zondag 30 maart 2014

Sumer is icumen in




 

 Sumer is icumen in





Mijn grootmoeder had een koekoeksklok. Als kind was ik tuk op die klok. Ze leek wel een huisje. De met houtsnijwerk versierde voorzijde toonde bladeren waartussen vogels zaten. De slinger was een in hout uitgesneden blad, de gewichten waarmee het uurwerkmechanisme aan de gang werd gehouden, waren gietijzeren sparappels, mastentoppen. Boven de wijzerplaat – zwart, met ietwat gotisch aandoende witte Romeinse cijfers – was er een deurtje, en dat was de plek waar zich om het half uur het wonder voltrok. Het deurtje klapte dan open en een grijs vogeltje, de koekoek, schoot tevoorschijn. “Oe-oe” deed het vogeltje en verdween weer, deurtje dicht. Op het halfuur weerklonk telkens één “oe-oe”, op het uur zoveel “oe-oes” als de kleine wijzer aanwees. Middag en middernacht waren hoogtepunten: twaalf keer na mekaar! Kwam daar nog bij dat nu en dan het mechanisme haperde, en de kleine koekoek bleef roepen tot iemand van arren moede de slinger blokkeerde en de klok stilviel. Op een keer riep de koekoek meer dan zestig maal vóór er kon worden ingegrepen. Ik beweer niet dat ik toen een glimp van de eeuwigheid heb opgevangen, maar veel kan het niet hebben gescheeld.

Volgens de overlevering werd de eerste koekoeksklok rond 1730 gebouwd in het dorpje Schönwald in het Zwarte Woud. De horlogemaker die ze ontwierp zou in feite (las ik ergens, maar ik weet niet meer waar) oorspronkelijk helemaal geen koekoeksroep voor ogen hebben gehad: hij wou een haan laten kraaien, maar kreeg het mechaniekje daartoe niet voor mekaar. Dus maar voor de koekoek gekozen, met zijn eenvoudige maar o zo herkenbare roep… Dit verhaal klopt niet. Al in 1629, zo’n halve eeuw voor de uurwerkindustrie in het Schwarzwald voet aan de grond kreeg, beschreef de Augsburger Philipp Hainhofer voor het eerst een soort koekoeksklok waarvan keurvorst August van Saksen de trotse bezitter was. Ook andere 17de-eeuwse teksten maken gewag van koekoeksklokken of delen ervan. Athanasius Kircher beschrijft in Musurgia Universalis (1650) het principe van de mechanische koekoek, die zijn karakteristieke geluid voortbrengt middels twee orgelpijpjes gestemd met een grote of kleine terts als interval. Domenico Martinelli’s Horologi Elementari (1669) lanceerde de idee om de koekoekautomaat de uren te laten aanduiden met zijn roep. Vanaf de publicatie van dit werk was iedere uurwerkmaker die ook Latijn kon lezen, in staat een koekoeksklok te bouwen. Het was vooral in het Zwarte Woud dat de prille uurwerkindustrie wel brood zag in de klok met het “oe-oe” roepende vogeltje. In de 19de eeuw werd deze regio het centrum van de fabricage van koekoeksklokken, die vandaar uit de wereld veroverden. Om tot vandaag de enen kinderlijke verrukking te bezorgen en de anderen te doen huiveren om zoveel onversneden kitsch.

Koekoeksklokken.





Vanwaar de fascinatie met de roep van de koekoek – want dáár is het hem uiteraard in de eerste plaats om te doen?

Het heeft veel, zoniet alles, te maken met de kracht van eenvoud. Less is more. Twee tonen slechts, gescheiden door een terts – gewoonlijk een fa# gevolgd door een re: “oe-oe”. En dit zo duidelijk, luid en nadrukkelijk, dat de verwekker van het geluid vrijwel overal waar hij voorkomt zijn naam eraan ontleent.
Doorheen zijn hele Euraziatische verspreidingsgebied, van de Donegal tot de Fujiyama, is de koekoek inderdaad genoemd naar zijn roep: in Frankrijk coucou, in Spanje en Portugal cuco, in Italië vandaag cuculo of cucù en ten tijde van de Romeinen cuculus, in Griekenland vroeger kokkyx en nu koukos, in Engeland cuckoo, bij de Duitsers Kuckuck, in het Iers cuach, in het Pools kukulka, bij de Tsjechen kukačka, bij de Russen kukushka, in het Perzisch koku, in het Sanskriet kokilas, in Hongarije kakukk, in Litouwen gegutè, in Turkije guguk, in Kasjmir kuku, in Sikkim kukku, in Bhutan akku, in Japan kak-ko. De Germanen van het noorden hoorden de roep blijkbaar een ietsje anders, wat het Angelsaksische geac, het Oudnoorse gaukr en het Oudhoogduitse gouh opleverde, IJslands gaukur, Deens gøg, Zweeds gök, Duits Gauch en gawk, gauk, gowk, gog of goke in Noord-Engeland en Schotland. Gawk zou trouwens de oorspronkelijke Engelse naam zijn geweest, cuckoo (<cuccu) Franse import, geïntroduceerd in het kielzog van Willem de Veroveraar. Overigens blijkt ook in gawk-gebieden de vogel “koekoek” te roepen: “The goke ansered hur and sayd V times, Cukkow”, lezen we in een Engelse tekst van ca. 1450.


Archibald Thorburn, Koekoek (Cuculus canorus).

Boskoekoek of Himalayakoekoek (Cuculus saturatus) uit Rusland en Centraal- en Oost-Azië, een wat kleinere verwant van Cuculus canorus.



De zang van de koekoek is alom gekend. Ook wie nog nooit een koekoek hoorde, weet hoe hij klinkt. En wie voor het allereerst met de tweetoon kennismaakt, weet meteen wat hij hoort. Een koekoek zien is echter heel wat anders: daar krijg je niet zo vaak de kans toe. Maar weinigen hebben de slanke, tortelduifgrote grijze vogel met spitse vleugels en lange staart ooit echt gezien. Dat heeft niet alleen te maken met relatieve schaarsheid van het beest – België zou vandaag nog zo’n 6000 à 8000 paren tellen – maar vooral ook met zijn schuwheid en verdoken manieren. Voorts verblijft Cuculus canorus Linné ook maar korte tijd in onze streken: hij arriveert in april (in noordelijker regionen, zoals Schotland, pas in mei; in Lapland pas in juni) en gaat er vanaf augustus (in Lapland vanaf juli) alweer vandoor. Zoals een Engels versje het zegt:
In April
Come he will;
In May
He sings all day;
In June
He changes his tune;
In July
He gets ready to fly;
In August
Go he must.
Het grootste deel van het jaar brengt hij door in Afrika ten zuiden van de evenaar. Eerder dan een Europese soort die in Afrika overwintert, is hij een Afrikaanse vogel die hier temidden de voorjaarsexplosie van leven zijn eieren komt leggen en zich met rupsen volvreten, vooraleer weer naar het zuidelijk halfrond te verdwijnen. In ieder geval is hij, méér dan gelijk welke andere vogel, voor het collectieve bewustzijn uitgegroeid tot dé heraut van de lente.

En dat is al heel lang zo, zoals de 13de-eeuwse rota Sumer is icumen in (meteen de oudste in de Engelse literatuur) aantoont:
Sumer is icumen in
Lhude sing cuccu.
Groweþ sed and bloweþ med
And springþ þe wde nu.
Sing cuccu.
Awe bleteþ after lomb
Lhouþ after calue cu.
Bulluc sterteþ bucke uerteþ
Murie sing cuccu.
Cuccu cuccu.
Wel singes þu cuccu.
Ne swik þu nauer nu.
Sing cuccu nu sing cuccu.
Sing cuccu sing cuccu nu.
Van de Middelengelse tekst gaat zo’n kracht uit, dat ik hem weergeef zonder hem te moderniseren, met thorns (þ) en al. Ik waag me ook niet aan een vertaling, en parafraseer gewoon. De lente is in het land, luidt het (de Middelengelse sumer is niet zozeer onze zomer als wel de volledige periode tussen lente- en herfstequinox), zing dus luid, koekoek! Het zaad groeit, de weide bloeit en het bos schiet op. Zing, koekoek! De ooi blaat tot haar lam, de koe loeit naar haar kalf, de stier springt, de bok veest. Zing vrolijk, koekoek. Koekoek, koekoek! Je zingt mooi, koekoek, blijf zingen. Zing nu koekoek!

Wordsworth was, eeuwen later, al even opgetogen:
O blithe new-comer! I have heard,
I hear thee and rejoice:
O Cuckoo! Shall I call the Bird,
Or but a wandering Voice?
While I am lying on the grass
Thy troubled shout I hear;
From hill to hill it seems to pass,
At once far off and near.
John Bunyan - een puritein, wat wil je - liet zich dan weer heel wat minder enthousiast uit over de koekoek en zijn lenteroep:
Thou booby, say’st thou nothing but Cuckoo?
The robin and the wren can thee out-do:
They to us play through their little throats
Not one, but sundry pretty taking notes.
But those hurt fellows, some, like thee, can do
Little but suck our eggs and sing Cuckoo.
Thy notes do not first welcome in our Spring,
Nor dost thou its first tokens to us bring:
Birds less than thee by far, like prophets do
Tell us ’t is coming, though not by Cuckoo.
Ook voor Edward Topsell (The Fowles of Heauen or History of Birdes) is de koekoek niet de heraut van de lente; met zijn roep, die steeds weer zijn eigen naam herhaalt, geeft hij veeleer uiting aan zijn ijdelheid:
Cuckoes by reason of their often reiterated voyces are the Moralls of vayne boasters, Thrasonians, and as we say Braggadocians. for as she scorneth all other notes and voyces, Cryinge nothinge but her oune name even vnto a taedious importunitie: So the loue to talke of nothinge but themselues and their oune acts, envyinge the iust prayses and merits of other men, and extollinge the dunghills of their oune fame, aboue the sweetest mountaynes of the best deseruers. 
Het gebrek aan variatie in de zang van de koekoek staat centraal in de fabel van de koekoek en de nachtegaal. In een zangwedstrijd komen koekoek en nachtegaal tegen elkaar uit: de eenvoudige tweetoon van de één tegenover het quasi eindeloos gevarieerd lied van de ander. Als jury wordt de ezel aangeduid, omdat die met zijn grote oren ongetwijfeld meer hoort dan wie ook.
Nachtegaal en Koekoek streden
Om den zangprijs van het dal.
Hoe gelukkig zal hy wezen
Die dien zangprijs winnen zal!

Koekoek sprak: ik weet een regter,
Die ons vonnis wijzen kan.
Ooren heeft hy om te hooren
Grooter dan de groote Pan.

De Ezel kwam, men gaat aan 't zingen.
Langoor bromt eens in de keel,
Rekt zich uit, en geeuwt en luistert
Naar het lied van Filomeel.

Wind en bosch en stroomen zwegen.
Eindlijk zegt hy: ‘Gants niet kwaad;
Maar het is te wild gezongen,
En het blijft niet in de maat.’

Na een korte poos gegrinnik
Geeft hy d' ander ook gehoor,
Koekoek flux aan 't koekoekschreeuwen,
Koekoek, koekoek, na als voor.

‘Bravo! ja, dat noem ik zingen,
(Zegt hy) dat 's de rechte toon!
't Nachtegaaltjen piept wel aardig,
Maar de Koekoek spant de kroon.

Dat zijn klinkklaar zuivre jamben;
Dat 's een maat naar mijn verstand:
Daar is 't zoet by in te slapen;
'k Hou niet van dien Griekschen trant.
Tot zover de versie van Willem Bilderdijk, die in dit vers uit 1811 de koekoek identificeert met de aan strakke regels onderworpen dichtkunst, terwijl de nachtegaal hier de vrije, natuurlijke poëzie van de romantische beweging representeert.




Het tijdstip waarop de koekoek zich voor het eerst laat horen, verschilt van streek tot streek.
In Vlaanderen wordt traditioneel 15 april als de eerste koekoeksdag beschouwd. Ook in Engeland situeert first cuckoo day zich meestal op 14 of 15 april. In Zuid-Frankrijk is dat 21 maart, in sommige streken van Italië 25 maart (Maria-Boodschap):
All’ Annunziata
Si u’ cuccule n’à cantate
O è muerte o è malate.
In Noord-Frankrijk is de datum 1 april, in Noorwegen en Noord-Duitsland 1 mei (Sint-Walpurgis). Het begin van de lente werd in Duitse teksten aangeduid met “wann der gauch gucket” en volgens het woudrecht duurde de winter “bis zu Sant Walpurgedage dar der gauch gukte und ni lenger”. Overigens begint wat de aankomst van de koekoek betreft, global warming stilaan een duit in het zakje te doen. Het heeft er alles van, dat Cuculus canorus steeds vroeger in het jaar uit equatoriaal Afrika weerkeert. Voor de periode 1966-1996 geven de Sussex Bird Reports als gemiddelde eerste koekoeksdag 7 april, terwijl Gilbert White in het 18de-eeuwse Hampshire nog als vroegste 7 en als laatste datum 26 april noteerde. De vroegste, vrijwel algemeen geaccepteerde waarneming van een roepende koekoek, is er één van 20 februari 1953, te Farnham in Surrey.

Vooral op de Britse eilanden werd de eerste koekoek doorheen de eeuwen als een belangrijk gebeuren ervaren. Dit wordt gereflecteerd in de poëzie, waarvan ik al een paar voorbeelden citeerde, en in de muziek, met composities als Frederick Delius’ On Hearing the First Cuckoo in Spring. In de 20ste eeuw was het voor veel Britten de gewoonte een brief aan The Times te schrijven als ze hun eerste koekoek van het jaar hoorden. Op 3 april 1907 publiceerde de krant dit pareltje van de hand van Mr W.J. Courthope:
Sir, - I wonder whether many of your readers have heard the cuckoo at this unuasually early date? I heard him two or three times this afternoon and I find that others in these parts heard him this morning. The Sussex legend that the cuckoo is let out of a basket by an old woman at Heathfield Fair - about the middle of April - marks the season when his arrival is commonly observed.
Yours faithfully,
W.J. Courthope
The Lodge, Wadhurst, Sussex, April 1
De dag erop drukte The Times volgende reactie af:
Sir, - Referring to Mr W.J. Courthope’s letter in your today’s issue, I can claim to have heard an earlier cuckoo.
On Sunday afternoon, outside the little village of Friday Street in Surrey, I was delighted and surprised to hear the bird’s “wandering voice” quite close at hand. That was on March 31.
Yours, &cc.
David A. Horner
Lidsdale, Epsom, April 3
Deze koekoeksbrieven werden een genre op zich; gentlemen of leisure observeerden de natuur en zijn verschijnselen en correspondeerden daarover, direct of via de lezersrubriek van The Times, met elkaar. Hoezeer de eerste-koekoeksmeldingen een stempel drukten op de brievenrubriek van de eerbiedwaardige krant, wordt geïllustreerd door de titels van de drie volumes lezerscorrespondentie die ze publiceerde: The First Cuckoo, The Second Cuckoo en The Third Cuckoo. Maar tradities hebben het moeilijk deze dagen, ook aan gene zijde van het Kanaal. “The modern, Rupert Murdoch-owned, tabloid Times is no longer interested in cuckoos,” schrijft Michael McCarthy in Say Goodbye to the Cuckoo.
This was made quite explicit in a piece by Sally Baker, letters editor from 2003 to 2005, published in the paper on 11 February 2006, entitled “Time to evict a legendary cuckoo from our nest”, with the sub-heading: “Contrary to myth, The Times long ago lost interest in this deceptive herald of spring.” Ms Baker, who had moved on to become the paper's feedback editor, wrote that, although “first cuckoo” letters were still received each year, none was published. “That we still publish “first cuckoo” letters is perhaps the greatest myth in Times lore and I am almost reluctant to explode it,” she wrote. But explode it she did, concluding her piece, “So I extend a warm welcome, wherever he or she presently is, to the first cuckoo of this spring. But please, don't tell us about it.”
Het horen roepen van de eerste koekoek werd vroeger allerlei voorspellende en gelukbrengende kracht toegeschreven. “Das weiss der Kuckuck”, zegt een Duitse uitdrukking.

Een heel oud gebruik, dat al in Vanden Vos Reynaerde opduikt, bestaat erin de koekoek te ondervragen naar de leeftijd die men zal bereiken. De eerste koekoek horen met veel geld op zak, voorspelde een jaar van voorspoed. Was je op het moment van de eerste koekoeksroep echter platzak, was dat een slecht voorteken: je zou dan het hele jaar krap bij kas zitten. In Engeland en in Duitsland geloofde men, dat je als je de eerste koekoek hoorde, met je centen moest rinkelen: je wensen zouden dan in vervulling gaan. Hoort men in de Schotse Highlands de eerste koekoek terwijl men zit te eten, zal het jaar goed verlopen. Hoort men hem daarentegen in Duitsland op de nuchtere maag, kan men zich aan een jaar vol honger verwachten. In Frankrijk heeft het horen van de eerste koekoek vóór de casse-croûte dan weer tot gevolg dat je de rest van het jaar als een luie donder zal slijten. In Somerset zetten de kinderen het na het horen van de eerste koekoek op een lopen, om te vermijden dat ze lui zouden worden voor de rest van het jaar. Als in Cornwall de roep van rechts komt, is dat een goed teken; komt hij van links, heb je brute pech. Als in Noorwegen de koekoek in het noorden roept, voorspelt dat de dood; komt de roep uit het zuiden, ligt er een goede oogst in het verschiet; bij een westelijke koekoeksroep worden je wensen vervult en bij een oostelijke heb je geluk in de liefde. Enzovoort. Enzovoort.

Nu en dan is de vogel een boodschapper van slecht nieuws. De tweetoon heeft inderdaad het vermogen een melancholische sfeer te creëren. In een Frans lied, in 1890 uitgegeven in Cinquante chants populaires receuillies dans la Haute Normandie et harmonisées par Edouard Moullé en vooral bekend geworden in de versie van de folkgroep Malicorne, brengt een koekoek het droeve nieuws van de dood van de geliefde.
Quand je menais mes chevaux boire
Ilaire, ilaire, itou, ilaire
Ilaire, oh ma nanette
Quand je menais mes chevaux boire
J'entendis le coucou chanter (bis)
Il me disait dans son langage
Ilaire, ilaire, itou, ilaire
Ilaire, oh ma nanette
Il me disait dans son langage
"Ta bien aimée vont l'enterrer" (bis)
Ah! Que dis-tu méchante bête?
Ilaire, ilaire, itou, ilaire
Ilaire, oh ma nanette
Ah! Que dis-tu méchante bêye?
J'étais près d'elle hier au soir (bis)
Mais quand je fus dedans la lande
Ilaire, ilaire, itou, ilaire
Ilaire, oh ma nanette
Mais quand je fus dedans la lande
J'entendis les cloches sonner (bis)
Mais quand je fus dedans l'église
Ilaire, ilaire, itou, ilaire
Ilaire, oh ma nanette
Mais quand je fus dedans l'eglise
J'entendis les prêtres chanter (bis)
Donnais du pied dedans la chasse
Ilaire, ilaire, itou, ilaire
Ilaire, oh ma nanette
Donnais du pied dedans la chasse
Réveillez-vous, si vous dormez (bis)
Non, je ne dors ni ne sommeille
Ilaire, ilaire, itou, ilaire
Ilaire, oh ma nanette
Non, je ne dors ni ne sommeille
Je vous attends dedans l'enfer (bis)


Thomas Bewick, Koekoek.
J.G. Keulemans, Koekoek.

In vroeger dagen ging het horen van de eerste koekoek vaak met een feestelijke sfeer gepaard. In sommige streken van Duitsland kreeg eertijds wie de vogel het eerst hoorde roepen, een ei getrakteerd. In Engeland werden diverse voorjaarskermissen met de koekoek in verband gebracht. Een motief dat er in nogal wat verhalen opduikt, is dat van de koekoek die niet alleen de lente aankondigt maar ze tevens incarneert. De plot gaat gewoonlijk zo: de burgers van één of ander plattelandsstadje – Gotham in Nottinghamshire, Madely in Gloucestershire, Borrowdale in Cumberland, Wing in Rutland… – willen dat de lente eeuwig in het land blijft. Dus besluiten ze rond een bosje waarin een koekoek zit te roepen een hek te bouwen of een haag te planten. Helaas, de koekoek vliegt toch weg en met hem verdwijnt de lente. De clou is steevast dat de Gothammers of Borrowdalers besluiten dat ze gewoon het hek wat hoger hadden moeten maken, dan had de vogel niet weg gekund. Verhalen van dit soort zijn natuurlijk quasi universeel: de ene groep mensen vertelt ze over een andere om aan te tonen hoe onnozel die wel zijn. Ze gaan over domoren die de reflectie van de maan in een waterput voor een bol kaas nemen, of die het schijnsel van diezelfde maan op een kerktoren interpreteren als vuur en prompt aan het blussen slaan. Volgens sommige auteurs gaan de koekoeksverhalen echter over méér dan alleen maar de dommigheden van een stel Britse boeren van Olen. John Edward Field bracht vertelsels als deze in verband met de vele plaatsen die Cuckoo Pen heten en waar gewoonlijk sporen te vinden zijn van oude aardeconstructies – wallen, tumuli e.d. In The Myth of the Pent Cuckoo ontwikkelt hij de theorie dat de insluiting van de koekoek (cuckoo penning) de echo is van een oud seizoensritueel dat te maken had met de komst van de lente en de vruchtbaarheid die zij brengt. De aardeconstructies zouden relicten zijn van de oude cultusplaatsen.

Hera met koekoek.


Was de koekoek ooit een cultusvogel? Er is een Griekse mythe die zegt dat Zeus, toen hij er niet in slaagde Hera op gewone wijze te veroveren, zich in een koekoek veranderde (Zeus was een meester in het versieren van goddelijke én sterfelijke vrouwen in de meest uiteenlopende gedaanten). Hera was vertederd door de mooie vogel en drukte die tegen haar boezem. Daarop veranderde de koekoek weer tot Zeus, die de jonge godin overweldigde. Volgens Pausanias maakte de beeldhouwer Polykleitos ooit een prachtig beeld van Hera dat de godin voorstelde, gezeten op haar troon, met een scepter in de hand; bovenop die scepter prijkte een koekoek. Ook een lekythos in het British Museum toont Hera met zo’n koekoeksscepter. Vaak zit er een vogel mee op Hera's troon, naar verluidt een koekoek. Of dit er echter op wijst dat de koekoek ooit een rol speelde in de cultus van Hera, is absoluut niet zeker. De betekenis van de mythe waarin Zeus zich als koekoek aan de godin opdringt, is volstrekt onduidelijk en misschien heeft men de mythe wel gewoon geconcocteerd om te verklaren waarom Hera een koekoek als attribuut had.

Soms wordt geopperd dat de koekoek ooit een rol speelde in de Germaanse religie en meer bepaald met de godin Freya werd geassocieerd. Freya was een godin van natuur en vruchtbaarheid. “Het is […] Freya die de mensen een lang leven, voorspoed, geluk in het huwelijk, kinderen, vruchten, een nieuw begin en de lente brengt”, schrijft Johan Boussauw in Vogels in volksgeloof, magie en mythologie. “Vandaar dat de haar toegewijde vogel aangeroepen werd door degenen die wilden weten hoe oud ze zouden worden, hoeveel kinderen ze zouden krijgen of hoe lang het nog zou duren voor ze zouden trouwen. De eerste roep van de koekoek bepaalde of men een rijk of een schraal jaar tegemoet ging.”



Verhalen als dat van de domme Wise Men of Gotham leggen niet alleen een verband met de lente, maar ook een associatie met zotheid bloot. Lente en zotheid of dwaasheid: ze gaan ook samen in het gebruik om op 1 april “de zotten op de dril” te sturen met één of andere dwaze boodschap of opdracht. In Engeland noemt men deze traditie van All Fools’ Day vooral in de noordelijker counties hunting te gowk of huntigawk; in het Duitse taalgebied heeft men het over Kukukjagen. De oorsprong van het gebruik van de zottendril is onbekend en de associatie met de koekoek is al evenmin duidelijk. Sommigen zien in het koekoekjagen de sporen van een oud initiatieritueel. Het kan ook gewoon te maken hebben met het feit dat een koekoek nu eenmaal erg moeilijk te lokaliseren is en dat het bijgevolg haast onbegonnen werk is er één te betrappen. In vrijwel heel Europa hebben kinderen overigens de gewoonte om, als ze verstoppertje spelen, “koekoek” te roepen naar hun zoekende speelmakkertjes. 

Cuculus canorus is wat ornithologen een vértrekker noemen. Hij arriveert laat in zijn zomeroord en trekt er vroeg weer weg. Voor men enig benul had van het fenomeen vogeltrek, zat men aardig in de maag met wat er, naargelang de streek, zo ergens in juli of augustus met de koekoek gebeurde. Een wijd verbreide opvatting was, dat de koekoek in de winter een klamper, een roofvogel werd. In De Spechten en de Koekoeken van België (1941) schrijft de ornitholoog R. Verheyen hierover: “Het geloof dat Koekoek en Sperwer één en dezelfde vogel zijn, leeft thans nog voort te Turnhout, om Hoepertingen, in Brabant, te Wijnegem en Halle, om Luik en in de Ardennen, verder nog hier en daar in de Maasvallei, in Condroz, in Haspengouw, in de Borinage en om Templeuve.” Het gaat hier om een zeer oud en hardnekkig denkbeeld, dat al diep geworteld was in de tijd van Aristoteles, die het als onzin van de hand deed. De Romein Plinius slikt het echter als koek (Naturalis Historia, boek X):
De koekoek schijnt uit een havik te ontstaan door in een bepaalde periode van het jaar van gedaante te veranderen; de andere haviken vertonen zich met uitzondering van een zeer beperkt aantal dagen, in die periode immers niet. Zelf is de koekoek ook gedurende een beperkte periode in de zomer te zien; daarna wordt hij niet meer waargenomen. De koekoek heeft als enige havikachtige geen kromme klauwen en afgezien van zijn kleur lijkt hij qua kopvorm of anderszins niet op een havik maar ziet er eerder uit als een duif. Ja, hij wordt zelfs door de havik opgegeten als ze zich eens tegelijkertijd vertonen en is zo de enige vogel die door een soortgenoot wordt gedood. Ook verandert hij van roep.
Een specifieke variant op dit denkbeeld was, dat de koekoek in zijn eerste jaar koekoek was maar de rest van zijn leven als roofvogel sleet.

Waarschijnlijk als reactie op deze bizarre uitleg, maakte al bij Jacob van Maerlant in de 13de eeuw, maar vooral later in humanistische kringen, de geloofwaardiger theorie opgeld dat de koekoek een winterslaap hield. Zo schrijft bijvoorbeeld Jonstonus in zijn Naeukeurige beschrijving van de natuur der viervoetige dieren, vissen en bloed-looze water-dieren, vogelen, kronkel-dieren, slangen en draken (1660): “Des winters verbergt hij sich in de hollen der aarde, stenen en bomen. Des winters als hij verschuilt is hij sonder veren, en is te geloven, dat hij met het gene hij daar vergadert, oft gevonden heeft, sich onderhoudt, oft op wijs der swaluwen en beeren leeft.” In Jacht-bedrijff klinkt een moderner aandoende twijfel door: “Blijven selden hier te lande, en als een enckel blijft, soo is de gemene opinie, dat een nest in een holle boom soude maecken, en des somers provisie van appelen, peren en andere vruchten in brengen, en dan indien selfde nest den winter over, daer hij maeckt in soude leggen en ruijenn en sijn veeren tegens den vortijdt weer krijgen, doch noijt een gesproocken die sulx met waerheijt selfs te hebben gesien heeft willen getuijgen.”

Het bijzonderste aan de koekoek is wel de wijze waarop hij zich voortplant.

Een bekend liedje vat de essentie van de broedbiologie van Cuculus canorus kort en krachtig samen:
De koekoek is een slimme gast.
Koekoek!
Van zorgen heeft hij nimmer last.
Koekoek!
Al zingt de grasmus niet opperbest,
Hij legt zijn ei in hare nest.
Koekoek! Koekoek! Koekoek!
De koekoek is een broedparasiet. Dat wil zeggen dat volwassen koekoeken niet zelf hun eieren bebroeden en hun jongen opkweken, zoals de meeste vogels dat wél doen. Nee: een koekoekwijfje legt haar eieren in het nest van andere vogels – waardvogels – en laat aan hen het broeden en grootbrengen over. Dat klinkt simpel, maar is het niet: de voortplanting van de koekoek is een complexe materie.

Het gaat ongeveer zo.

De mannetjeskoekoeken arriveren een week of wat eerder dan de vrouwtjes in het broedgebied en beginnen prompt met hun roep een territorium af te bakenen. Daarbij gaan ze vaak als dollen te keer en als territoriale haantjes mekaar ontmoeten, willen er wel eens veren in het rond vliegen. Als de wijfjes zijn aangeland en de paring is voltrokken, start het wijfje haar legronde. Zorgvuldig zoekt ze nesten van waardvogels op, inspecteert ze grondig en langdurig, en legt dan bliksemsnel haar ei. Eerst haalt ze één van de al in het nest aanwezige eieren weg: dat laat ze gewoon vallen of ze eet het op. Vandaar bijnamen als suck-egg, eierzuiper en Eierschluck - men dacht vroeger zelfs dat een koekoek niet kon zingen vooraleer hij het ei van een andere vogel had gegeten (men dacht ook dat het vrouwtje zingt):
The cuckoo's a bonny bird, he whistles as he flies
He brings us good tidings, he tells us no lies,
He sucks little birds' eggs to keep his throat clear,
And never sings cuckoo till summer draws near. 
Vaak leidt het mannetje de waardvogel af terwijl het ei wordt gelegd. Hoe een wijfje precies haar eieren deponeert in de voor een vogel van haar formaat soms volstrekt ontoegankelijke zangvogelnesten was lang een raadsel. Vandaag weten we dat het ze over een haast telescopische cloaca beschikt, die haar toelaat haar ei met chirurgische precisie zelfs in een tussen de balken en de pannen van een schuur geklemd zwaluwnest te mikken. Maar tot een flink eind in de 20ste eeuw dachten nogal wat ornithologen dat een wijfjeskoekoek haar ei op de grond legde en het vervolgens in de snavel nam om het in een waardvogelnest te deponeren – sommigen waren er zelfs van overtuigd dat het ei in de krop werd vervoerd en in het waardvogelnest uitgebraakt! Nog in de elfde editie van de Encyclopaedia Britannica (1910-1911) bevestigde de gezaghebbende ornitholoog van Cambridge University Alfred Newton dit - en hij voerde zelfs getuigen aan die de mythe bevestigden. Het was een amateur-ornitholoog, de industrieel Edgar Chance, die door nauwkeurige observatie van enkele koekoeken in het Wyre Forest, onomstotelijk bewees hoe het allemaal écht in zijn werk ging. Chance observeerde niet alleen, hij legde alles bovendien vast op film - de documentaire The Cuckoo’s Secret, gevolgd door een boek met dezelfde titel.

Hoeveel eieren een enkel wijfje legt, is niet helemaal duidelijk, maar het zouden er 9 tot 25 kunnen zijn, telkens één per waardvogelnest. De waardvogels zijn zeer divers: alleen al in Europa worden meer dan 100 soorten bezocht, waarbij in onze streken vooral heggenmus, kleine karekiet, rietzanger, zwartkop, graspieper, winterkoning en roodborst bijzonder in trek zijn. Ieder koekoekswijfje houdt zich echter aan één enkele waardvogelsoort en die preferentie wordt aan de vrouwtjes van de volgende generaties doorgegeven. Zo vormen zich gentes (enkelvoud gens), stammen van koekoeken waarvan de wijfjes allemaal dezelfde waardvogel bezoeken van wie ze de eieren meestal bijzonder goed kopiëren.

Koekoeksjong verwijdert eieren uit nest rietzanger.

Koekoeksjong met boompieper als pleegouder.
Koekoeksjong met rietzanger.
Koekoeksjong in boerenzwaluwennest.


Koekoeksjong. De schreeuwlelijk heeft het nest verlaten.


Zodra het koekoeksjong kipt, begint het de andere in het nest aanwezige eieren of al uitgekomen jongen eruit te gooien. Het groeit bijzonder snel en is al gauw groter dan de pleegouders, die hierin blijkbaar een extra stimulus zien om nóg meer te voederen. Na een drietal weken, waarin het zo’n 4000 à 5000 % in massa is toegenomen, vliegt het uit. Het blijft nog zo’n drie weken bij het nest rondhangen, bedelend om voedsel, vooraleer het zelfstandig is. De pleegouders blijven het de hele tijd doorvoederen, waarbij ze vaak bovenop de rug van de reuzenbaby moeten gaan zitten om het voedsel in de enorme opengesperde bek te kunnen stoppen.


Kuifkoekoek (Clamator glandarius), een wat grotere en meer spectaculaire koekoek uit het Middellandse-Zeegebied en Afrika.
In België een dwaalgast.

J.G. Keulemans, Kuifkoekoek.
Kuifkoekoek (Clamator glandarius), kuiken.
Net als de gewone koekoek is de kuifkoekoek een broedparasiet, waarvan het parasitisme echter ook gunstige gevolgen voor de waardvogels lijkt te hebben. Recent onderzoek door Daniela Canestrari van de universiteit van Oviedo (Spanje) heeft aangetoond dat in nesten van de zwarte kraai waarin een jonge kuifkoekoek opgroeit, de kraaienkuikens meer overlevingskansen hebben dan in een niet-geparasiteerd nest. De jonge koekoek scheidt uit zijn cloaca een walgelijk ruikende en irriterende secretie af, die katten, marters en roofvogels op een afstand houdt. Daar profiteren ook de jonge kraaien van. Bij kuifkoekoeken in kraaiennesten is er dus eerder sprake van commensalisme of mutualisme dan van zuiver parasitisme.

John James Audubon, Geelsnavelkoekoek (Coccyzus americanus). Uit The Birds of America, Folio Edition.
In tegenstelling tot de Europese koekoeksoorten is dit geen broedparasiet. Broedt in Noord- en Centraal-Amerika, overwintert in Zuid-Amerika.
Dwaalgast in Europa, o.a. in België.

Broedparasitisme lijkt wel het ei van Columbus: je legt je eieren in het nest van andere vogels, die brengen je jongen groot en klaar is Kees. Zo eenvoudig ligt het echter niet, in feite is de voortplanting van een broedparasiet als de koekoek zonder meer een huzarenstukje waarbij diverse factoren perfect op elkaar afgestemd moeten zijn, of het resultaat is desastreus. Door het heikele karakter van zijn levenswijze, is de koekoek waarschijnlijk nooit echt talrijk geweest, maar sinds de jaren 1960 is hij bovendien gestaag in aantal achteruit gegaan, en dat in heel Europa. Daar zijn verschillende oorzaken voor genoemd: de jarenlange dramatische droogte in de Sahel, waar de dieren op weg naar hun winterverblijf doorheen moeten en de inkrimping van geschikte biotopen in de Europese broedgebieden. Het gebruik van insecticiden in de landbouw eist ook zijn tol, en wel, als gevolg van het parasitaire bestaan van de vogel, op twee fronten: niet alleen heeft de volwassen koekoek, voor quasi 100% een insecteneter, er onder te lijden, ook zijn insectenetende waardvogels hebben er flink last van en worden zelf schaarser in aantal. Heel wat waardsoorten zijn schaarser geworden en dat lijkt (nog) niet te worden gecompenseerd door de toename van andere. Vooral soorten die in de nabijheid van de mens floreren doen het immers goed, terwijl de koekoek toch vooral een cultuurvlieder blijkt. De jongste jaren doet ook de klimaatverandering misschien een duit in het zakje. Eén en ander wijst erop dat de sinds het einde van de ijstijd mooi op elkaar afgestemde respectieve tijdstippen van de voorjaarstrek van de koekoek, de broedtijden van de diverse waardvogels en lente-explosie van insecten door de opwarming flink ontregeld geraken. De koekoek krijgt het daardoor moeilijker om op het juiste moment broedende heggenmussen, piepers, roodborsten of karekieten te verschalken, die op hun beurt problemen ondervinden om voldoende insecten te bemachtigen om er het koekoekskuiken mee vet te mesten.
Dit scenario lijkt heel aannemelijk maar harde cijfers over de achteruitgang zijn er in feite niet. Door zijn uiterst verborgen levenswijze, is het moeilijk om de populatie van de koekoek in kaart te brengen. Om vogels te tellen legt men een raster van vierkante vakken over een gebied en telt men binnen elk vak of hok het aantal broedende wijfjes of zingende mannetjes. Met de koekoek is dat knap lastig. De mannetjes verplaatsen zich terwijl ze roepen bliksemsnel over hun vaak zeer grote territorium, waardoor het vrijwel onmogelijk is exact te bepalen van hoeveel vogels de koekoeksroepen die men in een korte tijdspanne in een hok telt, afkomstig zijn. De vrouwtjes tellen is nog lastiger: die roepen niet en gedragen zich nog heimelijker dan de mannetjes. Tellingen in het verleden zouden het aantal koekoeken dan ook steevast flink hebben overschat: soms zou men er tot 60% naast zitten (A.W. Hellebrekers, “De Koekoek wordt zwaar overschat”, SOVON Nieuws 15, pp. 16-17 (2002)).
Andy Brown en Phil Grice stellen in elk geval in Birds in England (2005) dat tot de eerste helft van de 20ste eeuw de koekoekspopulatie vrijwel stabiel lijkt te zijn gebleven. Tellingen geven echter aan dat tussen 1937 en 1961 de soort met 60% afnam, tussen 1967 en 1999 met 40% en van 1994 tot 2000 met 31%, waarbij moet worden opgemerkt dat de drie cijfers afkomstig zijn van verschillende telmethoden en geen echt betrouwbaar is. De koekoek doet het niet goed, zoveel is zeker, maar hoe slecht dan wel is verre van duidelijk. De ramingen lopen daarom drastisch uiteen: de Atlas des oiseaux nicheurs de Wallonie heeft het over 4,2 tot 8,6 miljoen roepende mannetjes voor heel Europa. In Vogels. Hun levensloop in België, hun wedervaren met de mens schrijft Jan Desmet dat in 1972 de Belgische populatie nog op 14.000 paren werd geschat in gunstige jaren; recente ramingen houden het op 6000-8000 paren.

De merkwaardige voortplantingsbiologie van Cuculus canorus was reeds in de Oudheid bekend, al wisten naturalisten als Aristoteles en Plinius niet precies hoe de vork aan de steel zit. Plinius, bijvoorbeeld, geeft in boek X van zijn Naturalis historia een merkwaardige mix van correcte observaties en klinkklare onzin:
Hij legt zijn eieren altijd in de nesten van andere vogels, vooral van duiven. Meestal legt hij één enkel ei, wat geen enkele andere vogel doet, zelden twee. De reden dat de koekoek zijn jongen bij andere vogels onderbrengt is, zo denkt men, dat hij weet dat hij bij alle vogels gehaat is, want zelfs de kleinsten vallen hem aan. Daarom denkt hij dat zijn nakomelingen alleen veilig zijn als hij bedrog pleegt en daarom maakt hij geen nest. Het is overigens een schuw dier. Een moedervogel waarvan het nest is misbruikt brengt dus een ondergeschoven jong groot dat, van nature vraatzuchtig, voedsel voor de andere jongen weg snaait. Daardoor wordt het steeds dikker en vestigt, weldoorvoed als het is, de aandacht van zijn pleegmoeder op zichzelf. Zijn schoonheid schenkt haar vreugde en ze bewondert zichzelf omdat ze zo’n jong heeft voortgebracht. Vergeleken met hem verwaarloost ze haar eigen jongen, alsof het vreemden zijn, en duldt zelfs dat ze onder haar toeziend oog worden opgegeten, tot het koekoeksjong, als het al vliegvlug is, ook haar pakt.
Dat de koekoek zijn jongen in clandestiniteit laat opgroeien omdat hij beseft hoezeer hij en zijn kroost worden gehaat, is slechts één van de vele pogingen tot verklaring van het parasitaire gedrag van de vogel. In de loop der eeuwen zijn er nog heel wat andere gelanceerd, de ene al merkwaardiger dan de andere: zijn maag is te groot, waardoor hij niet op eieren kan zitten om te broeden; hij heeft zoveel voedsel nodig dat de vogel op het nest onmogelijk door zijn partner kan worden gevoederd; volwassen koekoeken eten vooral harige rupsen en de maag van de jonge vogels kan die niet verteren – daarom nemen pleegouders het voederen over; het wijfje legt wel twintig eieren en dan nog met tussenpozen van twee dagen, zodat het oudste ei bedorven zou zijn voor met broeden kan worden begonnen; de lichaamstemperatuur van een koekoek is te laag om een ei uit te broeden; omdat de mannetjeskoekoek de eieren opat die het vrouwtje legde, ging dat van arren moede haar legsel verstoppen in het nest van andere vogels; de koekoek had het zo druk met antwoorden op het koekoeksgeroep van kinderen, dat hij geen tijd had om een nest te bouwen. Etcetera, etcetera.



Plinius’ bewering dat de jonge koekoek uiteindelijk ook zijn pleegouders opvreet, was een hardnekkig leven beschoren. In zijn Parlement of Fowles noemt Chaucer de koekoek de “mortherere of the heysoge”, de moordenaar van de heggenmus. Shakespeare laat in King Lear de nar dezelfde opvatting verwoorden:
For you know, nuncle,
The hedge-sparrow fed the cuckoo so long
That it’s had it head bit off by it young.
Het is verrassend hoezeer zelfs teksten van natuurwetenschappers tot in de 20ste eeuw zijn doortrokken van morele verontwaardiging om het verwerpelijke gedrag van het koekoeksjong. “This proceeding of the cuckoo, of dropping its eggs as it were by chance, is such a monstrous outrage on maternal affection, one of the first great dictates of nature; and such a violence on instinct; that, had it only been related of a bird in the Brazils, or Peru, it would never had merited our belief”, schrijft Gilbert White op 19 februari 1770 aan Daines Barrington (The Natural History of Selborne).

“Le coucou est un des plus épouvantables emblèmes d'infamie que la nature ait forgés”, aldus Alphonse Toussenel. “C'est un miroir de perversité omnimode qui reflète avec une intensité étrange les sept nuances de la gamme du vice, dite des sept péchés capitaux, Gourmandise, Paresse, Avarice, Luxure, etc., avec la soif du meurtre et l’ingratitude féroce par-dessus le marché; le jeune coucou débute dans la vie par le crime; ses yeux ne sont pas encore ouverts à la lumière du jour, que sa conscience est déjà chargée de cinq ou six infanticides.”

Zelfs nog in 1943 veroordeelt Frances Pitt de koekoek: “There is no more scandalous bird than the cuckoo. By no standard of conduct, whether human or animal, can its habits of life be condoned.” Vooral de wijfjes konden in Pitts ogen absoluut geen genade vinden; ze noemde ze lui, flirterig, promiscu en verwerpelijk.

Aan het slot van Love's Labours Lost, schrijft Shakespeare:
When daisies pied and violets blue,
And lady-smocks all silver-white,
And cuckoo buds of yellow hue
Do paint the meadows with delight,
The cuckoo then on every tree
Mocks married men; for thus sings he,
Cuckoo;
Cuckoo, cuckoo: O word of fear,
Unpleasing to a married ear!
Op grond van zijn vreemde voortplantingsgedrag, werd de koekoek al heel vroeg met veelwijverij, ontrouw en buitenechtelijk kroost geassocieerd. Met het Duitse Gauch, het Franse cocu en het Engelse cuckold (dat van cocu is afgeleid) wordt een bedrogen echtgenoot aangeduid, een man die horens werd gezet. Dat is een beetje vreemd, want in de natuur is de koekoek niet wie bedrogen wordt, maar de bedrieger zelf. De Romeinen respecteerden de ornithologische logica wél: zij gebruikten de term cuculus voor de echtbreker en noemden de bedrogen partij curruca (grasmus). Een uit een buitenechtelijke relatie geboren kind werd in Duitsland Kuckucksgebrut genoemd, in de Nederlanden een koekoekskind.
 
Johann Naumann, Koekoeken.

De associatie ging overigens verder dan alleen maar onwettige relaties: de koekoek werd in verband gebracht met seksualiteit en voortplanting in de breedste zin. In Denemarken werd hij op bruiloften als vruchtbaarheidstalisman meegedragen. In het Duitse Schaumburg droeg de ceremoniemeester bij een huwelijk een koekoek op zijn staf. Elders in Duitsland droeg men bij een huwelijk in de kerk een koekoek op de vuist, zoals de adel dat deed met een valk. In het Harzgebergte werd een koekoek in de bruidskamer geplaatst en in Noord-Friesland voerde men bij een trouwpartij een koekoeksdans uit. In het noorden van Duitsland droeg men om een blauwtje te voorkomen een veer of een ei van een koekoek bij zich. Misschien kan de koekoek op de staf van Hera waarover Pausanias bericht, ook wel in dit licht worden geïnterpreteerd – Hera was ten slotte de godin van het huwelijk.

Op fallische connotaties wijst onder meer de Engelse volkse benaming van de gevlekte aronskelk, cuckoo-pint, wat letterlijk “koekoekspenis” betekent en refereert aan de vorm van de bloeikolf van de plant. In hetzelfde straatje is er ook nog, als afsluitertje, dit Duitse versje:
De kukuk und de sparling
Sêten am fir und warmden fik.
De kukuk verbrande sîn ding,
Nu wo lacht de sparling.

(De koekoek en de mus
warmden zich aan het vuur.
De koekoek verbrandde zijn ding,
Wat lachte de mus.)


Clement Caremans (c) 2014


John Gould, Koekoek.
















Selectieve bibliografie
Edward A. Armstrong: The Folkore of Birds. An Enquiry into the Origin and Distribution of some Magico-Religious Traditions. Second edition, revised and enlarged. New York, Dover Publications, 1970. Vlaamse Avifauna Commissie: Vogels in Vlaanderen. Voorkomen en verspreiding. Bornem, 1989. Hanns Bächtold-Stäubli & Eduard Hoffmann-Krayer. Handwörterbuch des Deutschen Aberglaubens. 3., unveränterte Auflage mit einem neuen Vorwort von Christoph Daxelmüller. 10 vols. Berlin & New York, De Gruyter. 2000 (1ste ed. 1927-1942.) David Bannerman: Birds of the British Isles. 12 vols. Vol. IV Apodidae, Caprimulgidae, Meropidae, Upupidae, Coraciidae, Alcedinidae, Picidae, Cuculidae, Strigidae. Edinburgh, Oliver & Boyd, 1953-1963. Hans-Günther Bauer, Einhard Bezzel & Wolfgang Fiedler (Herausg.): Das Kompendium der Vögel Mitteleuropas. Alles über Biologie, Gefährdung und Schutz. 3 Bde. Bd. 1 Nonpasseriformes–Nichtsperlingsvögel. Wiebelsheim, AULA-Verlag, 2005. Johan Boussauw: Vogels in volksgeloof, magie en mythologie. Baarn, Tirion Uitgevers, 2005. A.E. Brehm: Het leven van de dieren. 5 dln. Dl. III Vogels. Amsterdam, Enum, 1930. Andy Brown & Phil Grice: Birds in England. London, T & A D Poyser, 2005. W.J. Brown: The Gods Had Wings. London, Constable & Co., 1936. Alfredo Cattabiani: Volario. Simboli, miti e misteri degli esseri alati: uccelli, insetti e creature fantastiche. Milano, Arnoldo Mondadori Editore, 2001. Mark Cocker & Richard Mabey: Birds Britannica. London, Chatto & Windus, 2005. Mark Cocker & David Tipling: Birds and People. London, Jonathan Cape, 2013. S. Cramp, K. Simmons & C. Perrins: Handbook of the Birds of Europe, the Middle East and North Africa. The Birds of the Western Palearctic. 9 vols. Vol IV Terns to Woodpeckers. Oxford, Oxford University Press, 1977-1995. N.B. Davies: Cuckoos, Cowbirds and Other Cheats. London, T & A D Poyser, 2000. Marie-Madeleine Davy: L’oiseau et sa symbolique. Paris, Albin Michel, 1992. Jan Desmet: Vogels. Hun levensloop in België, hun wedervaren met de mens. Brugge, Uitgeverij Marc van de Wiele, 1987. Jan Desmet: Vogels in de kop. Over de menselijke kijk op vogels. Amsterdam & Antwerpen, Uitgeverij Atlas, 2009. Johannes Erritzøe, Clive F. Mann, Frederick P. Brammer & Richard A. Fuller: Cuckoos of the World. London, Christopher Helm, 2012. John Edward Field: The Myth of the Pent Cuckoo. A Study in Folklore. London, Elliott Stock, 1913. Ernst & Louise Gattiker: Die Vögel im Volksglauben. Eine volkskundliche Sammlung aus verschiedenen europäischen Ländern von de Antike bis heute. Wiesbaden, AULA-Verlag, 1989. Paul Géroudet: Les Passeraux. 3 vols. Deuxième édition revisée. Neuchâtel, Delachaux et Niestlé, 1973. Robert Graves: Greek Myths. London, Cassell, 1961. Francesca Greenoak: All the Birds of the Air. The Names, Lore and Literature of British Birds. Harmondsworth, Penguin Books, 1981. G.C.M. van Havre: Les Oiseaux de la Faune belge. Relevé documenté des espèces sauvages observées en Belgique. Bruxelles, M. Lamertin, 1928. Bernd Heinrich: The Nesting Season. Cuckoos, Cuckolds, and the Invention of Monogamy. Cambridge, Massachusetts & London, England, The Belknap Press of Harvard Univeristy Press, 2010. Fred Hustings & Jan-Willem Vergeer (red.): Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Verspreiding, aantallen, verandering. Leiden, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis & Utrecht, KNNV Uitgeverij, 2002. Jean-Paul Jacob e.a.: Atlas des oiseaux nicheurs de Wallonie 2001-2007. Gembloux, Aves & Région Wallonne, 2010. Michael McCarthy: Say Goodbye to the Cuckoo. London, John Murray, 2009. Jeremy Mynott: Birdscapes. Birds in Our Imagination and Experience. Princeton & Oxford, Princeton University Press, 2009. Ian Newton: The Migration Ecology of Birds. London, Elsevier, 2008. Pausanias: Guide to Greece. Translated with an introduction by Peter Levi. 2 vols. Harmondsworth, Penguin Books, 1988. Frances Pitt: Birds in Britain. London, MacMillan and Co., 1948.  Plinius: De wereld. Naturalis historia. Vertaald door Joost van Gelder, Mark Nieuwenhuis en Ton Peters. Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2004. John Pollard: Birds in Greek Life and Myth. London, Thames and Hudson, 1977. Theo Schildkamp: Tussen hemel en aarde. Een ander vogelboek over nachtegalen en wielewalen, over zwaluwstenen en adelaarsgal, over mensen, vogels en andere hoogvliegers. Utrecht & Antwerpen, Het Spectrum, 1978. F. Segers: Broedvogels in de Kempen. Antwerpen, De Nederlandsche Boekhandel, 1948. Peter Tate: Flights of Fancy. Birds in Myth, Legend and Superstition. London, Arrow Books, 2009. Jac. P. Thijsse: Het vogeljaar. Nederlandsche vogels in hun leven geschetst. Edward Topsell: The Fowles of Heauen or History of Birdes. Edited by Thomas P. Harrison & F. David Hoeniger. Austin, The University of Texas, 1972. Colin Tudge: Consider the Birds. Who they are and what they do. London, Penguin Books, 2008. R. Verheyen. De Spechten en de Koekoeken van België. Brussel, Koninklijk Natuurhistorisch Museum van België, 1941. Glenn Vermeersch e.a.: Atlas van de Vlaamse Broedvogels 2000-2002. Brussel, Instituut voor Natuurbehoud, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap & Natuurpunt, 2004. Jennifer Westwood & Jacqueline Simpson: The Lore of the Land.  A Guide to England’s Legends, from Spring-Heeled Jack to the Witches of Warboys. London, Penguin Books, 2005. Gilbert White: The Natural History of Selborne. With Notes by Richard Kearton. London, New York, Toronto & Melbourne, Cassell and Company, 1911. H.F. Witherby, F.C.R. Jourdain, Norman Ticehurst & Bernard Tucker: The Handbook of British Birds. 5 vols. Vol. II Warblers to Owls. London, Witherby, 1938-1940. 



Volg de activiteiten van Het GenOOtschap - stuwgroep voor cultuur op facebook:
http://www.facebook.com/HetGenootschap

Geen opmerkingen:

Een reactie posten