, een vermogend man die een kanaal wou graven om de Eems met de Zuiderzee te verbinden.
In de Schotse Highlands had men nog een andere uitleg voor het tijdelijke verdwijnen van de vogel: de koekoek verblijft onder de grond, niet om er zijn winterslaap te houden, maar om er te leven tussen de fairies, het elfenvolkje, dat zich onder de heuvels en in de terpen ophoudt. Hij heeft dus een connectie met de andere wereld, wat dan meteen ook verklaart waarom hij zo moeilijk te zien en te benaderen is - denk aan Wordsworths “Shall I call thee Bird, / Or but a wandering Voice?” - en aannemelijk maakt dat hij over profetische gaven beschikt en zowel geluk als ongeluk kan brengen aan wie hem hoort of ziet.


Cuculus (koekoek). In Conrad Gesner, Avium natura (1555).
De smalle, langgerekte lichaamsvorm met spitse vleugels en lange staart zijn present, 
net als de fijne dwarsbanden over de borst. Maar de snavel is eerder valkachtig 
en de poten zijn totaal fout: ze zijn veel te groot en de zygodactyle plaatsing 
van de tenen ontbreekt.
Franz de Hamilton, Vogelconcert. Olieverf op doek, 1670.
Eén van de zeer zeldzame schilderijen met vogels waarop een duidelijk identificeerbare koekoek staat afgebeeld 
(boven de zeearend, rechts van de dwergpapegaai).

Omgeving van Joris Hoefnagel. Antwerpen, Collectie Phoebus Foundation.
In dit wat stuntelig uitgevoerde schilderij dat een feest (bruiloft?) lijkt voor te stellen en ook een allegorische verwijzing bevat naar Invidia, de afgunst, is in de voorgrond een serie vogels afgebeeld die niet allemaal met zekerheid kunnen worden geïdentificeerd. In de boom links zit een valk (giervalk?), in de voorgrond van links naar rechts (dwerg?)aalscholver, gaai, jonge bosuil, goudvink, fazant, ijsvogel, koekoek, bosuil, grote trap. De koekoek is te fors en heeft een te korte staart, waardoor hij ook wel iets heeft van een duif. 

Anoniem, Vogels. Olieverf, 1619. Strasbourg, Musée des Beaux-Arts.
Dit fabelachtig accuraat geschilderde werk toont een reeks vogels die feilloos identificeerbaar zijn.
Centraal, net boven het midden een koekoek. 

Cuculus (koekoek). In Ulisse Aldrovandi, Ornithologiae hoc est
de Avibus historiae Libri XII (1599). Een veel preciezer portret dan bij Gesner:
de lichaamsvorm en de tekening zijn correct, de snavel is exact en de poten zijn
klein en zygodactyl, al zijn ze zo ingeplant dat het onwaarschijnlijk is dat ze de
vogel in staat stellen zich overeind te houden.


A wandering voice: voor velen is de koekoek vooral dàt. Kom je 's zomers in een gebied waar een koekoek zit, krijg je hem gegarandeerd te horen. Hem ook nog zien is echter wat anders: veel wandelaars, voor wie de koekoeksroep een vast ingrediënt is van hun zomerse omzwervingen, hebben de vogel nog nooit onder ogen gekregen. Grasduinend in oude bestiaria, geïllumineerde manuscripten met afbeeldingen van vogels, natuurlijke historiën uit de vroegmoderne tijd en vogelschilderijen uit latere eeuwen, kom je al gauw tot de vaststelling dat ook daar de koekoek bijzonder schaars is.

Heeft het ene met het andere te maken? Is de weinig zichtbare levenswandel van Cuculus canorus verantwoordelijk voor de rudimentaire iconografie van de vogel?
Het lijkt er wel op. Niet alleen tref je maar heel weinig voorstellingen van de koekoek aan, bovendien zijn de zeldzame afbeeldingen van het dier gewoonlijk weinig gelijkend. Waar in middeleeuwse miniaturen putter, ijsvogel, boomklever, gaai, hop, goudvink, ekster of roodborst frequent en heel herkenbaar worden weergegeven, is de koekoek maar heel zelden van de partij. En als hij al ergens opduikt, in een of ander bestiarium, lijkt het gepresenteerde beest veelal van geen kanten op een echte koekoek en moeten we het doen met een stereotiepe vogel die qua lichaamsbouw noch kleur met de realiteit overeenstemt. Vroegmoderne natuurhistorische werken, zoals die van de Zwitserse humanist Conrad Gesner, tonen een vogel die in sommige opzichten op het echte beest lijkt en in andere er totaal van afwijkt. Vooral de poten van de Cuculus in Avium natura (1599) lijken in niets op die van de echte vogel: als de kunstenaar die de houtsnede maakte zich al heeft gebaseerd op een voorbeeld uit de natuur, had hij waarschijnlijk slechts een balg zonder poten ter beschikking. De houtsnede van een koekoek in Ulisse Aldrovandi's Ornithologiae hoc est de Avibus historiae Libri XII, uit 1599, is daarentegen wél heel gelijkend: hier had de illustrator ongetwijfeld een echte koekoek voor zich liggen, of misschien kon hij het dier wel observeren in een kooi.

Maar Aldrovandi's voltreffer is een zeldzaamheid. Zelfs in het populaire 17de-eeuwse vogelconcert of vogelparlement, een genrestuk dat vooral in de Nederlanden in trek was, moet je haast met een loep de koekoek zoeken. Een speurtocht doorheen het oeuvre van de grote meesters van het genre - Frans Snijders, Jan Brueghel de Jonge, Jan Fyt, Paul de Vos, Jan van Kessel de Oude, Melchior d’Hondecoeter - levert nauwelijks iets op. In feite vond ik alleen in een Vogelconcert van de Brusselaar Franz de Hamilton een duidelijk identificeerbare koekoek terug. En uiteraard is er ook een voortreffelijk gepenseelde koekoek in het vreemde anonieme Vogels, een werk uit 1619 dat zich in het Musée des Beaux-Arts van Strasbourg bevindt. De onbekende schilder heeft ongetwijfeld een echte koekoek gezien, hoewel de wijze waarop de vogel op een tak zit, doet betwijfelen of hij het levende beest echt in actie heeft kunnen waarnemen. Pas in ornithologische werken uit de 19de eeuw treffen we koekoeken aan die niet alleen op het vlak van vorm, kleur en tekening, maar ook wat betreft de houding waarin ze zitten, precies met de realiteit overeenstemmen.
        
Eieren van een parasitaire koekoek (C) en zijn waardvogels (H). De koekoek
is Horsfields bronskoekoek (Chrysococcyx basalis), een Australische soort. 

Nesten van waardvogels met koekoeksei (zwarte pijl): grote karekiet, gekraagde roodstaart,
kleine karekiet.


Het bijzonderste aan de koekoek is wel de wijze waarop hij zich voortplant.
Een bekend liedje vat de essentie van de broedbiologie van Cuculus canorus kort en krachtig samen:
De koekoek is een slimme gast.
Koekoek!
Van zorgen heeft hij nimmer last.
Koekoek!
Al zingt de grasmus niet opperbest,
Hij legt zijn ei in hare nest.
Koekoek! Koekoek! Koekoek!
De koekoek is een broedparasiet. Dat wil zeggen dat volwassen koekoeken niet zelf hun eieren bebroeden en hun jongen opkweken, zoals de meeste vogels dat wél doen. Nee: een koekoekwijfje legt haar eieren in het nest van andere vogels – waardvogels – en laat aan hen het broeden en grootbrengen over. Dat klinkt simpel, maar is het niet: de voortplanting van de koekoek is een complexe materie.

Het gaat ongeveer zo.

De mannetjeskoekoeken arriveren een week of wat eerder dan de vrouwtjes in het broedgebied en beginnen prompt met hun roep een territorium af te bakenen. Daarbij gaan ze vaak als dollen te keer en als territoriale haantjes mekaar ontmoeten, willen er wel eens veren in het rond vliegen. Als de wijfjes zijn aangeland en de paring is voltrokken, start het wijfje haar legronde. Zorgvuldig zoekt ze nesten van waardvogels op, inspecteert ze grondig en langdurig, en legt dan bliksemsnel haar ei. Eerst haalt ze één van de al in het nest aanwezige eieren weg: dat laat ze gewoon vallen of ze eet het op. Vandaar bijnamen als suck-egg, eierzuiper en Eierschluck - men dacht vroeger zelfs dat een koekoek niet kon zingen vooraleer hij het ei van een andere vogel had gegeten (men dacht ook dat het vrouwtje zingt):
The cuckoo's a bonny bird, he whistles as he flies
He brings us good tidings, he tells us no lies,
He sucks little birds' eggs to keep his throat clear,
And never sings cuckoo till summer draws near. 
Vaak leidt het mannetje de waardvogel af terwijl het ei wordt gelegd. Hoe een wijfje precies haar eieren deponeert in de voor een vogel van haar formaat soms volstrekt ontoegankelijke zangvogelnesten was lang een raadsel. Vandaag weten we dat het ze over een haast telescopische cloaca beschikt, die haar toelaat haar ei met chirurgische precisie zelfs in een tussen de balken en de pannen van een schuur geklemd zwaluwnest te mikken. Daar komt wel nu en dan wat onhandig gefladder bij te pas - de koekoek hangt soms boven een nest als een Hollander boven een Franse WC, schrijft Midas Dekkers - maar het blijft verbluffend hoe trefzeker het leggen al met al verloopt. Bovendien heeft een koekoeksei een verrassend dikke schaal: het kan tegen een stootje en hoeft daarom ook niet exact in het midden van een nest te worden gemikt, op de rand is ook al goed en dan rolt het wel vanzelf tot waar het zijn moet. Tot een flink eind in de 20ste eeuw dachten nogal wat ornithologen echter dat een wijfjeskoekoek haar ei op de grond legde en het vervolgens in de snavel nam om het in een waardvogelnest te deponeren – sommigen waren er zelfs van overtuigd dat het ei in de krop werd vervoerd en in het waardvogelnest uitgebraakt! Alfred Newton, de gezaghebbende ornitholoog van Cambridge University, beschreef in zijn overigens zelfs vandaag nog erg interessante A Dictionary of Birds (1893-1896), uitvoerig het fictieve leggedrag van het koekoeksvrouwtje:
So much caution is used by the hen Cuckow in choosing a nest in which to deposit her egg that the act of insertion has been but seldom witnessed. The nest selected is moreover often so situated, or so built, that it would be an absolute impossibility for a bird of her size to lay her egg therein by sitting upon the fabric as birds commonly do; and there have been a few fortunate observers wha have actually seen the deposition of the egg on the ground by the Cuckow, who, then taking it in her bill, introduces it into the nest. Of these, so far at least as this country is concerned, the earliest seem to be two Scottish lads, sons of Mr. Tripeny, a farmer in Coxmuir, who informed Weir, as recorded by Macgillivray (Brit. Birds, iii. pp. 13,131), that they saw most part of the operation performed, 24th June 1838. But perhaps the most positive evidence on the point is that of Herr Adolf Müller, a  forester at Gladenbach in Darmstadt, who says (Zoolog. Garten, 1866, pp. 374, 375) that through a telescope he watched a Cuckow as she laid her egg on a bank, and then conveyed the egg in her bill to a Wagtail's nest. Cuckows too have been not unfrequently shot as they were carrying a Cuckow's egg, presumably their own, in their bill, and this has probably given rise to the vulgar, but seemingly groundless, belief that they suck the eggs of other kinds of birds. 
Nog in de elfde editie van de Encyclopaedia Britannica (1910-1911) bevestigt een artikel van (de inmiddels overleden) Newton dit verhaal. Het was een amateur-ornitholoog, de industrieel Edgar Chance, die door nauwkeurige observatie van enkele koekoeken in het Wyre Forest, onomstotelijk bewees hoe het allemaal écht in zijn werk ging. Chance observeerde niet alleen, hij legde alles bovendien vast op film - de documentaire The Cuckoo’s Secret, gevolgd door een boek met dezelfde titel en vervolgens nog een tweede boek, The Truth about the Cuckoo.


Koekoeksjong verwijdert eieren uit nest rietzanger.

Koekoeksjong met boompieper als pleegouder.
Koekoeksjong met rietzanger.
Koekoeksjong in boerenzwaluwennest.


Koekoeksjong. De schreeuwlelijk heeft het nest verlaten.


Hoeveel eieren een enkel wijfje legt, is niet helemaal duidelijk, maar het zouden er 9 tot 25 kunnen zijn, telkens één per waardvogelnest - als je in één enkel nest twee koekoekseieren vindt, zijn die in de regel afkomstig van twee verschillende wijfjes. De waardvogels zijn zeer divers: alleen al in Europa worden meer dan 100 soorten bezocht, waarbij in onze streken vooral heggenmus, kleine karekiet, rietzanger, zwartkop, graspieper, winterkoning en roodborst bijzonder in trek zijn. De eieren van die soorten worden redelijk tot zeer goed gekopieerd.

De vraag hoe het kopiëren van zo'n waardvogelei in zijn werk gaat, heeft ornithologen veel hoofdbrekens gekost. Hoe fikst een koekoekshennetje het? Ze zit boven een nest met daarin eieren van een rietzanger, een graspieper, een heggenmus of nog een andere kleine zangvogel en moet nu zelf een ei produceren dat, zo mogen we toch aannemen, bij voorkeur zoveel mogelijk lijkt op wat al in het nest aanwezig is. Want de onvrijwillige gastvrouw en gastheer mogen niet merken dat er zich een vreemd object in hun kinderkamer bevindt - dat zou er wel eens zonder pardon kunnen worden uitgekieperd. Vroeger veronderstelde men dat de koekoek een spectaculair talent tot kopiëren had. Het vrouwtje scande als het ware de kleur en de tekening van de eitjes in het nest dat ze was binnengedrongen, gaf dit mentale beeld op één of andere manier door aan haar uterus, en die reproduceerde het op het ei dat steels aan het legsel werd toegevoegd. Zo werkt het natuurlijk niet: een koekoek is geen scanner/copyer/printer, die prompt kopieert wat hem wordt voorgelegd.  Koekoekshennetjes zijn specialisten. Ieder koekoekswijfje houdt zich aan één enkele waardvogelsoort en die preferentie wordt aan de vrouwtjes van de volgende generaties doorgegeven. Zo vormen zich gentes (enkelvoud gens), stammen van koekoeken waarvan de wijfjes allemaal dezelfde waardvogel bezoeken van wie ze de eieren meestal bijzonder goed kopiëren. De bijzondere relatie tussen de koekoeken van een bepaald gens en de waardvogel die zij prefereren, is het resultaat van een co-evolutionair proces dat wel eens is vergeleken met een wapenwedloop, waarbij elke partij telkens weer zijn strategie verfijnt om de andere te slim af te zijn.

Het koekoeksei komt gewoonlijk al na 11 dagen uit, dus even vroeg of zelfs eerder dan de eieren van de waardvogel (de incubatietijd is bij de rietzanger 12 dagen, bij de heggenmus 12-13, bij de graspieper 13). Gewoonlijk is er een directe evenredigheid tussen het formaat van een vogelei en zijn  incubatietijd, dus normaliter zou een koekoeksei - dat hoewel het in verhouding tot de afmetingen van de vogel erg klein is, meestal toch iets groter uitvalt dan dat van de waardvogel - niet eerder, maar net een beetje later moeten kippen dan de rest. De verklaring voor het vroege uitkomen is, dat het embryo in het ei zich al begint te ontwikkelen voor het ei wordt gelegd. De koekoekshen, die haar eieren maar elke andere dag legt, houdt een ei 24 uur extra in haar eileider, en de ontwikkeling die het daar doormaakt, geeft het een voorsprong op de eitjes van de waardvogel. Deze voorsprong bedraagt, zo heeft men kunnen vaststellen, bovendien méér dan 24 uur, omdat het ei in de eileider zich in een omgevingstemperatuur van 40°C ontwikkelt, terwijl de bebroede eieren het met 36-37°C moeten stellen. Die drie à vier graden extra leveren een voordeel op dat equivalent is met zes uur extra broedwarmte. Een koekoeksei heeft, op het moment dat het wordt gelegd, bijgevolg 30 uur voorsprong op de eieren van de waardvogel.

Zodra het koekoeksjong kipt, begint het de andere in het nest aanwezige eieren of al uitgekomen jongen eruit te gooien, een feit dat al in de 18de eeuw door de Britse ornitholoog Edward Jenner werd geobserveerd en beschreven. Het groeit bijzonder snel en is al gauw groter dan de pleegouders, die hierin blijkbaar een extra stimulus zien om nóg meer te voederen. Na een drietal weken, waarin het zo’n 4000 à 5000% in massa is toegenomen, vliegt het uit. Het blijft nog zo’n drie weken bij het nest rondhangen, bedelend om voedsel, vooraleer het zelfstandig is. De pleegouders blijven het de hele tijd doorvoederen, waarbij ze vaak bovenop de rug van de reuzenbaby moeten gaan zitten om het voedsel in de enorme opengesperde bek te kunnen stoppen.


Kuifkoekoek (Clamator glandarius), een wat grotere en meer spectaculaire koekoek uit het Middellandse-Zeegebied en Afrika.
In België een dwaalgast.

J.G. Keulemans, Kuifkoekoek.
Kuifkoekoek (Clamator glandarius), kuiken.
Net als de gewone koekoek is de kuifkoekoek een broedparasiet, waarvan het parasitisme echter ook gunstige gevolgen voor de waardvogels lijkt te hebben. Recent onderzoek door Daniela Canestrari van de universiteit van Oviedo (Spanje) heeft aangetoond dat in nesten van de zwarte kraai waarin een jonge kuifkoekoek opgroeit, de kraaienkuikens meer overlevingskansen hebben dan in een niet-geparasiteerd nest. De jonge koekoek scheidt uit zijn cloaca een walgelijk ruikende en irriterende secretie af, die katten, marters en roofvogels op een afstand houdt. Daar profiteren ook de jonge kraaien van. Bij kuifkoekoeken in kraaiennesten is er dus eerder sprake van commensalisme of mutualisme dan van zuiver parasitisme.

John James Audubon, Geelsnavelkoekoek (Coccyzus americanus). Uit The Birds of America, Folio Edition.
In tegenstelling tot de Europese koekoeksoorten is dit geen broedparasiet. Broedt in Noord- en Centraal-Amerika, overwintert in Zuid-Amerika.
Dwaalgast in Europa, o.a. in België. De nauw verwante zwartsnavelkoekoek (Coccyzus erythropthalmus) is een occasionele parasiet maar
brengt gewoonlijk toch zelf zijn jongen groot.

Broedparasitisme hoort bij de koekoek als boter bij vis en kommer bij kwel. Dat wil echter niet zeggen dat àlle koekoeken parasieten zijn en dat het verschijnsel tot de koekoek en zijn neven is beperkt. Dat is niet zo: onze Cuculus canorus en zijn nauwe verwanten, de echte koekoeken of Cuculini, zijn broedparasieten, maar de meeste vertegenwoordigers van de familie Cuculidae bouwen gewoon zelf een nest waarin ze hun kroost grootbrengen. Binnen de Cuculiformes of koekoekachtigen, de orde waarbij deze familie wordt ingedeeld, is broedparasitisme al helemaal niet dominant. Geen van de andere families, die men traditioneel tot de groep rekent, de toerako’s en de hoatzin, telt vertegenwoordigers met broedparasitaire neigingen. Eventjes tussendoor: de Cuculiformes vormen een vogelgroep waar taxonomen niet zo best raad mee weten. In de sinds de jaren 1930 vrijwel universeel gangbare systematiek van de Amerikaanse ornitholoog Alexander Wetmore, vinden we de koekoeken, de toerako’s en de hoatzin ergens in de buurt van de duiven, de papegaaien, de uilen en de nachtzwaluwen. Eerdere pogingen om de meer dan 10.000 vogelsoorten op basis van hun onderlinge verwantschap in te delen, plaatsten koekoeken samen met toerako’s, spechten en papegaaien in een formatie die klimvogels werd genoemd, Buffons grimpeurs, hoofdzakelijk omdat ze meestal een zygodactyle voetstructuur gemeenschappelijk hebben: twee tenen (de nummers twee en drie) naar voren en twee (de eerste en de vierde) naar achteren. Waarbij meteen dient opgemerkt, dat uilen, die nooit als klimvogels werden beschouwd maar bij Wetmore wel in de buurt van de zygodactyle orden Cuculiformes en Psittaciformes te vinden zijn,  óók een zygodactyle voet hebben, terwijl de hoatzin er géén heeft (en mede op grond van andere kenmerken dan ook wel eens bij de hoenderachtigen wordt ingedeeld in plaats van bij de koekoeken). Onderzoek heeft inmiddels aangetoond dat zygodactylie niet per se op verwantschap wijst, maar op verschillende tijdstippen in heel verschillende vogelgroepen is ontstaan (homoplasie). DNA-analyses maken bovendien hier en daar brandhout van Wetmores groepering van vogelorden: papegaaien blijken bijvoorbeeld de zustergroep te vormen van de zangvogels en hun zustergroep zijn de valken en caracara's; koekoeken horen waarschijnlijk in één grote groep thuis samen met de toerako’s, de trappen, de duiven en de zandhoenders; wat verderaf staan de nachtzwaluwen, de gierzwaluwen en de kolibries. In die nieuwe constellatie worden de Cuculiformes gewoonlijk een orde die alleen maar de behoorlijk homogene familie Cuculidae bevat, terwijl de toerako’s en de hoatzin eveneens worden gepromoveerd tot het hiërarchische niveau van orde. De Cuculidae vallen dan uiteen in een reeks onderfamilies, waarvan er in enkele wél en in de meeste geen broedparasieten zitten en die volgens bepaalde taxonomen toch weer net genoeg van elkaar verschillen om de rang van familie te verdienen. Tot de ani’s (Crotophaginae) uit Midden- en Zuid-Amerika behoren 4 soorten, insecteneters die in kolonies broeden en gezamenlijk hun eieren uitbroeden en hun jongen grootbrengen. De eveneens Amerikaanse Neomorphinae omvatten 11 soorten, waaronder de 8 niet-broedparasitaire grondkoekoeken (met de bekende roadrunner) en 3 broedparasitaire vormen. De 26 spoorkoekoeken of coucals (Centropodinae) uit Afrika en Zuid-Azië zijn geen van alle broedparasitair, evenmin als de 13 coua’s en verwanten (Couinae) uit Zuid-Oost-Azië en Madagascar. De onderfamilie Cuculinae, ten slotte, heeft zowel broedparasieten als niet-broedparasieten in haar rangen. Raffles’ malkoha van Malakka, Sumatra en Borneo, die in zijn eentje de stam Rhinorthini vormt, is geen broedparasiet. Bij de Phaenocophaeini worden 29 soorten ingedeeld die niet-broedparasitair zijn en 2 soorten die facultatief broedparasitair zijn (in de regel maken ze zelf een nest en broeden ze hun eieren uit, maar in bepaalde omstandigheden droppen ze hun eieren bij een ander); de 4 kuifkoekoeken (Clamator) zijn obligaat broedparasitair. De Cuculini ten slotte, de echte koekoeken, zijn alle 54 obligaat broedparasitair. In toto tellen de koekoekachtigen dus 81 niet-broedparasieten, 61 broedparasieten en 2 soorten die broedparasitair zijn als het hen zo uitkomt. Het hoeft geen betoog: zelfs al zijn er in de orde meer soorten die niet parasiteren dan die het wel doen, is het aantal broedparasieten enorm. Dat neemt niet weg dat er ook in nog andere vogelgroepen soorten worden aangetroffen die hun eieren leggen in het nest van een andere vogel, die dan ook instaat voor het grootbrengen van de jongen. N.B. Davies laat ze in zijn magistrale studie Cuckoos, Cowbirds and Other Cheats allemaal de revue passeren. Het zijn er een goede honderd: behalve de koekoeken nog een 20-tal vinkachtigen uit de Afrikaanse familie Estrildidae, 17 aan de spechten verwante honingspeurders (Indicatoridae) uit Afrika en Azië en 5 koevogels (cowbirds) uit de Amerikaanse troepialenfamilie (Icteridae). Maar wie bij het begrip “broedparasitisme” spontaan aan de koekoek denkt, maakt dus niet echt een fout: meer dan de helft van alle broedparasieten behoort tot de koekoeken.

Hoe is broedparasitisme ontstaan? Wat heeft de voorouders van de huidige koekoeken er ooit toe gebracht hun eieren te gaan leggen in de nesten van andere vogels? Uiteraard moet hen dit een evolutionair voordeel hebben opgeleverd, anders was het parasitaire gedrag genadeloos weg geselecteerd en kon het zich nooit tot een overerfbaar instinct ontwikkelen. Charles Darwin opperde al in het zevende hoofdstuk van On the Origin of Species dat broedparasitisme zich gradueel heeft ontwikkeld. Ooit, zo redeneert hij, is een wijfje van een verre voorouder van onze koekoek, begonnen met nu en dan, om verschillende redenen, eens een ei te leggen in het nest van een andere vogel. Dit leverde blijkbaar zowel de oudervogel als het ondergeschoven jong voordeel op - hetwelk precies weten we niet. Misschien toont vandaag de Amerikaanse koekoek (hij bedoelt hier de zwartsnavelkoekoek), die facultatief of occasioneel broedparasitair is maar gewoonlijk zelf een nest bouwt, zijn eieren uitbroedt en zijn jongen grootbrengt, nog hoe het in een grijs verleden met onze koekoek is begonnen.

Broedparasitisme lijkt wel het ei van Columbus: je legt je eieren in het nest van andere vogels, die brengen je jongen groot en klaar is Kees. Zo eenvoudig ligt het echter niet, in feite is de voortplanting van een broedparasiet als de koekoek zonder meer een huzarenstukje waarbij diverse factoren perfect op elkaar afgestemd moeten zijn, of het resultaat is desastreus. Vogels herkennen in de regel hun eigen soortgenoten en ook hun eieren. Een vogel die zijn ei in een vreemdsoortig nest legt, loopt het risico dat de eigenaar van het nest het vreemde object als afwijkend herkent en het bijgevolg naar buiten kiepert. Het komt er dus op aan een ei te produceren dat minimaal afwijkt van het legsel van de waardvogel. In de loop van een evolutionair proces dat zowel op de parasiet als op de waardvogel betrekking heeft zijn koekoekshennetjes zich gaan opsplitsen in gentes, die gespecialiseerd zijn in één bepaalde waardvogel waarvan ze de eieren goed kunnen kopiëren. Deze specialisatie is meteen ook een valkuil: wat indien een hennetje in haar buurt onvoldoende waardvogelnesten vindt van de soort waarin haar gens zich heeft gespecialiseerd? Dan ziet het er in de meeste gevallen niet goed uit voor de koekoek. Het hennetje kan alleen maar eitjes produceren met de print waarin haar gens gespecialiseerd is, gauw een eitje leggen met een ander motiefje is er niet bij. Ze kan hoogstens haar eieren op goed geluk gaan deponeren in nesten van andere soorten, en misschien is er hier en daar wel één bij dat door de mazen van het net glipt en uitgebroed raakt. Maar gewoonlijk loopt het faliekant af: de waardvogel ziet dat er iets loos is met dat ene ei en flikkert het genadeloos uit het nest. Dit is geen denkbeeldige situatie: milieufactoren, voedselaanbod e.d.m. hebben een impact op de populatie van waardvogels; gaat het een waardvogel voor de wind, boert de koekoek eveneens goed, krijgt de waardvogel tegenwind, deelt de koekoek in de klappen.

De merkwaardige voortplantingsbiologie van Cuculus canorus was reeds in de Oudheid bekend, al wisten naturalisten als Aristoteles en Plinius niet precies hoe de vork aan de steel zit. Plinius, bijvoorbeeld, geeft in boek X van zijn Naturalis historia een merkwaardige mix van correcte observaties en klinkklare onzin:
Hij legt zijn eieren altijd in de nesten van andere vogels, vooral van duiven. Meestal legt hij één enkel ei, wat geen enkele andere vogel doet, zelden twee. De reden dat de koekoek zijn jongen bij andere vogels onderbrengt is, zo denkt men, dat hij weet dat hij bij alle vogels gehaat is, want zelfs de kleinsten vallen hem aan. Daarom denkt hij dat zijn nakomelingen alleen veilig zijn als hij bedrog pleegt en daarom maakt hij geen nest. Het is overigens een schuw dier. Een moedervogel waarvan het nest is misbruikt brengt dus een ondergeschoven jong groot dat, van nature vraatzuchtig, voedsel voor de andere jongen weg snaait. Daardoor wordt het steeds dikker en vestigt, weldoorvoed als het is, de aandacht van zijn pleegmoeder op zichzelf. Zijn schoonheid schenkt haar vreugde en ze bewondert zichzelf omdat ze zo’n jong heeft voortgebracht. Vergeleken met hem verwaarloost ze haar eigen jongen, alsof het vreemden zijn, en duldt zelfs dat ze onder haar toeziend oog worden opgegeten, tot het koekoeksjong, als het al vliegvlug is, ook haar pakt.
Dat de koekoek zijn jongen in clandestiniteit laat opgroeien omdat hij beseft hoezeer hij en zijn kroost worden gehaat, is slechts één van de vele pogingen tot verklaring van het parasitaire gedrag van de vogel. In de loop der eeuwen zijn er nog heel wat andere gelanceerd, de ene al merkwaardiger dan de andere. Ik geef er enkele: zijn maag is te groot, waardoor hij niet op eieren kan zitten om te broeden; hij heeft zoveel voedsel nodig dat de vogel op het nest onmogelijk door zijn partner kan worden gevoederd; volwassen koekoeken eten vooral harige rupsen en de maag van de jonge vogels kan die niet verteren – daarom nemen pleegouders het voederen over; het wijfje legt wel twintig eieren en dan nog met tussenpozen van twee dagen, zodat het oudste ei bedorven zou zijn voor met broeden kan worden begonnen; de lichaamstemperatuur van een koekoek is te laag om een ei uit te broeden; omdat de mannetjeskoekoek de eieren opat die het vrouwtje legde, ging dat van arren moede haar legsel verstoppen in het nest van andere vogels; het vrouwtje is te lui om zelf een nest te bouwen en legt daarom haar eieren maar links en rechts waar het haar uitkomt, in het nest van een andere vogel; de koekoek had het zo druk met antwoorden op het koekoeksgeroep van kinderen, dat hij geen tijd had om een nest te bouwen; de mannetjeskoekoek is een flierefluiter die de hele tijd achter andere vrouwtjes aanzit en zich niet om het uitbroeden en het grootbrengen van de jongen bekommert, zodat zijn wederhelft er alleen voorstaat en onder druk van de omstandigheden haar eieren maar bij pleegouders is gaan achterlaten. Etcetera, etcetera. Ook wetenschappelijker klinkende verklaringen overtuigen niet echt. Zo lijkt het weinig waarschijnlijk dat de koekoek, omdat hij de in Eurazië rondtrekkende kudden met wilde runderen volgde om op de eromheen zwermende insecten te jagen, niet aan nestelen toekwam en daarom stilaan tot een parasitaire levenswijze overging. Van de koekoek is nooit waargenomen dat hij effectief grote hoefdieren bezoekt voor de horzels, dazen e.d. die ze met zich dragen of de sprinkhanen die ze opjagen, terwijl bij vogels die dat wél doen, zoals de spreeuwachtige ossenpikkers of de koereigers, broedparasitisme niet voorkomt. 

Plinius’ bewering dat de jonge koekoek uiteindelijk ook zijn pleegouders opvreet, was een hardnekkig leven beschoren. In zijn Parlement of Fowles noemt Chaucer de koekoek de “mortherere of the heysoge”, de moordenaar van de heggenmus. Shakespeare laat in King Lear de nar dezelfde opvatting verwoorden:
For you know, nuncle,
The hedge-sparrow fed the cuckoo so long
That it’s had it head bit off by it young.
Het is verrassend hoezeer zelfs teksten van natuurwetenschappers tot in de 20ste eeuw zijn doortrokken van morele verontwaardiging om het verwerpelijke gedrag van het koekoeksjong. “This proceeding of the cuckoo, of dropping its eggs as it were by chance, is such a monstrous outrage on maternal affection, one of the first great dictates of nature; and such a violence on instinct; that, had it only been related of a bird in the Brazils, or Peru, it would never had merited our belief”, schrijft Gilbert White op 19 februari 1770 aan Daines Barrington (The Natural History of Selborne). En Alphonse Toussenel is van oordeel dat:
Le coucou est un des plus épouvantables emblèmes d'infamie que la nature ait forgés. C'est un miroir de perversité omnimode qui reflète avec une intensité étrange les sept nuances de la gamme du vice, dite des sept péchés capitaux, Gourmandise, Paresse, Avarice, Luxure, etc., avec la soif du meurtre et l’ingratitude féroce par-dessus le marché; le jeune coucou débute dans la vie par le crime; ses yeux ne sont pas encore ouverts à la lumière du jour, que sa conscience est déjà chargée de cinq ou six infanticides.
Nog in 1943 veroordeelt Frances Pitt de koekoek: “There is no more scandalous bird than the cuckoo. By no standard of conduct, whether human or animal, can its habits of life be condoned.” Vooral de wijfjes konden in Pitts ogen absoluut geen genade vinden; ze noemde ze lui, flirterig, promiscu en verwerpelijk. En zelfs in de woorden van Duff Hart-Davis in Fauna Britannica (2002) klinkt onderhuids een morele veroordeling door:
The composer Frederick Delius may have written a lyrical piece about the bird (...) but the truth is that the habits of a hen cuckoo are as deceitful as they are inexplicable. Not only does she, a parasite, impose herself on birds many times smaller than herself, and by deception force them to raise her offspring: she also lays an exceptional number of eggs - up to 25 in a season - and so extends her destructive influence to many victims.
Aan het slot van Love's Labours Lost, schrijft Shakespeare:
When daisies pied and violets blue,
And lady-smocks all silver-white,
And cuckoo buds of yellow hue
Do paint the meadows with delight,
The cuckoo then on every tree
Mocks married men; for thus sings he,
Cuckoo;
Cuckoo, cuckoo: O word of fear,
Unpleasing to a married ear!
Op grond van zijn vreemde voortplantingsgedrag, werd de koekoek al heel vroeg met veelwijverij, ontrouw en buitenechtelijk kroost geassocieerd. Met het Duitse Gauch, het Franse cocu en het Engelse cuckold (dat van cocu is afgeleid) wordt een bedrogen echtgenoot aangeduid, een man die horens werd gezet. Dat is een beetje vreemd, want in de natuur is de koekoek niet wie bedrogen wordt, maar de bedrieger zelf. De Romeinen respecteerden de ornithologische logica wél: zij gebruikten de term cuculus voor de echtbreker en noemden de bedrogen partij curruca (grasmus). Een uit een buitenechtelijke relatie geboren kind werd in Duitsland Kuckucksgebrut genoemd, in de Nederlanden een koekoekskind.


Johann Naumann, Koekoeken.


John Gould, Koekoek.

De associatie ging overigens verder dan alleen maar onwettige relaties: de koekoek werd in verband gebracht met seksualiteit en voortplanting in de breedste zin. In Denemarken werd hij op bruiloften als vruchtbaarheidstalisman meegedragen. In het Duitse Schaumburg droeg de ceremoniemeester bij een huwelijk een koekoek op zijn staf. Elders in Duitsland droeg men bij een huwelijk in de kerk een koekoek op de vuist, zoals de adel dat deed met een valk. In het Harzgebergte werd een koekoek in de bruidskamer geplaatst en in Noord-Friesland voerde men bij een trouwpartij een koekoeksdans uit. In het noorden van Duitsland droeg men om een blauwtje te voorkomen een veer of een ei van een koekoek bij zich. Misschien kan de koekoek op de staf van Hera waarover Pausanias bericht, ook wel in dit licht worden geïnterpreteerd – Hera was ten slotte de godin van het huwelijk.
Een waarschijnlijk uit de 17de eeuw daterend lied, dat Jan Frans Willems optekende, associeert het roepen van de koekoek met het minnespel. De tekst neemt wel een loopje met de broedbiologie van Cuculus canorus, maar het erotische tafereel dat wordt geschetst, liegt er niet om:
1
'k Kwam lestmael in de groene wei, koekoek!
Ik vond den nachtegael aen d'een zy', koekoek!
Da nachtegael zong op zijn best,
De koekoek riep uit zijnen nest:
Koekoek, koekoek, koekoek!
2
Terwijl dat deze vogel zong, koekoek!
Hoord' ik een stem die beter klonk, koekoek!
Een zoete stem, die zong zoo fijn,
Het scheen een venus-dier te zijn:
Koekoek.
3
Een paerken zong daer met plezier, koekoek,
En Cupido speelde op de lier, koekoek!
Hy speelde en danste een menuet,
De koekoek die riep altijd meê:
Koekoek.
4
Want Cupido, dat aerdig kind, koekoek!
Hy schiet het wild daer hy het vindt, koekoek!
Hy nam zijn pijltjen op het lest,
En schoot den koekoek uit den nest:
Koekoek.
5
De koekoek stierf daer in de wei, koekoek!
En in den nest zoo bleef een ei, koekoek!
En uit dat ei kwam binnen 't jaer
Een jongsken schoon, 't geleek zijn vaêr.
Koekoek.
Op fallische connotaties wijst onder meer de Engelse volkse benaming van de gevlekte aronskelk, cuckoo-pint, wat letterlijk “koekoekspenis” betekent en refereert aan de vorm van de bloeikolf van de plant. In hetzelfde straatje is er ook nog dit Duitse versje:
De kukuk und de sparling
Sêten am fir und warmden fik.
De kukuk verbrande sîn ding,
Nu wo lacht de sparling.

(De koekoek en de mus
warmden zich aan het vuur.
De koekoek verbrandde zijn ding,
Wat lachte de mus.)
Eric Ravilious, Koekoek. Houtsnede.


Door het heikele karakter van zijn levenswijze, is de koekoek waarschijnlijk nooit echt talrijk geweest, maar sinds de jaren 1960 is hij bovendien gestaag in aantal achteruit gegaan, en dat in heel Europa. Daar zijn verschillende oorzaken voor genoemd, zoals bijvoorbeeld de jarenlange dramatische droogte in de Sahel, waar de dieren op weg naar hun winterverblijf doorheen moeten, en de inkrimping van geschikte biotopen in de Europese broedgebieden. Het gebruik van insecticiden in de landbouw eist ook zijn tol, en wel, als gevolg van het parasitaire bestaan van de vogel, op twee fronten: niet alleen heeft de volwassen koekoek, voor quasi 100% een insecteneter, er onder te lijden, ook zijn insectenetende waardvogels hebben er flink last van en worden zelf schaarser in aantal. Heel wat waardsoorten zijn schaarser geworden en dat lijkt (nog) niet te worden gecompenseerd door de toename van andere. Vooral soorten die in de nabijheid van de mens floreren doen het immers goed, terwijl de koekoek toch voornamelijk een cultuurvlieder blijkt. De jongste decennia doet ook de klimaatverandering een duit in het zakje. Eén en ander wijst erop dat de sinds het einde van de ijstijd mooi op elkaar afgestemde respectieve tijdstippen van de voorjaarstrek van de koekoek, de broedtijden van de diverse waardvogels en lente-explosie van insecten door de opwarming flink ontregeld geraken. De koekoek krijgt het daardoor moeilijker om op het juiste moment broedende heggenmussen, piepers, roodborsten of karekieten te verschalken. De omstandigheid dat de koekoekshennetjes gespecialiseerd zijn in het kopiëren van het ei van slechts één enkele waardvogelsoort, heeft als gevolg dat niet zomaar kan worden overgeschakeld naar een nieuwe onvrijwillige gastheer als de reguliere te schaars of afwezig zou zijn. Een koekoek van het rietzanger-gens, die witachtige eieren met vlekjes legt, kan niet zomaar ineens pardoes turkooizen eitjes gaan produceren om roodstaartvrouwtjes om de tuin te leiden. Deponeert het hennetje haar ei toch in het foute nest, is de kans heel groot dat haar ei prompt wordt geliquideerd. Maar ook als de juiste gastvogel nog wel in voldoende mate present is, de eitjes worden uitgebroed en het kuiken kipt, wordt de pleegouder op zijn beurt geconfronteerd met de schaarste van het voedselaanbod en ondervindt hij mogelijk problemen om voldoende insecten te bemachtigen om er het koekoekskuiken mee vet te mesten. De insecten waarmee de volwassen koekoek zich voedt, lijden bovendien niet alleen onder het quasi ongebreidelde gebruik van pesticiden, het verdwijnen van wilde vegetatie, de steeds verder schrijdende urbanisatie en betonnering van de open ruimte... ook zij hebben flink wat last van de klimaatverandering. Met name de harige rupsen van de grote beervlinder (Arctia caja), het hoofdvoedsel van de koekoek, worden het slachtoffer van schimmelinfecties die uitbreken in te warme en te vochtige winters en halen bijgevolg de lente niet. Gooi al deze factoren samen en je begrijpt hoe het komt dat de populatie van Arctia caja de jongste veertig jaar met zo'n slordige 90% is geslonken. De koekoek heeft het nakijken.

Recent Brits onderzoek (2016) heeft voorts aangetoond dat de achteruitgang van de koekoek in het Verenigd Koninkrijk samenhangt met sterfte gedurende de trek naar Afrika, niet in de Sahel (wat men al wist) maar in Europa. Meer bepaald bij vogels die de westelijke trekroute over het Iberische schiereiland nemen, is de mortaliteit hoog, veel hoger dan bij vogels die de oostelijke route over Italië of de Balkan nemen. Britse broedpopulaties uit Schotland en Wales blijken vooral de oostelijke route te kiezen, en kennen een kleinere terugval dan Engelse, die consistent voor de Iberische route blijken te opteren. Een mogelijke oorzaak voor de hogere mortaliteit bij de westelijke trekkers, zou de recente droogte in het Iberische binnenland kunnen zijn, gepaard met grote en langdurige bosbranden in Spanje en Portugal. Ook uitputting kan een rol spelen. Omdat de westelijke route korter is, pleisteren de vogels die ze kiezen onderweg minder om extra voedsel op te nemen: ze leggen grotere afstanden aan één stuk af, terend op energie die ze voor hun vertrek uit het broedgebied hebben ingeslagen. Nu zijn precies in de Engelse broedgebieden van de westelijke trekkers de grote beervlinders sterk in aantal teruggelopen. Engelse koekoeken die over Spanje trekken, starten dus met een energetische handicap, die ze onderweg niet tijdens meerdere stops corrigeren en die hen tenslotte vaak fataal wordt.


Allen William Seaby, Koekoek. Ingekleurde houtsnede.

Imao Keinen, Koekoek in spar. Houtsnede, 1892.

Paul Barruel, Koekoek. 

De scenario's voor de achteruitgang van de koekoek lijken heel aannemelijk maar harde cijfers zijn er in feite niet. Door zijn uiterst verborgen levenswijze, is het moeilijk om de populatie van de vogel in kaart te brengen. Om vogels te tellen legt men een raster van vierkante vakken over een gebied en telt men binnen elk vak of hok het aantal broedende wijfjes of zingende mannetjes. Met de koekoek is dat knap lastig. De mannetjes verplaatsen zich terwijl ze roepen bliksemsnel over hun vaak zeer grote territorium, waardoor het vrijwel onmogelijk is exact te bepalen van hoeveel vogels de koekoeksroepen die men in een korte tijdspanne in een hok telt, afkomstig zijn. De vrouwtjes tellen is nog lastiger: die roepen niet, ze gedragen zich nog heimelijker dan de mannetjes en ze houden zich ook niet aan de grenzen van de territoria van de roepende mannetjes. Tellingen in het verleden zouden het aantal koekoeken dan ook steevast flink hebben overschat: soms zou men er tot 60% naast zitten (A.W. Hellebrekers, “De Koekoek wordt zwaar overschat”, SOVON Nieuws 15, pp. 16-17 (2002)). In Vogels. Hun levensloop in België, hun wedervaren met de mens schrijft Jan Desmet dat in 1972 de Belgische populatie nog op 14.000 paren werd geschat in gunstige jaren; recente ramingen houden het op 6000-8000 paren. Heeft men in 1972 flink met dubbel krijt geschreven, of is het aantal koekoeken inderdaad haast gehalveerd? We weten het eigenlijk niet. Zowel in Vlaanderen als in Nederland prijkt de koekoek in ieder geval op de Rode Lijst van organismen die het niet goed doen, als achteruitgaand in Vlaanderen en als kwetsbaar in Nederland.

Andy Brown en Phil Grice stellen in Birds in England (2005) dat tot de eerste helft van de 20ste eeuw de koekoekspopulatie vrijwel stabiel lijkt te zijn gebleven. Tellingen geven echter aan dat tussen 1937 en 1961 de soort met 60% afnam, tussen 1967 en 1999 met 40% en van 1994 tot 2000 met 31%, waarbij moet worden opgemerkt dat de drie cijfers afkomstig zijn van verschillende telmethoden en geen echt betrouwbaar is. De koekoek doet het niet goed, zoveel is zeker, maar hoe slecht dan wel is verre van duidelijk. De ramingen lopen daarom drastisch uiteen, en de vork waartussen men zich beweegt, is wel heel breed: de Atlas des oiseaux nicheurs de Wallonie heeft het over 4,2 tot 8,6 miljoen roepende mannetjes voor heel Europa. De Atlas des oiseaux de France métropolitaine, die meegeeft dat de cijfers voor Frankrijk voor de jaren 2000-2009 (tussen 250.000 en 750.000 paren) waarschijnlijk flink te hoog zijn, houdt het voor de periode 2009-2012 op 150.000-300.000 paren - eens te meer zeer ver uiteenliggende schattingen.

Hoe slecht gaat het met de koekoek? Is het werkelijk zo dramatisch met hem gesteld als ik links en rechts lees? Of is er, na enkele decennia van achteruitgang, een voorzichtige remonte aan de gang, zoals ik ook hier en daar wel in een artikel vind. Vooral Britse auteurs zijn uiterst pessimistisch. Zal de koekoek in het volgende decennium werkelijk uit het grootste deel van Groot-Brittannië verdwijnen?  Michael McCarthy zag al in Say Goodbye to the Cuckoo (2009) de toekomst van de vogel zeer zwart in. Hij wijst op de impact die een koekoekloze natuur zou hebben op wat nog rest van de landelijke cultuur. Voor velen in Engeland was de koekoek niet zomaar een vogel als gelijk welke andere: hij was een baken, hij gaf het leven van wie op het platteland leefde oriëntatie. Naar de komst van de koekoek werd uitgekeken, zijn eerste verschijnen werd feestelijk gevierd. Ook Laurence Rose voorspelt in Het lange voorjaar dat er tegen pakweg 2030 in Engeland geen koekoeken meer zullen zijn, een geval van uitsterven dat, gezien de culturele impact die de koekoek eeuwenlang heeft gehad, in feite alleen maar kan worden vergeleken met dat van de wolf, nog zo'n dier dat een enorme stempel heeft gedrukt op fabels, sprookjes, epen, allegorieën en volks bijgeloof.
De koekoek, schrijft Nick Groom in The Seasons. An Elegy for the Passing of the Year, staat op het punt een metafoor te worden. De meeste mensen vandaag de dag horen nooit de roep van een koekoek, al weten ze wat de vogel roept en hebben ze ook op tv gezien of ergens gelezen dat de vogel de heraut is van de lente. De rijke folklore die het beest omringt, kennen ze echter niet meer en de liederen die eraan zijn gewijd, worden niet langer gezongen. Eén à twee generaties verder zal men mogelijk niet meer weten dat de koekoek zo heet omdat hij “koekoek” roept.
If that comes to pass, spring will become a more silent, less distinctive season, and another link with English history, folklore, and legend will have been lost.     

Clement Caremans (c) 2014, 2019





Selectieve bibliografie
Glynn Anderson: Birds of Ireland. Facts, Folklore & History. Wilton, Cork, The Collins Press, 2008. Aristotle: Aristotle’s History of Animals. In Ten Books. Translated by Richard Creswell. London, George Bell & Sons, 1878, op https://archive.org/details/aristotleshistor00arisrich. Edward A. Armstrong: The Folkore of Birds. An Enquiry into the Origin and Distribution of some Magico-Religious Traditions. Second edition, revised and enlarged. New York, Dover Publications, 1970. Edward A. Armstrong: A Study of Bird Song.  Second enlarged edition. New York, Dover Publications, 1973. W. Geoffrey Arnott: Birds in the Ancient World from A to Z. London & New York, Routledge, 2007. Oliver Austin Jr.: Birds of the World. A Survey of the Twenty-seven Orders and the One Hundred and Fifty-five Families. Illustrated by Arthur Singer. London & New York, Hamlyn Publishing, 1962. Vlaamse Avifauna CommissieVogels in Vlaanderen. Voorkomen en verspreiding. Bornem, 1989. Hanns Bächtold-Stäubli & Eduard Hoffmann- Krayer. Handwörterbuch des Deutschen Aberglaubens. 3., unveränterte Auflage mit einem neuen Vorwort von Christoph Daxelmüller. 10 vols. Berlin & New York, De Gruyter. 2000 (1ste ed. 1927-1942.) David BannermanBirds of the British Isles. 12 vols. Vol. IV Apodidae, Caprimulgidae, Meropidae, Upupidae, Coraciidae, Alcedinidae, Picidae, Cuculidae, Strigidae. Edinburgh, Oliver & Boyd, 1953-1963. Paul Barruel & Paul Géroudet: Nestbouwende vogels uit Europa. Nederlandse vertaling door Rik Grangé. 4 dln. Tweede deel Spechten, Scharrelaarachtigen, Gierzwaluwen, Nachtzwaluwen, Koekoeken, Nachtroofvogels, Dagroofvogels, Duiven en Zandhoenders. Brussel, Uitgeverij Artis, 1959Hans-Günther Bauer, Einhard Bezzel & Wolfgang Fiedler (Herausg.): Das Kompendium der Vögel Mitteleuropas. Alles über Biologie, Gefährdung und Schutz. 3 Bde. Bd. 1 Nonpasseriformes–Nichtsperlingsvögel. Wiebelsheim, AULA-Verlag, 2005. Les Beletsky: Birds of the World. Baltimore, Johns Hopkins University Press, 2006. Arthur Cleveland Bent: Life Histories of North American Cuckoos, Goatsuckers, Hummingbirds and their Allies. Washington, Smithsonian Institution, 1940. Rudolf Berndt & Wilhelm Meise: Naturgeschichte der Vögel. Ein Handbuch der Allgemeinen und Speziellen Vogelkunde. Stuttgart, Kosmos – Gesellschaft der Naturfreunde & Franck’sche Verlagshandlung, 1959-1962. Thomas Bewick: History of British Birds. 2 vols. Vol. I Containing the History and Description of Land Birds. Newcastle, J. Blackwell & Co., 1847. Tim BirkheadBird Sense. What It’s Like to Be a Bird. London, Bloomsbury Publishing, 2013. Tim BirkheadThe Wisdom of Birds. London, Bloomsbury Publishing, 2008. Tim BirkheadThe Most Perfect Thing. Inside (and Outside) a Bird's Egg. London, Bloomsbury, 2016. Tim Birkhead: The Wonderful Mr Willughby. The First True Ornithologist. London, Bloomsbury Publishing, 2018. Tim Birkhead, Jo Wimpenny & Bob Montgomerie: Ten Thousand Birds. Ornithology since Darwin. Princeton & Oxford, Princeton University Press, 2014. Bonnie Blackburn & Leofranc Holford-Strevens: The Oxford Companion to the Year. Oxford, Oxford University Press, 1999. Willem de Blécourt, Ruben A. Koman, Jurjen van der Kooi & Theo Meder (eds.): Verhalen van stad en streek. Sagen en legenden in Nederland. Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker, 2010. Liliane  Bodson: “L’apport de la tradition gréco-latine à la connaissance du coucou gris (Cuculus canorus L.)”, in History and Philosophy of the Life Sciences, vol. 4 no. 1 (1982), pp. 99-123, op https://www.jstor.org/stable/23328323?read-now=1&seq=1#page_scan_tab_contents
Johannes Bolte & Georg Polivka: Anmerkungen zu den Kinder- und Hausmärchen der Brüder Grimm. 5 Bde. Leipzig, Dieterich’sche Verlagbuchhandlung Theodor Weicher, 1913-1932. Johan Boussauw: Vogels in volksgeloof, magie en mythologie. Baarn, Tirion Uitgevers, 2005. A.E. Brehm: Het leven der dieren. 3 dln. Dl. 2 De Vogels. Naar den tweeden druk der volksuitgaaf voor Nederland bewerkt door S.P. Huizinga. Tweede druk. Zutphen, P. van Belkum, s.a. A.E. Brehm: Het leven van de dieren. 5 dln. Dl. III Vogels. Amsterdam, Enum, 1930. A.E. Brehm: Illustrirtes Thierleben. Eine allgemeine Kunde des Thierreichs. 6 Bde. Vierter Band Die Vögel. Hildburghausen, Verlag des Bibliographischen Instituts, 1867. A.E. Brehm: Brehms Tierleben. 36 Bde. Bd. 15 Vögel 4. Nach der zweiten Originalausgabe bearbeitet von Dr. Adolf Mener. Wien, Hamburg & Zürich, Gutenberg-Verlag Christensen & Co., 1925. Katharine M. Briggs: A Dictionary of British Folk-Tales in the English Language. Incorporating the F.J. Norton Collection. 4 vols.  London, Routledge & Kegan Paul, 1971. Andy Brown & Phil GriceBirds in England. London, T & A D Poyser, 2005. W.J. Brown: The Gods Had Wings. London, Constable & Co., 1936. Stefan Buczacki: Fauna Britannica. Foreword by HRH the Prince of Wales. London, Hamlyn, 2002. Georges Leclerc Comte de BuffonOeuvres complètes de Buffon, enrichies d’une vue générale des progrès de plusieurs branches des sciences naturelles, et mises en ordre par M. Le Comte de Lacepède, augmentées d’une volume contenant le précis des merveilles de la nature, découvertes depuis Buffon jusqu’à nos jours. Nouvelle édition. 26 vols. Vol. XXII. Paris, A. Eymery Libraire & La Librairie Française, 1825. Bruce Campbell & Elizabeth Lack (eds.): A Dictionary of Birds. Calton, T & AD Poyser - British Ornithologists' Union, 1985. Alfredo CattabianiVolario. Simboli, miti e misteri degli esseri alati: uccelli, insetti e creature fantastiche. Milano, Arnoldo Mondadori Editore, 2001. Louis Charbonneau-Lassay: Le Bestiaire du Christ. Paris, Éditions Albin Michel, 2006. Jean-Paul Clébert: Bestiaire fabuleux. Paris, Éditions Albin Michel, 1971. Marcel de Cleene & Jean-Pierre de Keersmaecker: Compendium van dieren als dragers van cultuur. Dl. 2 Vogels. Hun rol in dromen, fabels, heraldiek, kunst, legenden, magie, mythologie, psychologie, religies, symboliek, taal, verhalen, volksgeloof en volksgeneeskunde. Gent, Mens & Cultuur Uitgevers, 2014. Mark Cocker & Richard MabeyBirds Britannica. London, Chatto & Windus, 2005. Mark Cocker & David TiplingBirds and People. London, Jonathan Cape, 2013. Arthur Bernard Cook: Zeus. A Study in Ancient Religion. 3 vols in 8 parts. Cambridge, At the University Press, 1914-1940. S. Cramp, K. Simmons & C. PerrinsHandbook of the Birds of Europe, the Middle East and North Africa. The Birds of the Western Palearctic. 9 vols. Vol IV Terns to Woodpeckers. Oxford, Oxford University Press, 1977-1995. Charles Darwin: The Annotated Origin. A Facsimile of the First Edition of On the Origin of Species.  Annotated by James T. Costa. Cambridge, Massachusetts & London, England, The Belknap Press of Harvard University Press, 2011 (1859). N.B. DaviesCuckoos, Cowbirds and Other Cheats. London, T & A D Poyser, 2000. Nick DaviesCuckoo. Cheating by Nature. London, Bloomsbury, 2015. Marie-Madeleine DavyL’oiseau et sa symbolique. Paris, Albin Michel, 1992. Ton Dekker, Jurjen van der Kooi & Theo Meder: Van Aladdin tot Zwaan kleef aan. Lexicon van sprookjes: ontstaan, ontwikkeling, variaties. Nijmegen, Uitgeverij SUN & Leuven, Uitgeverij Kritak, 1997. Midas Dekkers: Alle beesten. 2 dln. Amsterdam, Uitgeverij Contact, 2009. Jan Desmet: Vogels. Hun levensloop in België, hun wedervaren met de mens. Brugge, Uitgeverij Marc van de Wiele, 1987. Jan DesmetVogels in de kop. Over de menselijke kijk op vogels. Amsterdam & Antwerpen, Uitgeverij Atlas, 2009. Sigrid & Lothar Dittrich: Lexikon der Tiersymbole. Tiere als Sinnbilder in der Malerei des 14.-17. Jahrhunderts. Petersberg, Michael Imhof Verlag, 2005. Jonathan Elphick: The World of Birds. London, The Trustees of the Natural History Museum, 2014. Johannes Erritzøe, Clive F. Mann, Frederick P. Brammer & Richard A. FullerCuckoos of the World. London, Christopher Helm, 2012. John Edward FieldThe Myth of the Pent Cuckoo. A Study in Folklore. London, Elliott Stock, 1913. James George Frazer: The Golden Bough. A Study in Magic and Religion. 13 vols. Third edition. London, Macmillan & Co. & New York, St. Martin’s Press, 1955 (1910-1915). James George Frazer: The Golden Bough. A Study in Magic and Religion. Abridged edi­tion. London, Macmillan, 1976 (1922). Ernst & Louise Gattiker: Die Vögel im Volksglauben. Eine volkskundliche Sammlung aus verschiedenen europäischen Ländern von de Antike bis heute. Wiesbaden, AULA-Verlag, 1989. Paul GéroudetLes Passeraux. 3 vols. Deuxième édition revisée. Neuchâtel, Delachaux et Niestlé, 1973. Frank B. Gill: Ornithology. Third edition. New York, W.H. Freeman & Company, 2007. Robert Graves: Greek Myths. London, Cassell, 1961. Francesca GreenoakAll the Birds of the Air. The Names, Lore and Literature of British Birds. Harmondsworth, Penguin Books, 1981. Viscount Grey of Fallodon: The Charm of Birds. Fourteenth edition. London, Hodder & Stoughton, 1947 (1927). Jacob Grimm: Teutonic My­thology. Transla­ted from the Fourth Edition with Notes and Appendix by James Steven Stallybrass. 4 vols. New York, Dover Publicati­ons, 1966. 
Bernhard Grzimek (ed.): Het leven der dieren. Encyclopedie van het dierenrijk. 16 dln.  Dl. VIII Vogels 2. Utrecht & Antwerpen, Uitgeverij het Spectrum, 1973-1976. C.E. Hare: Bird Lore. London, Country Life Limited, 1952. Tim Harris (ed.): Complete Birds of the World. Foreword by Jonathan Alderfer. Washington D.C., National Geographic Society, 2009. Duff Hart-Davis: Fauna Britannica. The Practical Guide to Wild and Domestic Creatures of Britain. London, Weidenfeld & NicolsonJames Edmund HartingThe Ornithology of Shakespeare. Critically Examined, Explained, and Illustrated. Old Woking, Unwin Brothers Limited, 1978 (1864). G.C.M. van HavreLes Oiseaux de la Faune belge. Relevé documenté des espèces sauvages observées en Belgique. Bruxelles, M. Lamertin, 1928. Bernd HeinrichThe Nesting Season. Cuckoos, Cuckolds, and the Invention of Monogamy. Cambridge, Massachusetts & London, England, The Belknap Press of Harvard University Press, 2010. Chris M. Hewson, Kasper Thorup, James W. Pearce-Higgins & Philip W. Atkinson: "Population decline is linked to migration route in the Common Cuckoo", in Nature Communications 19 July 2016, op https://www.nature.com/articles/ncomms12296.pdf  - DOI: 10.1038/ncomms12296. Fred Hustings & Jan-Willem Vergeer (red.): Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Verspreiding, aantallen, verandering. Leiden, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis & Utrecht, KNNV Uitgeverij, 2002. Nidal Issa & Yves MullerAtlas des oiseaux de France métropolitaine. Nidification et présence hivernale. 2 vols. Vol. 2 Des Ptéroclididés aux Embérizidés. Paris, Delachaux et Niestlé, 2015. Jean-Paul Jacob e.a.: Atlas des oiseaux nicheurs de Wallonie 2001-2007. Gembloux, Aves & Région Wallonne, 2010. Ton LemaireOp vleugels van de ziel. Vogels in voorstelling en verbeelding. Amsterdam, Ambo, 2007. Guilhem Lesaffre: Légendes d’oiseaux. Paris, Delachaux et Niestlé, 2017. Niall Mac CoitirIreland's Birds. Myths, Legends and Folklore. Cork, The Collins Press, 2015. Wilhelm Mannhardt: “Der Kukuk”, in W. Mannhardt (ed.), Zeitschrift für Deutsche Mythologie und Sittenkunde, Göttingen, Verlag der Dieterichsen Buchhandlung, 1855, Dritter Band, pp. 209-298. Xosé Ramón Mariño FerroSymboles animaux. Paris, Desclée de Brouwer, 1996. Michael McCarthySay Goodbye to the Cuckoo. London, John Murray, 2009. Martin Melchers & Remco Daalder (eds.): Sijsjes en drijfsijsjes. De vogels van Amsterdam. Haarlem, Schuyt & Co. Uitgevers, 1996. Jeremy MynottBirdscapes. Birds in Our Imagination and Experience. Princeton & Oxford, Princeton University Press, 2009. J.G.Th. van Nes: De eieren en nesten van onze vogels. Derde druk. Zutphen, W.J. Thieme & Cie., 1963. Alfred Newton: A Dictionary of Birds. London, Adam and Charles Black, 1893-1896Ian NewtonThe Migration Ecology of Birds. London, Elsevier, 2008. C. Nozeman & C. Sepp: Nederlandsche Vogelen 1770-1829. Met inleiding en wetenschappelijke inhoudsopgave. Tielt, Lannoo & Den Haag, Koninklijke Bibliotheek – Nationale Bibliotheek van Nederland, 2014. PausaniasGuide to Greece. Translated with an introduction by Peter Levi. 2 vols. Harmondsworth, Penguin Books, 1988. Robert B. Payne: The Cuckoos. With a molecular genetic analysis of cuckoo phylogeny by Michal D. Sorenson and Robert B. Payne. Oxford & New Tork, Oxford University Press, 2005. Christopher Perrins (ed.): The New Encyclopedia of Birds. Oxford, Oxford University Press, 2004. Emma PhipsonThe Animal-Lore of Shakspeare's Time. Including Quadrupeds, Birds, Reptiles, Fish and Insects. London, Kegan Paul, Trench & Co., 1883. Frances Pitt: Birds in Britain. London, MacMillan and Co., 1948 PliniusDe wereld. Naturalis historia. Vertaald door Joost van Gelder, Mark Nieuwenhuis en Ton Peters. Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2004. John PollardBirds in Greek Life and Myth. London, Thames and Hudson, 1977. Hugh Rawson: A Dictionary of Invective. A Treasury of Curses, Insults, Put-Downs and Other Formerly Unprintable Terms from Anglo-Saxon Times to the Present. London, Robert Hale, 1991. Laurence Rose: Het lange voorjaar. Met de vogeltrek mee door Europa. Amsterdam & Antwerpen, Uitgeverij Atlas Contact, 2019. David Rothenberg: Why Birds Sing. One Man’s Quest to Solve an Everyday Mystery. London, Penguin Books, 2005. Stephen I. Rothstein: “A Model System for Coevolution: Avian Brood Parasitism”, in Annual Review of Ecology and Systematics, Vol. 21 (1990), pp. 481-508, op Annual Reviews https://www.jstor.org/stable/2097034. Steve Roud: The Penguin Guide tot the Superstitions of Britain and Ireland. London, Penguin Books, 2003. Boria Sax: The Mythical Zoo. An Encyclopedia of Animals in World Myth, Legend, and Literature. Santa Barbara, Denver & London, ABC-Clio, 2001. Rudolf Schenda: Das ABC der Tiere. Märchen, Mythen und Geschichten. München, C.H. Beck’sche Verlagsbuchhandlung, 1995. Theo SchildkampTussen hemel en aarde. Een ander vogelboek over nachtegalen en wielewalen, over zwaluwstenen en adelaarsgal, over mensen, vogels en andere hoogvliegers. Utrecht & Antwerpen, Het Spectrum, 1978. Paul Sébillot: Croyances, mythes et légendes des pays de France. Édition établie par Francis Lacassin. Paris, Omnibus, 2002. F. SegersBroedvogels in de Kempen. Antwerpen, De Nederlandsche Boekhandel, 1948. L.A.J.W. baron Sloet van de BeeleDe dieren in het Germaansche volksgeloof en volksgebruik. ‘s-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1887. J.E. Sluiters: Prisma Vogelboek. Utrecht & Antwerpen, Het Spectrum, 1962. Charles Swainson: The Folk Lore and Provincial Names of British Birds. Felinfach, Llanerch Publishers, 1998 (1886). H. Kirke Swann: A Dictionary of English and Folk-Names of British Birds. With Their History, Meaning, and First Usage: And Their Folk-Lore, Legends, Etc; Relating to the More Familiar Species. London, Forgotten Books, 2015 (1912). Peter TateFlights of Fancy. Birds in Myth, Legend and Superstition. London, Arrow Books, 2009. Jac. P. ThijsseHet vogeljaar. Nederlandsche vogels in hun leven geschetst. 2 dln. Dl. I Bij huis en hof. Vierde druk. Antwerpen, Standaard Boekhandel, 1938. T.F. Thiselton-DyerFolk-Lore of Shakespeare. New York, Dover Publications, 1966 (1888). Edward TopsellThe Fowles of Heauen or History of Birdes. Edited by Thomas P. Harrison & F. David Hoeniger. Austin, The University of Texas, 1972. Colin TudgeConsider the Birds. Who they are and what they do. London, Penguin Books, 2008. René K. Verheyen: Oologia Belgica. Nagezien en aangevuld door Rudolf Fr. Verheyen. Platen door Paul de Vree. 2 dln. Brussel, Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, 1967. R. VerheyenDe Spechten en de Koekoeken van België. Brussel, Koninklijk Natuurhistorisch Museum van België, 1941. Glenn Vermeersch e.a.: Atlas van de Vlaamse Broedvogels 2000-2002. Brussel, Instituut voor Natuurbehoud, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap & Natuurpunt, 2004. K.H. Voous: Atlas van de Europese Vogels. Amsterdam & Brussel, Elsevier, 1960. Jennifer Westwood & Jacqueline SimpsonThe Lore of the Land.  A Guide to England’s Legends, from Spring-Heeled Jack to the Witches of Warboys. London, Penguin Books, 2005. Gilbert WhiteThe Natural History of Selborne. With Notes by Richard Kearton. London, New York, Toronto & Melbourne, Cassell and Company, 1911. H.F. Witherby, F.C.R. Jourdain, Norman Ticehurst & Bernard Tucker: The Handbook of British Birds. 5 vols. Vol. II Warblers to Owls. London, Witherby, 1938-1940. Ian Wyllie: The Cuckoo. London, B.T. Batsford, 1981
Brunsdon Yapp: Birds in Medieval Manuscripts. London, The British Library, 1981. William Yarrell: History of British Birds. Fourth Edition, in Four Volumes. Vol. II, Revised and Enlarged by Alfred Newton. London, John van Voorst, 1876-1883.






Volg de activiteiten van Het GenOOtschap - stuwgroep voor cultuur op facebook:
http://www.facebook.com/HetGenootschap