maandag 28 april 2014

Es gibt keine Maikäfer mehr








 

Es gibt keine Maikäfer mehr



Zo’n 20 km van Arezzo ligt het dorpje Ciggiano, een frazione van de gemeente Civitella in Val di Chiana. Arezzo, de geboorteplaats van Maecenas, Pietro Aretino en Giorgio Vasari is een mooie stad, die spijts de enorme oorlogsschade (grote delen werden in de Tweede Wereldoorlog platgebombardeerd) nog heel wat interessant cultuurhistorisch erfgoed bezit. Top of the bill is ongetwijfeld de kerk van San Francesco, met binnenin Piero della Francesca’s compleet gerestaureerde frescocyclus La Legenda della Vera Croce (en met vlak ertegenover het café waar zich een stuk afspeelt van de film La vita è bella, starring Roberto Benigni.) Omdat de oorlog er zo’n huis heeft gehouden, moest veel worden heropgebouwd: een groot deel van Arezzo oogt dan ook naar Toscaanse normen verrassend modern.

Ook in Civitella zijn de sporen van de oorlog nog haast tastbaar aanwezig. Op 29 juni 1944 viel de Fallschirm-Panzer-Division 1 Hermann Göring het stadje binnen en vermoordde 244 burgers, als vergelding voor de dood van twee Duitse soldaten die werden omgebracht door partizanen. Dit leverde het stadje in 1963 een Gouden Medaille voor Burgermoed op en een resem werken van hedendaagse kunstenaars die op één of andere manier het bloedbad herdenken.

In Ciggiano zoek je vergeefs naar cultuurhistorische schatten, oude of recente. Ciggiano is een boerengat, met olijf- en wijngaarden op de hellingen van de heuvels en voor de rest macchia, waar bijen gonzen, cicaden tsjirpen, distelvinken kwetteren, hoppen roepen, uilen krassen en everzwijnen, stekelvarkens en reeën proberen uit het vizier van de immer schietgrage cacciatori te blijven.

Meikever. Schoolplaat ca. 1920.

Op een mooie meiavond (een cliché als een huis, io lo so, maar het wás een mooie meiavond) in 2004 landde in dit godvergeten Ciggiano pardoes een stel dikke kevers vlak voor mijn neus op de tafel waaraan ik zat te lezen. Ze hadden al een tijdje boven mijn hoofd gebromd en gezoemd zonder dat ik ze veel aandacht had gegund. Je kijkt in de Toscaanse heuvels niet op van een kevertje meer. Het krioelt er gewoon van de torren. Soorten die je hier bij ons nog nauwelijks aantreft, kruipen, rennen en vliegen er rond, dag en nacht: gouden en andere loopkevers, poppenrovers, neushoornkevers, julikevers, vuurvliegjes en glimwormen, gouden torren, mestkevers, kniptorren, kortschilden, snuitkevers en bokken en haantjes in zoveel vormen, kleuren en formaten dat het je begint te duizelen. Ik keek dus een beetje suffig naar wat op tafel was neergestreken – en was plotsklaps één en al concentratie. Meikevers! Ze kropen even rond op het houten tafelblad, de waaiervormige sprieten trillend in het rond tastend, tilden de kastanjebruine geribbelde dekschilden op, maakten pompende beweginkjes met het achterlijf en gingen dan weer de lucht in, traag, snorrend en ronkend.

Het was een kwarteeuw geleden dat ik er nog had gezien, van mei 1979 als ik het goed heb. Ik wandelde met mijn lief langs een haag ergens in Hoboken. Uit die haag vloog een kever op, een beetje gedesoriënteerd blijkbaar – want hij tuimelde naar beneden, kwam op zijn rug op de grond terecht en wriemelde driftig met de zes pootjes om weer in een comfortabeler positie te geraken. Mijn vriendinnetje wist niet wat voor een beest het was: ze had nog nooit een meikever gezien. Ik wel, al was dat (ook toen) jaren geleden. Van vóór 1965, veronderstel ik, toen de torren zich nog vrij talrijk in de Hobokense beukenhagen ophielden en ’s avonds uitvlogen en zich door straatlantaarns en verlichte ramen lieten lokken, waaronder je ze ’s ochtends dan kon vinden, uitgeput. De kevers werden uit de hagen geschud of onder de lantaarns opgeraapt en in een luciferdoosje meegenomen naar school, om daar vol trots te worden getoond. Molenaars, moldenaars of mulders werden ze genoemd en ze waren, net als knikkers, een gegeerd statussymbool. Niet alleen het blote aantal kevers dat je had kunnen verschalken, was van belang, maar ook het type: die met grote waaiers aan hun tasters (mannetjes) waren meer waard dan die met kleine (vrouwtjes)…

 
Benamingen voor de meikever in Nederlandse dialecten

Wat ik als kind op het vlak van meikevers onder ogen en in handen kreeg, was peanuts. Althans, dat wist ik van mijn vader, die me vertelde dat in de vroege jaren ’30 de Hobokense kinderen  in groep eropuit trokken om kevers te vangen, die soms zo massaal uitzwermden dat ze in de polder hagen en bomen helemaal kaalvraten. Ook in de verhalen van mijn grootouders waren de meikevers zo talrijk, dat het wel leek alsof zij het over bijbelse sprinkhanenzwermen hadden. Het liedje Er zijn daar geen meikevers meer, mijmert over de dagen dat schoolkinderen een vrije namiddag kregen om kevers te vangen. In het Ierse Galway zou in 1868 de hemel zijn verduisterd toen de zwermen meikevers overvlogen. En in 1564 waren er in de vallei van de Severn zoveel kevers, dat hun lijkjes in de beken het draaien van de watermolens blokkeerden.

Meikevers en wilde kastanje. In Die Gartenlaube, 1879.

De molenaars waren destijds niet alleen jachtbuit, maar ook speelgoed voor de kinderen: aan een pootje werd een draad bevestigd die men in de hand hield terwijl de kever rondvloog. Men hield de kever eerst tussen beide handpalmen en zong

Moldeneerke teld oew geld
En goat dan nog is vliege
Aanders komen de dieve;
De dieve nemen oe mee nor 't veld
Moldeneerke teld oew geld.

Dan liet men het diertje vliegen – zover als de draad aan zijn pootje toeliet, uiteraard.

Het geld tellen zou slaan op de knikkende, pompende bewegingen die de kever maakt voor hij wegvliegt.

Spelen met een kever aan een draad is bijzonder oud: Aristofanes vermeldt het al. Erg diervriendelijk was het spel niet, maar het kon veel erger. Paul Sébillot beschrijft met onverholen afkeuring een aantal behoorlijk wrede meikeverspelletjes in het aan La faune et la flore gewijde derde deel van Le folklore de France (1907). Soms werd de draad niet aan een pootje vastgemaakt, maar met een naald door het achterlijf gehaald. Of de draad waaraan een kever hing, werd niet in de hand gehouden, maar aan een molentje bevestigd, dat door de pogingen van het diertje om weg te vliegen aan het draaien werd gebracht. Of één dekschild werd omhoog geplooid, er werd een stokje onderdoor geschoven en het hele boeltje werd met een speld vastgezet: de kever kon alleen nog maar rondjes lopen rond het houtje, als in een tredmolen. Een moulin à cigales heette het resultaat. De in Vlaanderen en Brabant veel voorkomende naam voor de kever, molenaar (of een dialectvariant), heeft overigens niets met dit spel te maken, maar met het feit dat de dekschilden van veel meikevers met een soort poeder of meel bestoven lijken. Heel poederige kevers werden bakker genoemd. Ook in het Duits noemden kinderen de kevers die bepoederd lijken Müller, terwijl de donkere exemplaren Schornsteinfeger en de roodachtige Kaiser heetten. Andere volksnamen voor het diertje verwijzen naar zijn wat onbeholpen vlucht (Italiaans buffone, nar) of het gezoem dat die voortbrengt (Frans bruant of bourdienne, Duits burrer, burrkäwer of klette). De Engelsen hebben het gewoonlijk over cockchafers, waarbij het element cock mogelijk een mannelijke connotatie heeft en chafer een oud woord is voor "kever", maar ook zij hebben namen die naar het geluid van de vlucht verwijzen. "At the time of the V1 flying bombs, in 1944, cockchafers were known in the north-London area as 'doodlebugs'. The beetle often flew through open bedroom windows, making a clattering noise, which abruptly ceased when they came to rest - just like the V1 doodlebugs, whose jet engine would cut shortly before the explosion." (Peter Marren & Richard Mabey, Bugs Britannica)

Niet alleen kinderen waren gefascineerd door de meikever. Volgens Grimm (Deutsche Mythologie) was tot zeker halfweg de 17de eeuw op het Duitse platteland de kever een lentebode, en werden ieder voorjaar de eerste exemplaren met enig feestgedruis verwelkomd. Hij gold hier en daar ook als geluksbrenger in het algemeen en als kinderbrenger in het bijzonder, zoals de ooievaar:
Heergottsmoggela flieg auf
Flie mir in den himmel auf,
Bring a goldis schüssela runder
Und a goldis wickelkindla drunder.

(Meikever vlieg omhoog
Vlieg met mij de hemel in
Breng een gouden sleutel mee
En een gouden busselkind.) 
 
Paul Thumann, illustratie bij Maikäfer flieg. Für Mutter und Kind. Alte Reime, mit
neuen Bildern vol Paul Thumann. 2. Auflage. München, Theodor Stroefer's
Kunstverlag, 1881.

Anselm Kiefer, Maikäfer flieg! Mixed media, 1974. Staatliche Museen zu Berlin, Nationalgalerie, Sammlung Marx Museum Frieder Burda.

Een ander, erg bekend liedje dat Duitse kinderen zongen wanneer ze een gevangen meikever weer lieten vliegen, bevat volgens oudere folkloristen als Wilhelm Mannhardt echo’s uit prechristelijke tijden.

Maykäfer fliegt!
Der Vater ist im Krieg.
Die Mutter ist im Pommerland.
Und Pommerland ist abgebrandt.

Dit is de versie uit Nedersaksen die Johann Karl Christoph Nachtigal geeft in Volcks-Sagen. Nacherzählt von Otmar (1800). De tekst die Achim von Arnim en Clemens Brentano in Des Knaben Wunderhorn (1806-1808) opnamen, komt uit Hessen en geeft als regio waar de oorlog woedt "Pulverland". Naast “Pommerland” en "Pulverland" zijn er ook varianten met “Hollerland”, “Schwabenland”, “Polenland” en “Engelland”. Engelland, zegt Mannhardt, staat het dichtst bij de oorspronkelijke tekst. Het heeft geen uitstaans met de Britse Eilanden, maar is de gekerstende versie van Elbenland, het land der elven alias het dodenrijk. De brand uit de liedtekst verwijst naar de wereldbrand waarmee in de Germaanse mythologie de wereld eindigt, de Ragnarök uit de Poëtische Edda. Waarom de kever dan wel met het rijk der doden en het wereldeinde geassocieerd zou zijn geweest, is echter niet duidelijk en de visie van Mannhardt hoort meer dan waarschijnlijk in het rijk der fabelen thuis.
Vandaag maakt vooral de opvatting opgeld dat het lied uit de Dertigjarige Oorlog stamt, toen Pommeren zwaar te lijden had en haast werd ontvolkt. Of dit klopt, is nog maar de vraag: de oudste versie waarin aan Pommeren wordt gerefereerd, dateert van 150 jaar na de Dertigjarige Oorlog. Latere versies van het lied tonen overigens dat in de tekst vaak allusies op de politieke situatie van het moment werden opgenomen. Zo is de revolutie van 1848 gul vertegenwoordigd, met onder andere verwijzingen naar de politieke voormannen Friedrich Hecker en Gustav Struve.

Der Maiakäfer fliegt,
Der Häcker ist em Kriag,
Der Häcker ist em Oberland,
Der Häcker ist em Unterland.
(Württemberg)

Kåəferlə, Kåəferlə fliag!
Dər Heckər išt im Kriag,
Dər Struve išt im Obərland.
Und macht d’Republik bəkannt.
(Ulm)

Voor de Duitse kunstenaar Anselm Kiefer is het lied zelf politiek geladen: voor hem verwijst het naar zijn kindertijd in het naoorlogse (Kiefer is van 1945), gebrandschatte Duitsland. Het gigantische werk Maikäfer flieg! toont een opengereten, geteisterd, smeulend land; in een hoekje van het tableau is de tekst van het kinderliedje geschreven.

Dat de kever met kinderen en geboorte werd geassocieerd, ligt voor de hand en heeft ongetwijfeld te maken met de enorme aantallen waarin de meikever in vroeger dagen voorkwam. Opvallend is vooral dat het massale optreden van de kever een duidelijke periodiciteit vertoonde: het ene jaar waren er geweldig veel kevers – men heeft het wel over een meikeverjaar –, dan bleken ze enkele jaren veel schaarser voor te komen om vervolgens weer en masse op te duiken. Deze populatieschommelingen zijn het gevolg van de specifieke levenscyclus van de kever.

Melolontha melolontha, wijfje.
Melolontha melolontha, mannetje.
Meikever larve (engerling).

Meikever, pop.
Melolontha hippocastani.

Er zijn vier soorten meikevers in Europa: de gewone meikever Melolontha melolontha (L.); Melolontha hippocastani F., die vooral in bossen op zandige gronden te vinden is; de tot Spanje en Portugal beperkte bleekgekleurde Melolontha papposa Ill. en Melolontha pectoralis Germar. uit Italië en de Balkan. Waarschijnlijk behoorden de dikkerds die ik in 2004 in Ciggiano zag tot de laatste soort. Alle vier de soorten hebben een gelijkaardige levenswijze en maken eenzelfde ontwikkelingscyclus door. De volwassen kevers verschijnen in april-mei (M. papposa soms al eind februari.) Ze hebben zich als larve zo'n vier jaar in de grond opgehouden. De engerlingen – zo worden de larven genoemd – voeden zich met plantenwortels en zijn extreem vraatzuchtig. Ze zijn telkens actief van april tot oktober, overwinteren een maand of vijf, en vreten zich dan gedurende de warmere maanden weer te barsten (aan wortels van grassen, granen, bieten, aardappelen, tot fruitbomen toe) tot de volgende winterslaap eraan komt. Na de derde zomer, als ze zijn uitgegroeid tot dikke witte beesten van ca. 5 cm lengte, kruipen ze dieper de grond in om te verpoppen. Het volgende voorjaar komt uit de pop een kever tevoorschijn. Die zoekt een boom, haag of bos op en stort zich op de rijk gevulde dis: bladeren van eik, beuk, haagbeuk, esdoorn, paardekastanje, walnoot, pruim of kers. Na een week of twee zijn de kevers geslachtsrijp: ze paren en keren weer naar de akkers en weidegronden om er hun eieren te leggen. De wijfjes graven zich zo'n 15 cm in en deponeren een ei of twintig, waarna twee op drie sterven. De overigen trekken weer boswaarts, grazen nog eens een paar weken en houden daarna een tweede legronde. Uit de eitjes komen nieuwe engerlingen, en een nieuwe vierjaarlijkse cyclus vat aan. Merkwaardig is, dat over grote gebieden de ontwikkeling van ei tot kever min of meer synchroon verloopt, zodat er elk derde à vierde jaar veel meer kevers zijn dan in de tussenliggende jaren. Naast deze korte cyclus blijkt er ook nog een langere te zijn van zo’n dertig jaar: zowat alle dertig jaar zijn er éxtra veel kevers.

Meikever, kniptor en langpootmug. Schoolplaat van M.A. Koekkoek.

De meikever. Didactische illustratie van Jos Fleischmann. De hele levenscyclus wordt getoond, van ei tot bruidsvlucht.





Volwassen meikevers kunnen zich aardig laten gaan als ze in een boom of haag neerstrijken. Enkele exemplaren betekenen niet zoveel, maar een grotere vlucht vreet al gauw alle bladeren weg. Vache de chêne werd de kever daarom hier en daar in Frankrijk genoemd, omdat hij als een koe de eiken afgraast.

Een kaalgevreten boom is natuurlijk geen gezicht, maar gewoonlijk keren de bladeren snel terug en is er nauwelijks blijvende schade. Al met al is de impact van volwassen meikevers weinig dramatisch. De ondergronds levende engerlingen zijn echter een ander verhaal. Jarenlang vreten zij aan plantenwortels, met een bijzondere preferentie voor jong wortelweefsel. De gevolgen van deze vraat zijn aanzienlijk – begin 20ste eeuw werd de jaarlijkse schade in Frankrijk op 250 miljoen tot 1 miljard francs geraamd – en meikeverlarven waren dan ook eeuwenlang een ware pest voor de landbouw, waartegen men op diverse manieren ten strijde trok.

In 1320 werden in het Zuid-Franse Avignon meikevers voor de rechtbank gedaagd en veroordeeld om zich binnen de drie dagen in een voorgeschreven gebied terug te trekken; gaven ze geen gevolg aan het vonnis, stelden ze zichzelf buiten de wet en werden ze vogelvrij. De kevers legden het vonnis naast zich neer en werden gevangen en gedood. Het Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens maakt melding van soortgelijke processen in Zwitserland, waar in Bern (1478) en Lausanne (1480) meikevers voor de rechtbank werden gedaagd en veroordeeld om de schade die ze hadden veroorzaakt. In het 16de-eeuwse Frankrijk werden de hemelse machten erbij gehaald om meikevers uit een wijngaard te verdrijven. Men vertrouwde op de kracht van een vers uit Psalm 35, Ibi ceciderunt qui operantur iniquitatem, expulsi sunt, nec potuerunt stare, om de diertjes weg te krijgen. In feite werden de velden geëxorciseerd. Nog in 1833 werden in Frankrijk meikevers volgens zo’n ritueel uitgebannen.

Een beproefde methode, aldus Alfred Brehm in zijn Tierleben, bestond
in het vangen en doden der kevers in elk jaar en overal waar ze zich vertonen, het liefst des morgens, wanneer zij door de nachtkoelte nog verstijfd zijn. Wat in dit opzicht gepresteerd kan worden is o.a. bewezen in 1868 in Saksen. Gelijk de hierover bestaande aantekeningen tonen werden er toen 30.000 centenaars van gedood. Wanneer wij ons aan dit getal houden (het werkelijke aantal zal waarschijnlijk nog wel groter zijn geweest dan het officieel opgetekende) dan betekent dit gewicht een hoeveelheid van ongeveer 1599 millioen kevers, daar volgens herhaalde tellingen gemiddeld 530 in een pond gaan.
Tijdens een keverklopjacht in 1911 werden in een stuk bos van 18km2 meer dan 20 miljoen kevers gevangen. De buitgemaakte kevers werden nuttig gebruikt: ze werden met kokend water gedood, met kalk gemengd en ondergespit als mest. Ook werden ze gegeten. In Frankrijk, uiteraard, maar ook in Duitsland. Men maakte er soep mee, die als kreeftensoep smaakte (maar lekkerder, zeggen de recepten).

Wilhelm Busch, Max en Moritz schudden meikevers uit een boom.

Tot halfweg de 20ste eeuw was de strijd tegen de meikever een vechten tegen de bierkaai. Dan keerde het tij. Na de Tweede Wereldoorlog onderging de landbouw in Europa drastische wijzigingen. Hij werd geïndustrialiseerd. Door grootschalige ruilverkaveling en overschakeling op monocultuur van slechts een beperkt aantal gewassen, werd de biodiversiteit sterk gereduceerd. De veralgemening van gemechaniseerde grondbewerking had een enorme impact op de bodemstructuur en de daarmee samenhangende bodemfauna en –flora. Maar vooral: er werden chemische bestrijdingsmiddelen geïntroduceerd en al spoedig op zeer grote schaal toegepast. Koploper waren de gechloreerde koolwaterstoffen, met als absolute numero uno DDT, dichloor-difenyl-trichloorethaan, dat zowel tegen treksprinkhanenzwermen als tegen bladluizen in bloembakken werd gebruikt. In enkele decennia was de hele voedselketen wereldwijd besmet met DDT: het werd aangetroffen in drinkwater, in de melk van Europese en Amerikaanse jonge moedertjes, in de eieren van pinguïns op Antarctica. DDT verstoorde de calciumhuishouding, waardoor vooral roofvogels aan de top van de voedselpiramide nog nauwelijks levensvatbare eieren konden leggen. Ecologische profeten als Rachel Carson (Silent Spring) trokken tegen de vergiftiging van de biosfeer ten strijde en werden aanvankelijk als halfgaren weggehoond. Tegen 1970 had men echter door dat DDT het metabolisme van zowat elk denkbaar organisme ontregelt en dus maar best kon worden verboden en uit de handel genomen. Zo gebeurde, maar de resultaten van zo'n vijfentwintig jaar geklooi met het goedje (en uiteraard ook met ander lekkers, zoals parathion, inmiddels eveneens verboden) logen er niet om. Hele insectenpopulaties waren van de kaart geveegd. Ook de meikever was ei zo na verdwenen. Het ooit zo talrijke beestje, waarmee generaties kinderen waren opgegroeid, werd een wat schimmig wezen uit de verhalen van vroeger dagen, een haast mythologisch dier dat symbool stond voor de tijd toen het platteland nog niet geasfalteerd, gebetonneerd en vol gif gespoten was, toen in de sloten nog salamanders en stekelbaarzen rondzwommen en op de akkers wat anders groeide dan maïs, maïs of maïs. Es gibt keine Maikäfer mehr, zong de Duitse kleinkunstenaar Reinhard Mey in de jaren '70 en zijn liedje werd al snel ook in het Nederlandse taalgebied populair, in de originele versie of in de vertaling van chansonnière en tv-babe avant-la-lettre Martine Bijl,
Er zijn daar geen meikevers meer:
…Maar geen meikever wil wonen in een stad van grijs beton,
'k Zou al heel gelukkig zijn als ik er eentje vinden kon .
Ach - het is allang voorbij en echt belangrijk is het niet,
Maar toch schrijf ik op een berkenblad dit kleine keverlied.
En de kinderen die het horen zullen glimlachen misschien
Want ze hebben van hun leven nooit een meikever gezien.
En zo zullen zij nooit weten hoe die krabbelt, graaft en bromt,
Hoe hij in de late schemering pas goed tot leven komt,
Hoe hij vliegt met z'n antennes als een waaiertje gespreid,
Hoe hij woont in de kastanje of in 't groene grastapijt,
Hoe hij trots en glimmend rond zoemt met het zonlicht op z’n schild,
Hoe hij dommelt op het land dat in de zomerhitte trilt -
Maar hun leven is geëindigd en voorbij hun korte uur
En we zullen ze misschien wel achterna gaan op den duur.

Als ik dan nog eens op jacht ging,
Was het vast de laatste keer.
Er was zoveel om je heen
En dat is allemaal verdwenen
En geen macht op deze aarde brengt het weer -
Er zijn daar geen meikevers meer,
Er zijn daar geen meikevers meer.

Er schemert onmiskenbaar enig ecologisch bewustzijn door in deze lyrics, maar de hoofdtoon is er toch één van pure nostalgie: où sont les neiges d’antan, maar dan met kevers. Nu is nostalgie best een fijn gevoel om zo nu en dan in te wentelen, maar ver komen we er niet mee. Het quasi verdwijnen van Melolontha melolontha roept echter een aantal vragen op die dieper gaan dan heimwee naar de tijd van paard en kar. Niet alleen het lot van de meikever geeft trouwens aanleiding tot het stellen van die vragen, maar dat van ieder organisme dat ten gevolge van onze aanwezigheid op de aarde in slechte papieren zit, of daar nog gaat belanden.

Zoals: hoe gaan we om met de (andere) organismen die onze planeet bevolken? Moeten we ons, toegerust als we zijn met een bewustzijn en een vermogen tot ethisch besef, houden aan een ethische code tegenover niet-menselijke organismen? Is zo’n ethiek überhaupt mogelijk? Hebben niet-menselijke organismen rechten? Op welk niveau worden die rechten dan toegekend: op soortniveau, op individueel niveau? Zijn die rechten, is dat ethische systeem, altijd van toepassing of alleen als het ons goed uitkomt – gaan we, met andere woorden, organismen die ons tot nut zijn koesteren en de rest bestrijden? En als we gaan bestrijden, is het toelaatbaar dat we hele soorten en groepen van soorten van de aardbodem vegen? Of mogen we alleen bestrijden in evenredigheid met de aan ons toegebrachte schade? Of heeft onze relatie met het leven op aarde helemaal geen ethische dimensies, en is wat we ook doen altijd correct want nu eenmaal onze rol in het ecosysteem? Moeten we ons veeleer laten leiden door esthetische overwegingen? Zijn dieren, planten, zwammen – wat mij betreft hele ecosystemen – erfgoed, dat we moeten conserveren voor ons nageslacht? Of is het louter materie, waarover we ad libitum kunnen beschikken zoals het ons uitkomt? Of heeft misschien ieder organisme een intrinsieke waarde an sich, ongeacht het een mens, een mollusk of een slijmschimmel betreft?

Ik kan zo nog wel even doorgaan. Sommige van deze vragen zijn mogelijk gratuit, andere gaan echter over de essentie van onze positie in de wereld. Bovendien: wie al eens het journaal ziet of hoort of nu en dan een krant leest, weet maar al te goed dat de vragen die ik hier stel in verband met niet-menselijk leven, zo te zien zelfs wat betreft medemensen niet zomaar tot glasheldere antwoorden leiden met daarin onwrikbare universele waarheden. Zolang er binnen onze eigen soort over de hele wereld individuen en groepen fundamentele rechten worden ontzegd omwille van huidskleur, taal, seksuele geaardheid, geslacht, leeftijd, gezondheidstoestand of religieuze of politieke overtuiging, lijkt mijn vraagstelling over dierenrechten mogelijk bij de haren getrokken. In discussies over deze materie in kringen waarvan de weldenkendheid nauwelijks kan worden betwijfeld, is het dan ook een veelgehoorde dooddoener dat alle geleuter erover zinloos is: zwam niet over de beestjes, zolang nog met mensen wordt gesold. Gewoonlijk valt al snel de naam Hitler - en inderdaad, het valt niet te ontkennen dat het regime dat door deze man werd gevestigd, aan de ene kant op basis van een volstrekt imaginair rassenbegrip miljoenen Joden en andere zogezegd inferieure mensen de dood injoeg, maar anderzijds zeer begaan was met de rechten van het dier en al op 24 november 1933 een wet op de dierenbescherming uitvaardigde. Bekommernis om dieren garandeert geenszins een hoge graad van humaniteit. Bekommernis om mensen evenmin, trouwens: wereldwijd lopen er ook vandaag nogal wat rond die bijvoorbeeld het ongeboren menselijke leven onaantastbaar en heilig achten maar geen moeite hebben dit te rijmen met de overtuiging dat, eens geboren, datzelfde leven desnoods tot pulp mag worden geschoten omdat het andere opvattingen aankleeft. Of dat het geen recht meer heeft op ziektebijstand zodra het een bepaalde leeftijd heeft bereikt, zoals een niet onaanzienlijk deel van de Vlaamse bevolking volgens een recent onderzoek van de socioloog Marc Elchardus zou vinden.

De meikever. Illustratie uit Claus Caspari,
Mitteleuropäische Insekten, 1956.

Maar ik had het dus over insecten. Insecten tarten onze opvattingen over dierenliefde en dierenrechten. Ze rammelen en rukken aan wat wij als ons respect voor de natuur beschouwen. Ze confronteren ons meedogenloos met de naakte waarheid dat we het niet-menselijke leven voornamelijk appreciëren voor zover het op ons lijkt. In onze relatie met de biosfeer gedragen we ons tot en met antropocentrisch. Intuïtief behandelen we levende organismen anders naarmate we ze ervaren als dichter of verder van ons af op de scala naturae, de grote ladder van het bestaan. Zoogdieren liggen ons het meest na aan het hart. Niet verwonderlijk: wij behoren zelf tot die groep. In het bijzonder mensapen - gorilla's, chimpansees, orang oetans - ervaren velen bijna als soortgenoten, hetgeen biologisch ook welhaast klopt: deze dieren behoren tot dezelfde familie als wij, de Hominidae, en staan genetisch zéér dicht bij ons. Ook jonge zoogdieren hebben het vermogen bij mensen een gevoel van sympathie op te wekken dat sterk lijkt op wat menselijke kinderen kunnen activeren. Ronde hoofdjes, grote ogen, dons… het maakt het juveniele zoogdier – het kitten, de pup, het hertenkalfje – onweerstaanbaar. Bambi rules. Zelfs voor killers als beren en wolven voelen we wat. Ooit was het natuurlijk anders, maar vandaag vindt een westers mens met een beetje beschaving dat je géén wolf afknalt, ook niet wanneer hij al eens een schaap pakt. Vogels – óók warmbloedige vertebraten, zij het al wat verder van ons af – maken misschien minder emotie los dan zoogdieren, maar liggen ons niettemin veel nader aan het hart dan reptielen en amfibieën. Slangen en krokodillen (hoewel die laatste taxonomisch héél dicht bij de vogels staan) stoten velen van ons ronduit af. Voor slangen bestaat er zelfs een specifieke fobie, die soms panische dimensies kan aannemen: ophidiophobia. Vissen, gewerveld maar evolutionair op een flinke afstand van ons, laten ons redelijk koud. Denk aan de verontwaardiging van dierenactivisten die ageren tegen het wrede lot van dolfijnen die per ongeluk in de netten van tonijnvissers verstrikt raken, maar heel wat minder moeilijk doen over de tonijnen zelf, waarvoor het blik, in olie of in eigen nat, blijkbaar de logische bestemming is.

Voor invertebraten voelen we in de regel geen bal. Weekdieren – mosselen, inktvissen en slakken – doen ons niks. Geleedpotigen – insecten, spinnen, schorpioenen, schaaldieren – kunnen wel enige fascinatie of esthetische appreciatie opwekken, maar staan te ver van ons af om gevoelens van sympathie in het leven te kunnen roepen. Integendeel: vaak stoten ze ons af – in het geval van spinnen zelfs heel extreem. We kunnen ze ook niet echt bevatten. Ze zijn met teveel. De meikever behoort tot een familie met ca. 20.000 beschreven soorten. De orde van de kevers, Coleoptera, telt minstens 300.000 verschillende species: tenminste, zoveel ongeveer zijn er ooit wetenschappelijk beschreven. Ramingen over hoeveel soorten er écht zijn, lopen uiteen en gaan van twee tot tien miljoen. In dit verband doet een aardige anekdote de ronde over de Britse bioloog J.B.S. Haldane. Gevraagd naar wat volgens hem (overtuigd atheïst en materialist overigens) op basis van zijn dagelijkse omgang met de schepping, de belangrijkste karaktertrek was van de Schepper van dat alles, opperde hij dat dat ongetwijfeld an inordinate fondness for beetles moest zijn, een buitensporig zwak voor kevers. Het aantal exemplaren kevers dat op de aarde rond kruipt, loopt, graaft, zwemt of vliegt, is al helemaal niet te vatten: waarschijnlijk gaat het om vele duizenden miljarden. Ik zeg bewust exemplaren, niet individuen. Want als we het over insecten hebben, is individualiteit wel het laatste waaraan we denken. Ook dat is één van de problemen in onze appreciatie van deze dieren: ze hebben te weinig individualiteit. Andere dingen hebben ze dan weer te véél: te veel ogen, te veel sprieten, te veel poten.
Het icoon van WWF is niet voor niets een reuzenpanda, en geen bidsprinkhaan of tsetsevlieg.




Natuurlijk verdient dit alles enige nuancering. Mensen uit diverse beschavingen hebben in de loop der tijden heel verschillende houdingen tegenover de natuur, en dus ook tegenover insecten, aangenomen. Wij, 21ste-eeuwse Europeanen, zijn erfgenamen van joods-christelijke en rationalistische wereldvisies. Het bijbelse boek Genesis windt er geen doekjes om: de hele schepping is er ten bate van de mens. “Wees vruchtbaar en word talrijk”, zegt God tot de mens, “bevolk de aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt.” En na de Zondvloed zegt hij tot Noach: “Er zal vrees en schrik voor u zijn bij alle dieren op de aarde, bij alle vogels in de lucht, bij alles wat op de grond kruipt en bij alle vissen in de zee; onder uw heerschappij zijn ze gesteld. Alles wat leeft en beweegt zal u tot voedsel dienen…” Deze zeer antropocentrische benadering werd nog versterkt door het rationalistische denken, dat al wat niet met rede begiftigd is zag als niet veel meer dan een machine. Andere denksystemen zagen of zien het anders. In het Egypte van de farao’s was elk organisme de manifestatie van een goddelijke kracht. Voor Hindoes en Jains is er een absolute continuïteit in al wat leeft, van grasspriet tot mens tot olifant tot kever. Een quasi eindeloze cyclus van wedergeboorten voert een ziel langsheen alle denkbare levensvormen. Het doden van een dier, zelfs om je ermee te voeden, is in die context ongeoorloofd.

Laat ik even de hand in eigen boezem steken. Hoe staat het met mijn respect voor de rechten van het niet-menselijke leven? En meer specifiek voor de afdeling insecten van dat niet-menselijke leven? Ik denk dat ik niet al te consequent ben. In mijn Hobokense kindertijd en jeugd heb ik nogal wat beesten zien slachten en heb ik ook zelf één en ander naar gene zijde geholpen: kippen, duiven, eenden, konijnen. Kippen waren er om eieren te leggen, en als de eieren uitbleven, restten er nog de soep of de braadpan als lotsbestemming. Ik heb gevist. Ik heb ook insecten verzameld en op een bord geprikt. Later kreeg ik het wat moeilijker met het eigenhandig doden van dieren. Ik besef echter dat ik, zolang ik vlees eet, met mijn op latere leeftijd verworven gevoeligheid op dit vlak enigszins naar hypocrisie neig. Ik respecteer de keuze van vegetariërs om geen vlees te eten, maar vind hun stelling dat ze zich tot plantaardige voeding beperken uit eerbied voor het leven weinig steekhoudend en au fond uiterst antropocentrisch. Eigenlijk lijkt een wat utilitaire kijk op de zaak me nog het zinnigst: een mens moet nu eenmaal eten om te leven en tenzij kweekvlees uit stamcellen een wereldwijd succes wordt, we op astronautenvoeding overschakelen of de fotosynthese onder de knie krijgen, zal dat eten altijd ten koste gaan van ander leven, dierlijk of plantaardig. Wilde zoogdieren en vogels moet je zoveel mogelijk met rust laten, vind ik. Idem dito wat betreft reptielen en amfibieën. Ik heb graag een stukje vis op mijn bord maar ben bereid te passen voor de consumptie van bepaalde soorten als dat hun bestand kan vooruit helpen - dan maar geen geelvintonijn of kabeljauw, hoe hemels die ook kunnen smaken. Invertebraten laat ik met rust als ze mij met rust laten. Dat wil zeggen: de slakken die mijn hosta’s kaalvreten gaan eraan, de rest laat ik ongemoeid. Al wil een escargot met lookboter er op tijd en stond wel in, en zijn mosselen, oesters, garnalen en kreeften niet te versmaden. Ik ben ook dol op inktvis, al weet ik dat deze mollusk zich onderscheidt door zijn hoge intelligentie, die onder meer blijkt uit zijn verbazende leervermogen. Met insecten ben ik hopeloos inconsequent. Een libel, kever of sabelsprinkhaan zal ik nooit bewust om zeep helpen, maar ik mep wel genadeloos elke bromvlieg neer die om mijn hoofd zoemt en ik plet niet zonder enig genoegen dazen en muggen fijn vóór ze mij hebben kunnen steken. Als mijn kat met vlooien thuiskomt, wordt het pipet met fipronil gehanteerd. Voor bijen, hommels en (zelfs) wespen heb ik veel sympathie, niet alleen omdat ik weet hoe essentieel bijen en hommels zijn voor het wereldwijde voortbestaan van de vegetatie of omdat hommels zo'n fascinerend metabolisme hebben, maar ook omdat ze zo gezellig zoemen. De bladluizen op mijn Philadelphus kunnen uiteraard niet op enige consideratie rekenen. Vlinders laat ik met rust, tenzij het kleermotten zijn natuurlijk. Ik tolereer de leliekevertjes die gaatjes vreten in mijn lelies - ik vind ze even mooi als de lelies, jawel - maar houtworm krijgt één of ander gif op zijn verdoemenis en als kind en jonge snaak heb ik in de ouderlijke tuin duizenden coloradokevers om zeep geholpen: de patatten gingen voor. Het lijkt me bijgevolg evident dat bijvoorbeeld sprinkhanen, die in Afrika en Azië nog altijd plagen vormen die mislukte oogsten en dus armoede, ziekte en hongerdood betekenen, waar nodig krachtdadig worden bestreden. Maar systematische uitroeiingsprogramma's voor hele soorten kan ik alleen maar misdadig vinden. En o ja, ik heb ook al gefrituurde sprinkhanen en krekels gegeten en vond hun nootjessmaak best te pruimen.

In elk geval: de meikevers die op een mooie meiavond 2004 in Ciggiano pardoes landden op de tafel waaraan ik zat te lezen, maakten me, wel ja, gelukkig.

Sindsdien werd het weer stil aan het meikeverfront. Ik kwam nog wel in Toscane, maar niet meer in mei: geen meikevers dus. In de Pyreneeën zag ik een paar jaar later in juni à volonté vliegende herten, spectaculaire grote verwanten van de meikever. Een vriendin vertelde me in diezelfde tijd dat haar zoon in Ekeren een meikever had gevangen. Mijn betere helft zag er eerst één in het Rivierenhof en later een paar keer in het Middelheimpark, waar ze werkt.

Een paar keer een meikever: het klinkt maar mager. Veel gebrom en gezoem kan dat niet opleveren. En soep zal je er ook niet mee maken.




In afwachting van betere tijden geef ik echter alvast het recept, overgenomen uit de 18de editie (1ste druk 1880) van Bertha Heyden's Kochbuch oder gründliche Anweisung, einfache und feine Speisen mit möglichster Sparsamkeit zuzubereiden, unter besonderer Berücksichtigung der Fortschritte, die in der Chemie gemacht sind:
Man fängt die Maikäfer, von denen man 30 Stück auf eine Portion nehmen kann, frisch ein, tötet sie, löst ihnen die hornartigen Flügeldecken ab und zerstößt sie, nachdem sie sorgfältig gewaschen, in einem Mörser. Dann thut man ein gutes Stück Butter in eine Kasserole, und wenn dieselbe steigt, die gestoßene Masse hinein und lässt sie ¼ Stunde darin rösten. Dann giebt man leichte Bouillon darauf, am besten Kalbfleischbrühe und lässt sie ½ Stunde damit kochen. Wenn dieselbe durch ein Sieb gegossen, schwitzt man 2 Löffel Mehl in Butter, giebt es zur Suppe, lässt diese damit glatt kochen und zieht sie kurz vor dem Anrichten mit einigen Eidotter ab.
Wenn man nur leichte Bouillon zu dieser Suppe nimmt, wird dieselbe doch durch die Maikäfer kräftig und wohlschmeckend, so dass man nicht versäumen sollte, in der Jahreszeit, wo es Maikäfer giebt, dieselben auszunutzen. Warum man vor dem nicht unschönen Maikäfer bisher Abscheu empfand, ist nicht erklärlich, da man doch Krebse verspeist, die weniger appetitlich aussehen.
Maikäfersuppe ist der Krebssuppe ähnlich, nur kräftiger und wohlschmeckender.



Bon appétit!



Clement Caremans ©2014




Selectieve bibliografie

AA: Insekten van België – Insectes de Belgique. Itegem, n.v. Fort Produkten, 1959. Luc Auber: Coléoptères de France. 3 fasc. Fasc. I Carabes, Staphylins, Dytiques, Scarabées. Paris, Éditions N. Boubée & Cie, 1951. Hanns Bächtold-Stäubli & Eduard Hoffmann-Krayer. Handwörterbuch des Deutschen Aberglaubens. 3., unveränterte Auflage mit einem neuen Vorwort von Christoph Daxelmüller. 10 vols. Berlin & New York, De Gruyter. 2000 (1ste ed. 1927-1942). A.E. Brehm: Het leven van de dieren. 5 dln. Dl. V. Amsterdam, Uitgeversmaatsch. Enum & Antwerpen, Uitgeverij De Magneet, 1930. Carl Gustav Calwer: Het Keverboek. Zutphen, W.J. Thieme & Cie, 1930. Gaëtan du Chatenet: Guide des coléoptères d’Europe. Neuchâtel & Paris, Delachaux & Niestlé, 1990. Arthur V. Evans & Charles L. Bellamy: An Inordinate Fondness for Beetles. Photography by Lisa Charles Watson. New York, Henry Holt and Company, 1996. Karl Wilhelm Harde & František Severa: Kevers. Zutphen, W.J. Thieme & Cie, 1989. André Janssens: Insectes – Coléoptères lamellicornes. Bruxelles, Institut royal des Sciences naturelles de Belgique, 1960. G. Kruseman: De Insecten. Vrij bewerkt naar het Fransch van Paul A. Robert. 2 dln. Dl. I Coleoptera, Dermaptera, Orthoptera, Ephemeroptera, Odonata, Plecoptera, Isoptera, Mallophaga, Neuroptera, Mecoptera, Trichoptera, Strepsiptera, Apterygota. Zutphen, W.J. Thieme & Cie, 1938. Peter Marren & Richard Mabey: Bugs Britannica. London, Chatto & Windus, 2010. A. Reclaire: Kevers. 3 dln. Wat Leeft en Groeit 15-17. Utrecht, Uitgeverij Het Spectrum, s.a. Vincent H. Resh & Ring T. Cardé (eds.): Encyclopedia of Insects. Amsterdam, Boston, London etc., Elsevier Science-Academic Press, 2003. Rudolf Schenda: Das ABC der Tiere. Märchen, Mythen und Geschichten. München, C.H. Beck’sche Verlagsbuchhandlung, 1995. Paul Sébillot: Croyances, mythes et légendes des pays de France. Édition établie par Francis Lacassin. Paris, Omnibus, 2002. Leo Senden: Ons keverboek. Leuven, Davidsfonds, 1939. L.A.J.W. baron Sloet van de Beele: De dieren in het Germaansche volksgeloof en volksgebruik. ‘s-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1887. P. Van der Wiel: Welke kever is dat? Zutphen, W.J. Thieme & Cie, 1957.



Volg de activiteiten van Het GenOOtschap - stuwgroep voor cultuur op facebook:http://www.facebook.com/HetGenootschap

Geen opmerkingen:

Een reactie posten