woensdag 10 juli 2013

Vlaamse leeuwen



Vlaamse leeuwen 


11 juli is voor de ambtenaren van de Vlaamse overheid en van de lokale en regionale besturen – in gewonemensentaal: van de gemeenten en de provincies – een vrije dag. Meer zelfs: het is een betaalde feestdag. Ook de bankensector doet mee. We vieren immers de Dag van de Vlaamse Gemeenschap. Een beetje vreemd feest, dat wel, want de privé-sector blijft grotendeels gewoon aan het werk, hetgeen vragen doet rijzen naar de beleving van het nationale gevoel dat bij deze dag hoort. Of is het juist kenmerkend voor het diepste wezen van de hardwerkende Vlaming dat hij zelfs zijn eigenste hoogdag travakkend in het zweet zijns aanschijns doorbrengt?

De gespierde retoriek van de toespraken die de tenoren van de diverse partijen en sociaal-culturele groeperingen elk jaar op deze dag weer afsteken, liegt er niet om. Vlaanderen, zo heet het, is dynamisch en sterk, actief en productief én het heeft, in het verlengde van een opmerkelijke geschiedenis, ook nog eens een stralende toekomst. Alleen zou die toekomst nog stralender gloren als… en hier willen de respectieve standpunten van de verschillende redenaars wel eens divergeren. Als... België confederaal wordt, met een gesplitste sociale zekerheid en een verschillende arbeidswetgeving voor de verschillende landsdelen? Als de miljoenentransfers van het nijvere Vlaanderen naar de bodemloze put van het spilzieke Wallonië en het arrogante Brussel stoppen? Als het kneuterige, bekrompen en zelfingenomen Vlaanderen eindelijk vanonder zijn  kerktoren uitkomt en waarlijk tolerant, divers en open wordt? Als de nakende totale islamisering van het Avondland kordaat een halt wordt toegeroepen?

En terwijl buiten de vlag wappert – een gestileerde zwarte leeuw tegen een gele achtergrond –wordt ter afronding Vlaanderens nationale hymne uit volle borst gezongen:

Ze zullen hem niet temmen, de fiere Vlaamse leeuw.
Al dreigen zij zijn vrijheid met kluisters en geschreeuw.
Ze zullen hem niet temmen zolang een Vlaming leeft,
Zolang de leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft.
Ze zullen hem niet temmen zolang een Vlaming leeft,
Zolang de leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft (bis).

Ik zal me maar meteen outen. Ik hou niet zo van De Vlaamse Leeuw. Met enig anti-flamingantisme heeft dat niks te maken. Ik had weliswaar een vader voor wie flaminganten zwarten waren en die zelfs de Chiro, met hun bruine hemden, zwarte ribfluwelen broeken en leeuwenvlagjes schamper Hitlerjeugd noemde, maar ik geloof niet dat dit mijn appreciatie van de Vlaamse hymne diepgaand heeft beïnvloed. Nee, het is louter een kwestie van esthetica: ik vind de lyrics van Hippoliet van Peene onverteerbaar en de muziek die Karel Miry erbij schreef navenant. Dat het lied bovendien een staplied, allegro marciale is, maakt het er wat mij betreft niet beter op; ik heb een lichte allergie voor marsen en stapliederen in het algemeen – behalve dan voor treurmarsen, tempo di marcia funebre, altijd doordesemd van waardigheid en verhevenheid. Waardigheid en verhevenheid – solemnitas: dat is wat ook een hymne hoort uit te dragen. Wel, De Vlaamse Leeuw doet dienst als hymne, maar veel solemnitas zit er naar mijn aanvoelen niet in. Het lied ademt wat teveel een sfeer van sla ze op hun bakkes. Allez, vind ik toch. Al valt de eerste strofe, waartoe men zich bij officiële gelegenheden gewoonlijk beperkt, nog best mee in vergelijking met wat er volgt:

De tijd verslindt de steden, geen tronen blijven staan:
De legerbenden sneven, een volk zal nooit vergaan.
De vijand trekt te velde, omringd van doodsgevaar.
Wij lachen met zijn woede, de Vlaamse Leeuw is daar
Zij zullen hem niet temmen, zolang een Vlaming leeft,
Zolang de Leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft (bis).

Hij strijdt nu duizend jaren voor vrijheid, land en God;
En nog zijn zijne krachten in al haar jeugdgenot.
Als zij hem machteloos denken en tergen met een schop,
Dan richt hij zich bedreigend en vrees'lijk voor hen op.
Zij zullen hem niet temmen, zolang een Vlaming leeft,
Zolang de Leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft (bis).

Wee hen, de onbezonnen', die vals en vol verraad,
De Vlaamse Leeuw komt strelen en trouweloos hem slaat.
Geen enkele handbeweging die hij uit 't oog verliest:
En voelt hij zich getroffen, hij stelt zijn maan en briest.
Zij zullen hem niet temmen, zolang een Vlaming leeft,
Zolang de Leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft (bis).

Het wraaksein is gegeven, hij is hun tergen moe;
Met vuur in 't oog, met woede springt hij den vijand toe.
Hij scheurt, vernielt, verplettert, bedekt met bloed en slijk
En zegepralend grijnst hij op 's vijands trillend lijk.
Zij zullen hem niet temmen, zolang een Vlaming leeft,
Zolang de Leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft (bis).

Not my cup of tea. En voor wie mij op grond van deze milde aversie van een ontoelaatbare volksvreemde inborst zou verdenken, voeg ik er meteen graag aan toe dat ik met de Brabançonne of de Marseillaise evenmin hoog oploop (Qu’un sang impur abreuve nos sillons! evenaart moeiteloos ‘s vijands trillend lijk). De tekst die Henriëtte Roland Holst-Van der Schalk voor de Nederlandstalige versie van de Internationale bedacht, is ook al geen hoogvlieger. Het Wilhelmus heeft te veel strofen, en de originele tekst die August Heinrich Hoffmann von Fallersleben neerpende voor de Duitse hymne is zo pangermaans-imperialistisch dat een mens er ietwat onwel bij wordt. Maar de muziek is van Haydn, en gelukkig heeft hij ze ook vereeuwigd in zijn strijkkwartet opus 76 nr. 3...

Nationale hymnes in het algemeen zijn blijkbaar mijn ding niet, en ook De Vlaamse Leeuw ligt me niet, jammer maar helaas.
Leeuwen zeggen me daarentegen wel iets. Leeuwen, echte zowel als imaginaire, hebben mij altijd gefascineerd. Als kind al had ik iets met leeuwen, ik tekende graag en veel en heel vaak leeuwen (paarden ook, maar toch vooral leeuwen.) Ik zal een jaar of tien, elf zijn geweest toen en ik een boek cadeau kreeg, Groot wild in Afrika, dat vooral over leeuwen ging. Het lag in de vitrine van de krantenwinkel op de hoek, waar ik iedere morgen de tram nam naar school. Ik weet dat ik mijn ma de oren van de kop heb gezaagd over het boek. Met succes, want ik kreeg het dus cadeau, voor mijn goede bulletin. Ik las het minstens tien keer. In de krantenwinkel kon je destijds ook grote bladen kopen (in mijn herinnering minstens A3-formaat, maar

Frans Grosfeld, Han Rensenbrink: Groot wild in Afrika.
Amsterdam, z.j.

Het Hoe en Waarom Boek van de Wilde Dieren. Amsterdam,
 1963.
waarschijnlijk gewoon A4) met gekleurde prenten over diverse onderwerpen. De Zeevissen. De Antilopen. De Paarden. En natuurlijk ook De Katachtigen. Met daarop de Atlasleeuw, de Kaapse leeuw (met zwarte manen) en de Senegalleeuw (die nauwelijks manen heeft). Als waarschijnlijk wel elk kind vond ik een bezoek aan de dokter vreselijk. Maar aan de muur in de gang tegenover de wachtkamer van dr. Dierckx hing een grote reproductie, een ets denk ik, van De verdediging van de kudde van Charles Verlat, met daarop een gevecht tussen een leeuw en drie buffels. Ik beweer niet dat door die prent het statige huis aan de Antwerpsesteenweg in Hoboken meteen aantrekkelijk voor me werd, maar ze maakte toch veel goed. In de Zoologie aan het Astridplein was de leeuwenkooi een favoriete plek – ik besefte nog niet hoe dieronvriendelijk de gigantische smeedijzeren constructie met namaakrotspartij wel was. Van de reeks schoolschriftjes die de Zoo uitbracht, met telkens een foto van een dier op de kaft, was uiteraard het schriftje met een leeuw, rustend tussen zijn ersatzrotsen, mijn favoriet. En ook mijn Hoe en Waarom Boek van de Wilde Dieren koesterde ik, niet alleen om de leeuw op de kaft, maar toch.

Wat later verslond ik De Witte van Ernest Claes, met de memorabele scène waarin Lewie en zijn kameraadjes Consciences De Leeuw van Vlaanderen naspelen. En ik las Consciences opus over Robrecht van Bethune en zijn kuise dochter Machteld, bij wie ’t zedig schaamrood voortdurend naar de wangen stijgt. Ik las het in vooroorlogse spelling nog wel, wat mijn moeder, die daar absoluut geen graten in zag, een preek opleverde van een neef, een onderwijzer, die voorspelde dat ik door zo'n oude dingen te lezen nooit de Nederlandse orthografie onder de knie zou krijgen (hij heeft op termijn gelijk gekregen, blijkbaar: we zijn alweer een paar spellingen verder en ik moet inmiddels inderdaad checken hoe je twaalfde-eeuws of zuidzuidwest of honderddrieënveertig hoort te schrijven.) Ook Walter Scotts De talisman en Ivanhoe, waarin Richard Leeuwenhart een prominente rol speelt, gingen erin als koek.

Leeuwenlogo's.
Wat vond ik zo onweerstaanbaar aan leeuwen?
Of, om meteen even van het particuliere naar het algemene te springen: wat IS zo fascinerend aan leeuwen? Waarom zijn ze in ons dagelijks leven alomtegenwoordig – gebeeldhouwd op de muren en zuilen van oude kerken, als stenen wachters naast poorten van parken en tuinen, op of naast de pui van kastelen, gemeentehuizen en rechtbanken, waterspuwend in fonteinen, op de toog van de meeneem-Chinees om de hoek? Waarom figureren ze in zovele honderden wapenschilden, op vlaggen en munten, als firmamerkteken van, bijvoorbeeld, Peugeot, Delhaize, ING Bank en Remy & Cie? Waarom wordt de leeuw de koning der dieren genoemd?
En wat brengt mensen ertoe om uitgerekend in een kil, nat en plat kikkerland als Vlaanderen de exotische leeuw als nationaal embleem te kiezen en hun helden leeuwen te noemen?

Leeuwenfamilie in de sneeuw.
De poema (Puma concolor) wordt soms ook Amerikaanse leeuw of
mountain lion genoemd, maar is geen leeuw. De meest nabije levende verwant
van deze roofkat is de cheetah (Acinonyx jubatus).
Panthera leo spelaea, reconstructie.
Leeuwenschedels. Van boven naar onder: Panthera leo atrox, Panthera leo spelaea,
moderne leeuw.

Exotisme is natuurlijk relatief. Vandaag zijn leeuwen voor een Europeaan exotisch, maar ooit was dat anders. Mens en leeuw hebben een lange gezamenlijke geschiedenis. Beide ontstonden in Oost-Afrika, zo'n kleine 3 miljoen jaar geleden. Beide breidden hun areaal quasi gelijktijdig uit naar Eurazië in het vroege Pleistoceen, of populair gezegd: bij het begin van de ijstijden. Tot zo'n 12.000 jaar geleden (geologisch gesproken is dat zoiets als: tot gisteren) leefden er, behalve in Afrika, leeuwen in heel Eurazië en in Noord-Amerika, waar ze in de zogenaamde mammoetsteppe ten zuiden van de ijskap bizons, paarden, antilopen, neushoorns, olifanten en reuzenherten het leven zuur maakten. Toen het ijs zich terugtrok, maakte de mammoetsteppe – grasland met hier en daar een boom – plaats voor bos, en mét de steppe verdween de megafauna en ook Panthera leo. In al wat oudere literatuur ga je mogelijk lezen dat de ijstijdleeuwen van de noordelijke continenten geen echte leeuwen waren. De reusachtige grottenleeuw (Panthera spelaea) uit Eurazië zou veeleer een tijger zijn geweest, de Noord-Amerikaanse Panthera atrox een jaguar. Moleculair onderzoek heeft dit inmiddels bijgestuurd: zowel de spelaea als de atrox behoren wel degelijk tot de soort Panthera leo en moeten het stellen met het statuut van ondersoort. Ooit zwierven er dus heuse leeuwen rond in wat we nu Vlaanderen noemen.

Verspreiding van Panthera leo en zijn ondersoorten. Uit Barnett e.a., "Phylogeography of lions (Panthera leo ssp. reveals three distinct taxa and a late Pleistocene reduction in genetic diversity," Molecular Ecology (2009).
Anno 2013 komt de leeuw nog slechts voor in enkele delen van Afrika ten zuiden van de Sahara en in een heel klein stukje van het Voor-Indische subcontinent. In geringe aantallen bovendien: op de Rode Lijst van de IUCN (International Union for Conservation of Nature and Natural Resources) staat Panthera leo als soort genoteerd als kwetsbaar. De moderne leeuwen van Azië en Afrika zijn alle nauwer aan mekaar verwant dan aan de pleistocene leeuwen van Eurazië en Noord-Amerika. Genetici denken dat de leeuw in heel zijn pleistocene noordelijke verspreidingsgebied van de kaart werd geveegd en dat daarna het hele historische areaal weer werd gekoloniseerd vanuit een Afrikaanse kernpopulatie. Maar ook die nieuwe lichting werd inmiddels drastisch gereduceerd. In Azië houdt de de  ondersoort Panthera leo persicus, met nog hooguit 350 stuks, alleen nog stand in het Gir Forest op het schiereiland Kathiawar in de Indiase deelstaat Gujarat; op de Rode Lijst staat ze genoteerd als ernstig bedreigd. Dit is een vrij recente ontwikkeling. In de jaren 1940 werden de laatste leeuwen geschoten in Perzië, tot het begin van de 20ste eeuw leefden er nog in Mesopotamië, eind 19de eeuw legden ze het loodje in Turkije. Zeker ten tijde van de kruistochten waren er nog in Syrië en Palestina. Tot de 10de eeuw waren ze present in de zuidelijke Kaukasus. Mogelijk verdwenen ze pas rond het begin van onze tijdrekening uit de Balkan en Pannonië – in Herodotos' Historiën lezen we dat er in ieder geval nog in Noord-Griekenland rondzwierven toen Xerxes tegen de Griekse steden oprukte. Maar of dit klopt, wordt soms betwijfeld: Herodotos schoot wel meer met spek. De Tasmaanse classicus Thomas J. Dunbabin heeft ooit opgemerkt dat bijvoorbeeld Homeros weliswaar over leeuwen schrijft maar ze alleen lijkt te kennen van horen zeggen: ze brullen nooit…

Panthera leo persicus.

Panthera leo roosevelti.
Panthera leo bleyenberghi.
Panthera leo leo. Algerije, 1893.
Panthera leo melanochaitus.
In heel Afrika zijn er vandaag nog zo’n 35.000 wilde leeuwen over, voornamelijk in te krappe en door stroperij geteisterde reservaten. Ze kunnen worden opgedeeld in enkele geografisch omschreven genetische groepen, die mogelijk de status van ondersoort verdienen. In de literatuur wordt een resem subspecies vermeld. Panthera leo leo, P. l. senegalensis, P. l. nubicus, P. l. massaicus, P. l. krugeri, P. l. melanochaitaP. l. bleyenberghi, P. l. vernayi, P. l. azandicus, P. l. nyanzae, P. l. hollisteri, P. l. somaliensis, P. l. roosevelti, enzovoort. Veel van deze zogezegde ondersoorten zijn er geen, van andere heeft recent moleculair onderzoek de validiteit bevestigd. De befaamde Kaapse leeuw (P. l. melanochaitus) met zwarte manen uit Zuid-Afrika, die rond 1850 door de Boeren en de Britten werd uitgeroeid, week genetisch nauwelijks af van de nog bestaande P. l. krugeri en heeft dus in feite niet de status van ondersoort. De berberleeuw van de Maghreb (P. l. leo) week daarentegen flink af van de andere Afrikaanse leeuwen en blijkt genetisch dichter te staan bij de Aziatische groep. Hier betreft het wel degelijk een aparte ondersoort, die helaas van de kaart werd geveegd. Uit Libië verdween de berberleeuw al in de 18de eeuw, maar hij had zeker tot de 20ste eeuw het Atlasgebergte in Marokko als laatste bolwerk; na 1942 werden er echter ook daar geen meer waargenomen. Recent onderzoek toont echter aan dat de leeuwen in de koninklijke dierentuin van Rabat quasi zuivere vertegenwoordigers van P. l. leo zijn, zodat ook deze vorm misschien wel als niet geheel verloren mag worden beschouwd.

Leeuwen op jacht. Paleolithische wandschildering in de Grotte Chauvet Pont d'Arc, Ardèche. Ca. 30.000 BCE.
Leeuwmens. Ivoor, ca. 40.000 BCE. Ulmer Museum, Ulm.
De steentijdmens schilderde leeuwen op grotwanden, kraste ze in steen, sneed ze uit in been of ivoor (de mooiste voorbeelden zijn te zien in de grot van Chauvet in de Ardèche.) Ongetwijfeld sprak de leeuw tot de paleolithische verbeelding: net als de wolf en de beer was hij een te duchten concurrent, die het immers op dezelfde prooidieren gemunt had als de ijstijdjagers met hun stenen en benen jachtgerei. Vanzelfsprekend hebben ook de geweldige lichaamskracht en gestalte indruk gemaakt (hedendaagse leeuwen zijn al enorm, de ijstijdvariant was tot 30 % groter), om nog te zwijgen over het opmerkelijke geluid dat leeuwen produceren. Panthera-katten miauwen en spinnen niet, maar brullen – het gevolg van een anatomisch bijzonderheidje, een onvolledig verbeend strottenhoofd. Over dit brullen schreef de 19de-eeuwse naturalist Alfred Brehm in zijn Illustriertes Thierleben:
Onbeschrijfelijk is de uitwerking van de stem des konings op zijn onderdanen. De huilende hyena verstomt, al is het maar voor enkele ogenblikken; de luipaard staakt zijn gebrom; de apen beginnen luid te grommen en klimmen vol angst in de hoogste boomtakken; de antilopen snellen in razende vlucht door de struiken; de blatende kudde zwijgt; de beladen kameel siddert, luistert niet meer naar het bevel van de drijver, werpt last of ruiter af en zoekt zijn heil in een snelle vlucht; het paard steigert, snuift, briest en stort achterover en de niet aan de jacht gewende hond zoekt jankend bescherming bij zijn meester.



Maar wat Panthera leo wellicht meer dan wat ook een definitieve plaats heeft bezorgd in de menselijke imaginatie, is wel dat hij er zijn klauw niet voor omdraait nu en dan eens een mens op het menu te zetten. Leeuwen zijn wat biologen alfa-predatoren noemen, een categorie waartoe ook de tijger, de bruine beer, de wolf, de nijlkrokodil en de witte haai behoren. Alfa-predatoren, zegt David Quammen in Monster of God, herinneren de mens eraan dat hij niet de onbetwiste meester van de aarde is, maar op één of andere manier toch een dier als de andere blijft. Al zijn bijvoorbeeld de malariamug en de tsetsevlieg veel gevaarlijker (ze maken oneindig meer slachtoffers dan alle alfa-predatoren samen), ze zijn dat op een minder verbeeldingprikkelende manier. Ze maken ons doodziek, jawel, maar shit happens nu eenmaal. Alfa-predatoren daarentegen eten je op: voor hen zijn we gewoon vlees met een ander smaakje.

Ad bestias. John Clark Ridpath, Cyclopedia of Universal History, 1885.
Hier temt men leeuwen. De troetelleeuw van actrice Tippi Hedren en haar dochter Melanie Griffith.

Het beeld van de leeuw als gevaarlijk, woest en verscheurend dier, als nec plus ultra van wildheid, blijft tot vandaag doorwerken. We begeven ons nog altijd in het hol van de leeuw. Hier temt men leeuwen prijkte boven de toegangspoort van menige kazerne. De overlevering wil, dat op oude landkaarten bij nog niet geëxploreerde, dus wilde, gebieden vaak als toelichting Hic sunt leones (hier zijn er leeuwen) stond genoteerd, met als variant Hic sunt dracones (hier zijn er draken). Een mooi verhaal, waarvoor er echter geen bewijzen zijn: men kent één kaart met een verwijzing naar draken en geen enkele die leeuwen vermeldt. De tot vandaag gebruikte uitdrukking iemand voor de leeuwen werpen verwijst naar het oude gebruik, van onder meer de Romeinen, om het alfa-predatorschap van Panthera leo aan te wenden tot het nut van 't algemeen en misdadigers en incivieken, zoals bijvoorbeeld de vroege christenen, ad bestias te veroordelen: ze werden voor de leeuwen geworpen die er dan hun ding mee konden doen.


De godin Kybele in een wagen voortgetrokken door leeuwen. Romeins brons, 2de helft
2de eeuw CE. Metropolitan Museum of Art, New York.
Leeuwenpoort, Mykene. Ca. 1250 BCE.
Als wild beest bij uitstek treffen we de leeuw aan in enkele merkwaardig consistente iconografische constellaties bij diverse beschavingen uit de Oudheid, van de Nijl en de Balkan tot de Indusvallei. Zeer verspreid (Egypte, Kreta, Sumer, Harappa) is de potnia theroon, de meesteres der dieren, een vrouwenfiguur omringd door wilde dieren en vaak geflankeerd door leeuwen. De associatie van de leeuw met godinnen en goden van de vegetatie, de aarde of het driftleven blijft doorheen de Oudheid een constante: de liefdesgodin Afrodite, de extatische Dionysos, de Magna Mater Kybele, die op een door leeuwen geflankeerde troon zit of van wie het rijtuig door twee leeuwen wordt voortgetrokken.

Potnia theroon, gevleugelde Artemis met twee leeuwen. Terracotta.
Helleens, 6de eeuw BCE. Musée du Louvre, Parijs.
Hans Memling, Allegorie van de Kuisheid. Olie op eikenhout, 1475.
Musée Jacquemart André, Parijs. Een late variant op het thema
van de Potnia theroon.

Gilgamesh bedwingt twee leeuwen.Terracotta cylinderzegel.
Daniël in de leeuwenkuil. Muurschildering in de catacombe
van de via Anapo te Rome, 3de-4de eeuw CE.

Daniël in de leeuwenkuil. Graffiti in de catacombe van Priscilla aan de
via Salaria, Rome, 3de eeuw CE.
Daniël in de leeuwenkuil. Muurschildering in de catacombe
van Priscilla, Rome, 3de eeuw CE.

"Gilgamesh" die een leeuw bedwingt.
Reliëf uit de troonzaal van het paleis van Sargon II
in Khorsabad, ca. 713-706 BCE.
Musée du Louvre, Parijs.


Een ander frequent tafereel is dat van de zogenaamde dompteur, een rechtopstaande man geflankeerd door twee symmetrisch opgestelde, mekaar spiegelende leeuwen, die hij met blote hand mores leert. Een andere versie toont een man die een leeuwenwelp tegen zich aanknelt. De dompteur wordt vaak geïdentificeerd met de Sumerisch-Akkadische culture hero Gilgamesh, al is het niet zeker of het inderdaad echt altijd om dat personage gaat. Mogelijk wordt hier de oppositie civilisatie-wildernis uitgebeeld, waarbij de beschaving triomfeert over wildheid, stad over niet-stad. Civilisatie ordent en geeft oriëntatie, vandaar de compositie met twee symmetrische elementen rond een centrale figuur. Die centrale figuur hoeft overigens niet altijd menselijk te zijn: in het geval van de Mykeense leeuwenpoort is het een zuil. De menselijke figuur die wordt geflankeerd door twee leeuwen, blijft een iconografische constante tot en met de vroege christelijke kunst, waar ze opduikt in voorstellingen van Daniël in de leeuwenkuil.

Stappende leeuw. Ishtarpoort Babylon. Verglaasde baksteen, 7de eeuw BCE. Staatliche Museen zu Berlin (Museum Pergamon), Berlijn.
Ishtar, of mogelijk Lilith, gesteund door twee liggende leeuwen
en geflankeerd door twee uilen. Basreliëf, ca. 1700 BCE.
British Museum, Londen.
Sekhmet. Egyptisch, Thebe, XVIIIde dynastie, bewind van
Amenhotep III (1388-1351 BCE). Museo Egizio, Turijn.
Durga op haar leeuw, 10de eeuw. Metropolitan Museum of Art, New York.

Vishnu als Narasimha.
Door zijn woestheid is de leeuw de natuurlijke compagnon van oorlogsgoden, zoals de Babylonische krijgsgodin Ishtar en de Indische vernietigers Vishnu en Durga, die alle drie een leeuw als rijdier hebben. Vishnu neemt zelfs om zich bloedig te wreken op een tegenstander de gedaante aan van de leeuwmens Narasimha, terwijl in Egypte de godin Sekhmet, die verantwoordelijk is voor dood, verderf en oorlog, een leeuwinnenkop heeft. In de bijbelse boeken, die de leeuw overigens meestal in positieve zin vermelden, is hij toch ook nu en dan het gematerialiseerde gevaar, dat wordt geassocieerd met de Satan.



Ernest Hemingway met gevelde leeuw, 1933.
Stervende leeuwin, basreliëf, Ninive (Assyrië), 7de eeuw BCE.
British Museum, Londen.
Leeuwenjacht, Ninive (Assyrië), 7de eeuw BCE. British Museum, Londen.
Leeuwenjacht, Chigi-vaas. Protocorinthisch aardewerk, 7de eeuw BCE.
Museo Nazionale Etrusco di Villa Giulia, Rome.

Wie het wildste, sterkste en meest onversaagde dier, overwint, kan alles aan – straffer bestaat niet. Ceauşescu legde volgens welingelichte bronnen in de Karpaten zo'n 400 beren neer. Teddy Rooseveldt ging in Afrika leeuwen schieten en pronkte graag met zijn vele jachttrofeeën. Ernest Hemingway joeg behalve op vrouwen vooral graag op grote roofdieren. Jef Geeraerts ging kodiakberen afknallen in Alaska. Macho's aller tijden, criminele tot artistieke, hebben altijd willen tonen dat ze grote beesten aankunnen. Gilgamesh bedwong leeuwen met de handen. Herakles maakte de woeste Nemeïsche leeuw van kant en hulde zich daarna in diens huid, waardoor hij als het ware één werd met het beest. In de bijbel namen zowel David als Samson het op tegen een leeuw, met succes uiteraard. Toetankhamon wordt afgebeeld terwijl hij een achtste leeuw neerlegt – zeven liggen al op apegapen. Een inscriptie op een scarabee leert dat Amenofis III niet minder dan 102 leeuwen op zijn kerfstok had. Mesopotamische vorsten en krijgsheren als Tiglat-Pileser (die zich erop beroemde 920 leeuwen te hebben geveld), Assurnasirpal en Assurbanipal lieten zich in bas-reliëfs graag vereeuwigen als triomferende leeuwenjagers, vaak in poses die refereren aan superheld Gilgamesh. Het koninklijke zegel van de Perzische koning Darius toont de vorst terwijl hij het tegen twee leeuwen tegelijk opneemt.
De Schoolmeester (Gerrit van de Linde), De Leeuw.

Ethiopische vlag met Leeuw van Juda.

Leeuwen zijn niet alleen woest en driest, ze zijn vooral ook moedig, sterk en edel. Moedig als een leeuw, zeggen we vandaag nog. Of ook: iemand heeft een leeuwenhart – bij Richard Plantagenet was dit blijkbaar zo prominent, dat hij als Coeur de Lion de geschiedenis is ingegaan. Leeuwen werden verondersteld nergens bang voor te zijn, behalve dan voor, godbetert, hanen. Lucretius verklaart in De Natura Rerum waarom:
De haan, die met zijn vleugelslag den nacht verdrijft
En met zijn kraaiend stemgeluid den morgen roept,
Kan niet door woeste leeuwen worden aangezien,
Of zij begeven zich onmiddlijk op de vlucht,
Omdat klaarblijklijk in zijn lichaam kiemen zijn
Die, als zij binnendringen in een leeuwenoog,
Daar gaatjes maken en zo'n pijn doen, dat zelfs een leeuw,
Hoe dapper ook, daartegen niet standhouden kan.

Als alleredelste dier was de leeuw voor de antieke – vooral oosterse – wereld de evenknie van de koningen der mensen. Hij was de koning der dieren, waarschijnlijk om de manen van het mannetje die een kroon en een mantel suggereren en om het imposante gebrul. Van Egypte tot aan de Indus was de leeuwenjacht een koninklijk privilege. Egyptische farao's identificeerden zich met de leeuw: regalia, gebruiksvoorwerpen en meubilair zijn getooid met leeuwenkoppen en -poten of complete leeuwen. Middeleeuwse etymologen putten zich uit om een noodzakelijk verband te vinden tussen de naam van de leeuw en zijn koningsschap. Voor Isidorus van Sevilla was de link simpel: leo, zegt hij in zijn Etymologiae, betekent zowel in het Grieks als in het Latijn “koning”, omdat de leeuw de eerste is onder de wilde dieren. Voilà. Hoe ook, van China tot de Middellandse Zee pronkten koningen graag met leeuwen in hun paleisdierentuinen.


Peter Paul Rubens, Daniël in de leeuwenkuil. Olieverf op doek, 1615.  National Gallery of Art, Washington.
De muil van de leeuw, die de zondaars verslindt. Romaans beeldhouwwerk,
kathedraal Sainte-Marie-Oloron, 12de eeuw. Pyreneeën, Frankrijk.

Een goede koning weet zijn driften te beteugelen en is rechtvaardig en grootmoedig. Zo ook de leeuw. Als Daniël in de leeuwenkuil wordt geworpen opdat de leeuwen hem zouden verscheuren, herkennen ze in hem de rechtschapen man van God en, hun natuurlijke drift temperend, sparen ze hem; zijn belagers worden echter zonder pardon aan flarden gereten. Dit beeld van de leeuw als scherprechter én beul van kwaadwilligen en boosdoeners zal lang nawerken: de Romaanse kunst wemelt van de leeuwen die zondaars verorberen. Deze leeuwen zijn overigens dubbelzinnig, want net als hun bijbelse voorbeelden ook beladen met negatieve connotaties. Die zijn afkomstig uit de bijbel zelf en van vroege kerkvaders als Augustinus, voor wie de leeuw het beest van Satan is. De hellemond wordt de os leonis en in de Latijnse dodenmis weerklinkt dan ook de smeekbede libera eas de ore leonis, ne absorbeat eas tartarus – bespaar de vromen de muil van de leeuw, zodat de hel hen niet verzwelgt.

Fontein met leeuwen in de Patio de los Leones in het Alhambra, Granada, 14de eeuw CE.

Aion met leeuwenkop uit het mithraeum van Bordeaux,
einde 1ste-begin 2de eeuw CE. Musée d'Aquitaine, Bordeaux.

Van oudsher werd de leeuw met de zon en met vuur geassocieerd. Van de zes woorden die de bijbelse auteurs gebruiken om de leeuw te benoemen, suggereren er twee een verband met de zon: aryeh<arah, “licht zijn” en lavie<lavan, “schijnen”. Ook in de cultus van de Indo-Iraanse zonne-, licht- en vuurgod Mitra, die als Mithras uiterst populair werd bij de Romeinse legioensoldaten en zo heel Europa veroverde, speelde de leeuw een belangrijke rol. In de Mithrascultus bestond een strak systeem van inwijdingsgraden, die elke aanhanger moest doorlopen om het hoogste niveau te kunnen bereiken. De vierde graad was die van de leeuw en Mithras zelf werd soms voorgesteld als leontocephalus, met een leeuwenkop. In Egypte verbond men leeuwen met de zonnegoden Ra en Amon-Ra. Het in de nacht reflecterende leeuwenoog en de zon waren mythologisch identiek, terwijl men de manen met de vlammende zonnestralen gelijkstelde. Omdat als de zon het hoogst staat, de Nijl zijn hoogste peil bereikt, associeerden de Egyptenaren leeuwen ook met water. Fonteinen met leeuwen, zoals het befaamde exemplaar in de centrale patio van het Palacio de los Leones in het Alhambra, of waterspuwers in de vorm van een leeuwenkop, vandaag in tuincentra zelfs verkrijgbaar in kunsthars, vinden hun oorsprong dus waarschijnlijk in het oude Egypte.

Leeuw. Zodiak van de kathedraal van Amiens, 13de eeuw.
Charles le Brun, Hoofd van leeuw en mens vergeleken, prent, 1871.
Cesare Lombroso, Leeuw en man met leeuwenfysionomie.
De leeuw als verzinnebeelding van de hoogmoed.  Vincent de Beauvais, Miroir historial, 1463. Bibliothèque Nationale de France, Parijs.

De associatie leeuw-zon-zomer werd in Babylon geformaliseerd. In de dierenriem kreeg de sterrengroep waarin de zon staat in de heetste periode van het jaar de naam Leeuw opgekleefd. De zonnegloed en de kracht van de leeuw waren één en hetzelfde. Het in veel archaïsche denksystemen gehanteerde begrip quod superior sicut inferior, zo boven zo beneden, leidde in Babylon tot het ontstaan van de astrologie, die tot vandaag wereldwijd een schare devote aanhangers heeft. De eigenschappen die men op het hoogste niveau (macrokosmos) de zon toeschrijft, worden geïdentificeerd met die van het dier. Een mens die toevallig geboren wordt in de periode waarin de zon in Leo staat – tussen 23 juli en 21 augustus – krijgt dezelfde eigenschappen toegedicht (microkosmos). In de fysiognomie of gelaatskunde ging men er dan weer van uit dat mensen die een leeuwachtig uiterlijk hadden, ook de karaktereigenschappen bezaten die men de leeuw toedichtte.  

Gevleugelde leeuw, symbool van de evangelist Marcus en van de stad Venetië, bij de Scala dei giganti in het  Dogenpaleis, 1567.

Schilddragende leeuw. Palazzo vecchio, Firenze.

Schilddragende leeuw. Eén van de twee die voorheen stonden opgesteld aan de basis van de pui van het oude gemeentehuis (later politiebureel) van Hoboken, tussen Kioskplaats en Lelieplaats. Het gebouw werd afgebroken, de leeuwen gerecupereerd. Deze staat tegenover de Kapelstraat.

Sfinx. Memfis.
De antieken waren ervan overtuigd dat leeuwen met de ogen open sliepen: ook tijdens hun slaap ontging hen dus niets. Dat maakte hen tot ideale wakers en daarom is het dat van in de Oudheid leeuwenbeelden worden geplaatst bij poorten van tempels, kerken, en diverse burgerlijke gebouwen. Soms is het geen gewone leeuw, maar een sfinx, een leeuw met deels menselijke trekken, die de wacht optrekt – denk aan de enorme sfinx die in Gizeh de piramiden bewaakt. De schutsgodinnen van de faraonische steden Memfis en Thebe, Sekhmet resp. Moet, hebben een leeuwinnenkop. Ook Bes, die waakt over het goede verloop van de geboorte, is half leeuwin. Het denkbeeld van de wakende leeuw lijkt al heel vroeg een wereldwijde verspreiding hebben gekend: in de 3de eeuw voor onze jaartelling, ten tijde van keizer Ashoka werd de leeuw ook in de boeddhistische sfeer als wachter geïntroduceerd, zodat vandaag boeddhistische tempels tot in Vietnam en China door leeuwen worden bewaakt (volgens sommigen was de leeuw het heilige dier van de stam der Shakyamuni, waaruit de Boeddha stamde, en is het daarom dat leeuwen zo alomtegenwoordig zijn in het boeddhisme.)

Leeuw als tempelwachter. Beijing, China.
In China, waar hij in historische tijden nooit voorkwam, werd de leeuw een uiterst populair symbool, dat niet alleen in tempels maar overal in het dagelijks leven opduikt; zo konden de op pekinezen lijkende Chinese leeuwen (shishi) samen met loempia en shop-soy de wereld veroveren.

Albrecht Dürer, Samson vecht met de leeuw. Houtsnede, ca. 1498. British Museum, Londen.
Van verhalen als dat van de met open ogen slapende leeuw lustte men in de Middeleeuwen wel pap: ze werden overgenomen, naverteld en aangedikt in de (waarschijnlijk 3de-eeuwse) Physiologos en de talrijke latere bestiaria, voorzien van een naar Jezus Christus verwijzende interpretatie. Zo stond de immer wakende leeuw voor Christus, die onverdroten toeziet op het heil van alle mensen. Ook bijbelse verhalen werden in christologische zin geherinterpreteerd. Samson, bijvoorbeeld, doodt met de blote hand een leeuw. Als hij een tijdje later nog eens in de buurt is, gaat hij een kijkje nemen bij het kreng en stelt vast dat er geen vliegen op het kadaver zitten, maar bijen, die in de leeuw hun honingraten hebben gemaakt. Samson eet van de honing. Voor de commentatoren was de betekenis zonneklaar: de leeuw is Jezus Christus; Samson is de mensheid die Jezus ter dood bracht; de honing is het heil dat de mens te beurt valt dank zij Jezus' menswording en dood.

Leeuw blaast pasgeboren welp tot leven. Miniatuur in Bestiarium Manuscript Ludwig XV 3, folio 68. Vlaanderen, ca. 1270. J. Paul Getty Museum, Malibu. 

Een eigenaardigheidje van de leeuw, dat reeds werd gesignaleerd door oude naturalisten als Aristoteles en Plinius, is dat de leeuwin haar jongen dood op de wereld zet; na drie dagen worden ze door hun vader tot leven geblazen. Ook hier manifesteert de leeuw zich als een teken dat naar Christus verwijst, die immers na drie dagen uit de dood verrees. Louis Charbonneau-Lassay suggereert in Le Bestiaire du Christ dat de antieke gewoonte om leeuwenbeelden op graven te zetten, misschien wel te maken heeft met een prechristelijk geloof in het vermogen van leeuwen om doden weer tot leven te wekken. Tot vandaag leeft bij de Berbers in Algerije het geloof dat heiligen en overledenen zich aan de levenden tonen in de gedaante van leeuwen.

Nog eentje. Net zoals Jezus door mens te worden zijn goddelijke natuur verhulde, zo veegt de leeuw als hij weet dat er jagers in aantocht zijn, met zijn staart de eigen sporen uit. Zo verwijst de leeuw meteen ook naar de alwetendheid van Christus, voor wie verleden, heden noch toekomst geheimen hebben. De leeuw wéét dat er jagers komen, net zoals hij wéét dat zijn jongen met de adem van de vader na drie dagen tot leven kunnen worden gewekt. Hij kent dus het heden en de toekomst. Ook is zijn herinnering aan het verleden feilloos. Aelianus (of Ailianos) verhaalt in De natura animalium hoe de slaaf Androkles wordt veroordeeld om in de arena door een leeuw te worden verscheurd. Maar de leeuw herkent Androkles als de man die hem vele jaren tevoren een doorn uit een poot heeft gehaald en dankbaar begint hij de veroordeelde de handen en de voeten te likken. Het publiek is zo geroerd dat Androkles de vrijheid krijgt; de leeuw vertrekt samen met hem de wijde wereld in. Bekender dan de geschiedenis van Androkles is het zeer gelijkende verhaal van de heilige Hiëronymus. Een leeuw komt het klooster van Hiëronymus te Jeruzalem binnengehinkt. Alle monniken vluchten weg, maar Hiëronymus blijft. De leeuw heeft in zijn voorpoot een doorn, die de heilige verwijdert. Dankbaar blijft de leeuw bij hem, en zo komt het dat we op de klassieke afbeeldingen van Hiëronymus een leeuw aan de voeten van de heilige zien liggen terwijl die de Septuagint in het Latijn zit te vertalen.

Jean-Léon Gérôme, Androkles en de leeuw. Olieverf op doek.

Anthonie van Dyck, De heilige Hiëronymus. Olie op doek, 1618-1620. Museum
Boijmans van Beuningen, Rotterdam.
De verhalen van Androkles en Hiëronymus tonen vooral de zachtmoedigheid van de leeuw (leo clemens). Het vervolg van de Hiëronymus-story zet dit nog dikker in de verf. In kloosters moet worden gewerkt, ieder doet zijn deel. Zo ook de leeuw van Hiëronymus, die de ezel van het klooster moet beschermen terwijl die hout transporteert. Op een dag staat de leeuw even te suffen en prompt zien rovers hun kans schoon de ezel te stelen en te verkopen. De paters denken dat de leeuw de ezel heeft opgegeten, en als straf moet nu de leeuw hout vervoeren. Ootmoedig kwijt hij zich van deze taak, tot hij op een dag in een karavaan zijn vroegere werkmakker herkent. Hij leidt de karavaan naar het klooster en daar erkent men zijn onschuld.

De hele Oudheid stond de leeuw bijzonder hoog in aanzien. Daarna volgde in de vroege Middeleeuwen een belangrijke terugval. Waarom precies is niet duidelijk, maar het feit dat iemand als Augustinus de leeuw als een gezant van de Satan voorstelt, heeft zeker een belangrijke rol gespeeld. In de Karolingische tijd kwam een kentering, mogelijk ten gevolge van de hernieuwde belangstelling voor de klassieke auteurs in deze periode. Karel de Grote had volgens de kronieken in zijn paleismanege te Aken onder meer een reusachtige leeuw van Marmorica die hij van de koning van Afrika cadeau had gekregen.

Stadswapen van Brugge. Gekroond schild, voorstellend een gekroonde klauwende leeuw, geflankeerd door leeuw en beer als schilddragers. De twee Koningen der Dieren uit de middeleeuwen verenigd in één wapen.
Ook in het officiële wapen van de provincie West-Vlaanderen wordt een schild gedragen door een beer
en een leeuw.
Het is echter pas vanaf de 11de eeuw dat de leeuw ook in West-Europa een belangrijke rol gaat spelen in het geestesleven en de kunst. Tot dan was in West- en Noord-Europa voornamelijk de Keltische en Germaanse erfenis dominant gebleven en daarin was het niet de leeuw, maar de beer (en soms de ever) die de eerste viool speelde. Elke herinnering aan de ijstijdleeuwen was allang verdwenen; de beer, die net als de leeuw al in het Paleolithicum een belangrijke impact had gehad op denken en doen van de ijstijdmens, had zich nooit uit de noordelijke regionen teruggetrokken en was een gerespecteerde wilde buur gebleven. In de orale traditie van Noordwest-Europa is de beer de koning der dieren en worden koningen en beren met mekaar geassocieerd tot zelfs geïdentificeerd. De mythische Rex quondam Rexque futurus – koning voor eens en altijd – van de Britten heet niet voor niets Arthur, waarin we arth, “beer”, terugvinden. En de helden en sterke mannen die werden verwekt door een beer die hun moeder had ontvoerd, zijn dik gezaaid in de Noordwest-Europese orale traditie. Opmerkelijk is ook dat de oude Indo-europese naam voor het dier, nog te herkennen in het Griekse arktos en het Latijnse ursus, in de Germaanse talen ontbreekt. Waarschijnlijk was het ontzag van de Germaanse stammen voor beren zo groot, dat de eigenlijke naam taboe werd en verdween; overal kwam een eufemisme in de plaats: beer, Bär, björn, bruin. Na het jaar 1000 keerde het tij echter snel: de beer verloor zijn regalia en de leeuw nam de kroon over. Zo komt het dat Richard Plantagenet, spijts de grote voorliefde van de Anglo-Normandiërs voor de Arthurlegende, zich toch niet op een berenhart, maar op een leeuwenhart beroemde. En zo komt het ook dat in de Roman de Renart en Vanden Vos Reynaerde niet beer Bruin, maar leeuw Nobel de koningskroon draagt en er net als een menselijke vorst een hele hofhouding op nahoudt.

Een vloedgolf van leeuwen overspoelde Europa in de 11de en de 12de eeuw. De aanblik van een geschilderde of gebeeldhouwde leeuw is in die tijd, aldus Michel Pastoureau in Une histoire symbolique du Moyen Âge occidental,
presque quotidien, tant sont nombreuses les images de lions dans les églises, sur les bâtiments civils, les monuments funéraires, les oeuvres d'art et les objets de la vie matérielle. Qu'elle soit romane ou gothique, l'église, notamment, donne à voir des lions partout, à l'extérieur et à l'intérieur, dans la nef comme dans le choeur, sur les sols, les murs, les plafonds, les portes et les fenêtres: lions entiers ou lions hybrides, représentés seuls ou bien intégrés à une scène.
Let wel, niet alles wat wij nu als leeuwen determineren, was noodzakelijk ook zo bedoeld. De middeleeuwer nam het niet zo nauw met de begrenzing van de verschillende soorten en veel dieren die wij nu vlotjes als leeuwen van de hand doen, waren monsters in algemene zin, of beren, of luipaarden of nog iets ergens tussenin. Maar de leeuw blijft de star, onmiskenbaar.

Ook in de zich in de 11de-12de eeuw ontwikkelende heraldiek neemt de leeuw onmiddellijk een fikse voorsprong. Van bij het begin figureren in de wapenschilden van het Europese ridderschap de meest uiteenlopende dieren, planten en geometrische figuren: leeuw, adelaar, vis, draak, ever, hond, beer, hert, paard, stier, eenhoorn, griffioen, feniks, kraai, schildpad, palmtak, iris, lelie, brem, eikel, els, boom, kruis, kelk, kroon, ster, zon, maan… apart of gecombineerd, en dit in diverse kleurencombinaties – zij het altijd volgens strikte regels. Variatie te over dus, maar wel onevenwichtig verdeeld: in 15% van de wapens komt van de 12de tot de 18de eeuw een leeuw voor, de adelaar is een verdienstelijke tweede met 3%. Qui n'a pas d'armes, porte un lion, zegt een Franse uitdrukking. Behalve in de heraldiek, duiken leeuwen op in zegels en munten. Eigennamen met een leeuwencomponent, zowel doop- als geslachtsnamen, worden frequent: Leo, Leopold, Leonard, Lionel, Lionnard, Löwenstein, Löwenthal, Leonnelli, De Leeuw…

Waar die leeuwenmode in het christelijke Westen plots vandaan komt, is onduidelijk. Nogal wat auteurs hebben de kruistochten verantwoordelijk gesteld: in Palestina kwamen de westerse ridders in contact met culturen die de leeuw als dagelijkse buur hadden en die bovendien veel meer dan de West-Europese van het klassieke erfgoed waren doordrongen – Byzantium en de islam. Ongetwijfeld is daar iets van, maar de realiteit is waarschijnlijk complexer. De kruisvaarten speelden zeker een rol, maar al sinds de Karolingische tijd hadden de Franken frequent contact met zowel Constantinopel als het moslimse Spanje en Zuid-Italië. Bovendien kan de rol van de handel in goederen niet worden onderschat: juwelen en textiel met leeuwenmotieven, vaak in heraldische stilering, kwamen op die manier aan de hoven in het noorden terecht.

Zilveren obool, Kyzikos, 5de eeuw BCE.

Zo ook in Vlaanderen, dat met Brugge een havenstad had die handel dreef met Spanje, Italië en Noord-Afrika en zijde, katoen, brokaat, damast, leer, suiker, rijst en specerijen importeerde. Het is niet onlogisch dat de heraldische leeuw die vandaag het officiële wapen van Vlaanderen is, langs deze weg onze contreien bereikte. Spectaculairder is natuurlijk de herkomst die bijvoorbeeld Lucas Catherine vooropstelt (nogal vaag in Rijstpap, Tulpen & Jihad, veel explicieter in de polemiek die zich rond dat boek ontwikkelde): de Vlaamse kruisvaarders ontleenden het leeuwenwapen aan (lees: jatten de leeuw van) de moslims, en dan nog wel van sultan Malik al Zahir, Baïbars I, de man die Nazareth op de christenen veroverde. Nu voerde Baïbars wel degelijk een leeuwenvlag en hij sloeg inderdaad munten met een leeuwembleem dat sterk op de Vlaamse leeuw lijkt. Maar daarin stond hij lang niet alleen: leeuwenemblemen waren bijzonder frequent in het Nabije Oosten, onder meer de gevreesde Assassijnen voerden een leeuw in hun schild. Catherine is overigens niet de eerste die de Vlaamse leeuw bij de Saracenen haalt. Al in een 14de-eeuwse sage maakt de Vlaamse graaf Filips van de Elzas het blazoen buit op een mohammedaanse vorst.

Wèl lijkt het te kloppen dat de oudst bekende versie van het Vlaamse leeuwenwapen in de vorm die nu nog wordt gebruikt, dus met een klimmende leeuw, zich op een ruiterzegel bevindt dat graaf Filips van de Elzas in 1162 in gebruik nam. Filips van de Elzas trok pas in 1177 op kruistocht, en niet tegen Baibars, die immers pas in 1223 werd geboren. De leeuw op Filips' zegelring is in elk geval het oudste aantoonbare leeuwenwapen van de Nederlanden. Want uiteraard voerde Vlaanderen niet alléén een leeuw: Brabant, Holland, Limburg en Gelderland hebben er eveneens, maar die duiken pas één tot meerdere generaties later op. Eigenlijk is het gebruik van een leeuwenwapen in Vlaanderen nog ouder dan 1162, want Filips' achterneef Willem van Ieper gebruikte vier jaar eerder al een zegel met een stappende leeuw. Die stappende leeuw zou Willem hebben ontleend aan de Normandische Plantagenets, die ook stappende leeuwen in hun wapen hadden. Volgens Michel Pastoureau zijn de Normandische dieren echter geen leeuwen maar léopards, luipaarden, die overigens niks met de zoölogische luipaard te maken hebben maar een puur heraldisch verzinsel zijn. Heraldische leeuwen, zegt Pastoureau, worden altijd en profil afgebeeld; zodra een “leeuw” en face wordt getoond, gaat het in feite om een luipaard. Dit kan best zo zijn, maar ook hier lijkt de realiteit weer iets complexer dan de theorie: in oude teksten wordt de klimmende Vlaamse leeuw steevast liebaert genoemd…

Soit. Sinds de 12de eeuw voerden de graven van Vlaanderen een klimmende leeuw als wapen. Waarom ze halfweg de jaren 1100 die keuze maakten, weten we niet. Tevoren zou hun wapen een beer zijn geweest, wat niet onlogisch lijkt. Een door sommige heraldici geopperde verklaring is, dat de leeuw in West-Europa bij uitstek het wapen was van naar autonomie strevende graven en hertogen die zich afzetten tegen het annexionisme van Frankrijk (de fleur de lys) en het Heilige Roomse Rijk (de Reichsadler). Een andere theorie, al geopperd in de 17de eeuw, stelt dat de leeuwenwapens van de verschillende vorstendommen van de Nederlanden in onderlinge afspraak tot stand zijn gekomen. In de 17de eeuw deed in ieder geval ook de Leo belgicus zijn intrede in de cartografie, een wijze van presenteren van de Nederlanden in de vorm van een zittende of staande en gewoonlijk ook klauwende leeuw.
Nederlands rijkswapen van 1907.

Wapenschilden uit de Nederlanden. Folio blad 80 recto van het Armoriaal van Gelre,
met links midden het wapen van de graaf van Vlaanderen.
Negen versies van de Leo Belgicus.
Tot aan de Franse Revolutie bleef de Vlaamse leeuw het wapenschild van de graven van Vlaanderen. Hij figureerde ook in de emblemen van de instellingen die bestuurlijk met het graafschap gelieerd waren. Als in 1815 de provincies worden geïnstalleerd, wordt de leeuw in de wapens van Oost- en West-Vlaanderen opgenomen.

De in de 19de eeuw opkomende Vlaamse Beweging adopteerde de leeuw als symbool. Zoals dat toen meestal het geval was bij nationalistische stromingen, trachtte ook de Vlaamse Beweging aan te tonen dat Vlaanderen als cultuurgemeenschap (en vervolgens ook als sociaal-economische en politieke entiteit) een historische realiteit is met wortels die vér teruggaan in de geschiedenis. De Slag van Kortrijk op 11 juli 1302, waarin Vlaamse stedelijke milities samen met een handvol ridders de fine fleur van het Franse ridderschap in de pan hakten in de drab van de Groeningekouter, was toch een mooi ijkpunt. De Vlaamse strijd werd geïdentificeerd met de Guldensporenslag, het Vlaamse leeuwenwapen werd expliciet aan die slag verbonden. Het Vlaamse sentiment was aanvankelijk wars van elke specifieke beperking tot wat vandaag Vlaanderen heet. Prudens van Duyse publiceerde in 1825 het Dichtstuk over den heldenmoed der Vlamingen tegen de Franschen betoond onder het bestuur van den graaf Guy van Dampière, waarin hij bezong hoe het Franse leger in Groeninge was verslagen "tot Neêrlands roem en eer." In zijn Groeninghe (1838) heette het dat "der Franken trots voor Belgies deugd moest bukken." Belgicistische historici lieten zich niet onbetuigd: ook zij lijfden 1302 in en stelden het voor als een prefiguratie van de Belgische Revolutie; net zoals  ze de entiteit België anno achttienhonderd en zoveel poogden te funderen in het land der Belgae uit Caesars De bello Gallico.

Nicaise de Keyser, Slag der Gulden Sporen. Olieverf op doek, 1836. Stedelijk Museum Kortrijk. De Keyser werd voor dit werk door het Kortrijkse stadsbestuur bekroond omdat het "les Belges en général et la ville de Courtrai en particulier" zoveel eer aandeed. Ook roemde de toenmalige kritiek de historische precisie van het schilderij.


Hendrik Conscience, De Leeuw van Vlaanderen of de Slag der Gulden Sporen. Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, Antwerpen.
Frans Joris, grafmonument van Hendrik Conscience, 1886. Schoonselhof, Antwerpen. De bronzen beeltenis van de dode schrijver ligt, als een gisant, bovenop zijn graf, één hand pathetisch van de baar weggezakt, de andere een vlag omvattend die over het lichaam heen is gedrapeerd. Voor de opgebaarde ligt, als waker bij het graf, een leeuw - Dé Leeuw. Het monument is uit funerair-historisch oogpunt bijzonder interessant: het is één van de weinige voorbeelden van dit type grafsculptuur in België.
Godfried Devreese, Groeningemonument, 1906. Kortrijk.

Propagandistische prentkaart met romantische voorstelling Guldensporenslag.

De kist van Oxford, alias de Courtrai Chest. Eikenhouten kist, sinds 1905 in het bezit van New College, Oxford. Het voorpaneel beeldt de Guldensporenslag uit. De authenticiteit van het meubel staat ter discussie: is het 14de-eeuws of gaat het om een 19de-eeuwse vervalising? Dendrologisch onderzoek bevestigt dat het gebruikte hout uit de 13de eeuw dateert, maar het beeldhouwwerk zou mogelijk van veel recentere datum zijn. 
Hendrik Conscience behandelde de slag van Kortrijk twee keer. In zijn Geschiedenis van België (1845), een werk dat hij opdroeg aan koning Leopold, roemde hij het treffen in de Groeningekouter als de "verlossing des vaderlands" en sloot op die manier naadloos aan bij het Belgische nationalistische discours van die dagen. Enkele jaren eerder had hij met de historische roman De Leeuw van Vlaenderen (1838), waarin de slag van 1302 centraal staat, substantieel bijgedragen aan de Vlaamse variant van het nationalistische discours: hij legde er zonder meer de fond voor een flink stuk van de verdere Vlaams-nationale leeuwenmythologie. Hij heroïseerde en mythologiseerde de strijd, onder andere door de omvang van de legers enorm te overdrijven. In zijn roman moeten 30.000 Vlamingen het opnemen tegen een Frans leger van 60.000 man; in werkelijkheid was de getalsterkte van de twee legers ongeveer gelijk, aan beide zijden ca. 10.000 man – alleen was de Franse cavalerie acht keer groter dan de Vlaamse. De Slag van Kortrijk was een opmerkelijk militair gebeuren, waarbij een leger van vooral infanteristen, profiterend van zijn grotere wendbaarheid en van een voor gepantserde ridders te paard weinig comfortabel terrein, een cavalerie genadeloos afmaakte. Het zal een weinig ridderlijk schouwspel zijn geweest en van fair play was waarschijnlijk weinig sprake: ook ridders die ten teken van overgave het zwaard met het gevest aanboden, werden afgeslacht. Bij Conscience werd deze historische Slag van Kortrijk, tot Guldensporenslag omgedoopt, een overwinning van David op Goliath. Robrecht van Bethune, de zoon van graaf Gwijde van Dampierre, werd door Conscience vereeuwigd als de Leeuw van Vlaanderen. Hij creëerde de Vlaamse strijdkreet Vlaanderen den Leeuw die hij in de mond legde van vooral de helden Jan Breydel en Pieter de Coninck, de aanvoerders van de Brugse gilden en ambachten. Hij liet de Vlamingen zichzelf Klauwaarts noemen. Voorts stelde Conscience het conflict tussen de Franse kroon en Vlaanderen voor als een strijd tussen volkeren, rassen in de terminologie van de 19de eeuw. Germanen tegen Latijnen, zeg maar. Kortom, een voorafspiegeling van de taal- en cultuurstrijd die zich in de 19de eeuw voltrok. De Vlaamse Beweging sloot zich grotendeels bij deze visie aan. Uiteraard stemt ze niet echt overeen met de werkelijkheid. De Vlamingen die het Franse leger in de pan hakten, hadden zeker geen linguïstische of culturele drijfveren. De Vlaamse adel, met op kop de dynastie van de Dampierres, was in taal en cultuur even Frans als de ridders die in het teken van de fleur de lys streden. De Dampierres vochten voor het behoud van hun feodale privileges tegenover het Franse centralisme én tegenover steden als Brugge, Damme en Kortrijk, die steeds zwaarder doorwegende rechten op economisch en politiek gebied voor zich opeisten ten nadele van het grafelijke gezag. De gilden en ambachten streden voor het behoud en de uitbreiding van hun privileges, die hen onder meer in staat stelden zich op economisch vlak sterker te richten op Engeland.

Met de publicatie in 1847 van De Vlaamse Leeuw door Hippoliet van Peene, het zangstuk dat later, na eerst door Jef van Hoof tot strijdlied te zijn omgevormd, zal omhoogvallen tot nationale Vlaamse hymne, zijn de basics van de leeuwenmythologie compleet. In 1902 wordt het lied algemeen erkend als nationaal lied van Vlaanderen. Het Cultuurdecreet van 12 september 1973 maakt van De Vlaamse Leeuw het Vlaamse volkslied, het ministeriële besluit van 11 juli 1985 maakt er het officiële lied van de Vlaamse Gemeenschap van.

Guldensporenviering aan het IJzerfront, 1915.
Herdenkingszegels 650 jaar slag van Kortrijk.




De officiële leeuw van de Vlaamse Gemeenschap.
De leeuwenvlag werd voor het eerst op 11 juli 1893 gehesen door flamingantische studenten. Wat later kwam ze bij de Vlaamsgezinde burgerij in zwang, en rond 1910 werd ze ook in de arbeidersbeweging geïntroduceerd. De Eerste Wereldoorlog bracht binnen de Vlaamse Beweging een stroomversnelling te weeg. Tussen Vlaanderen en België ontstaat een kloof die er voorheen niet was. Bij Conscience hadden Vlaams zelfbewustzijn en Belgisch patriottisme elkaar niet in de weg gestaan - ze hadden mekaar zelfs versterkt. Maar tijdens en na de Grote Oorlog werd het voor een harde kern binnen de Vlaamse Beweging steeds moeilijker om de idee van een Vlaamse natie  te verzoenen met het bestaan van een Belgische staat.
De radicale leeuw van de Vlaams-nationalisten.
Deze oppositie uit zich ook in het Vlaamse leeuwenwapen. De leeuw was doorheen de Middeleeuwen, tot de 16de eeuw, monochroom zwart geweest: ook tong en klauwen waren dus zwart. Vanaf de 16de eeuw werd het de gewoonte tong en nagels een rode kleur te geven. Of, om het in het heraldische jargon te zeggen: voortaan was het wapen “in goud een leeuw van sabel, geklauwd en getongd van keel”. Vanaf de jaren 20 grijpen hardcore flaminganten weer naar de enkelkleurige zwarte leeuw. In hun allergie voor de état franco-belge gruwen ze van alles wat aan de tricolore vlag kan herinneren, en dus moet het rood uit het wapen. De Volksunie neemt de monochrome leeuw over en ook de ietwat geföhnde leeuw die het Vlaams Belang als embleem hanteert mist elk spatje rood. Extreemrechtse groupuscules met Vlaams-nationalistische roots zien naar verluidt in het rood overigens niet zozeer een Belgische als een linkse reminiscentie, die dus te allen prijze moet worden geschuwd. De officiële Vlaamse leeuw blijft echter tot nader order als het leven zelf, red in tooth and claw.
Behalve de (al of niet met rood opgesmukte) zwarte Vlaamse leeuw, telt het hedendaagse België nog een resem andere leeuwenwapens. Negen van de tien provincies voeren een leeuw in hun schild. Alleen Antwerpen voert de adelaar van het Heilige Roomse Rijk, maar het heeft in zijn wapen niettemin een leeuw als schilddrager. West-Vlaanderen heeft in zijn schild een leeuw, en als schilddragers behalve de leeuw nog het oude koningsdier, de beer. Ook de Duitse Gemeenschap heeft een leeuwenwapen, net als trouwens het federale België.

Leeuwenwapens van België en de Belgische provincies. Midden: het rijkswapen van België.
Bovenste helft v.l.n.r. West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Vlaams-Brabant, Limburg.
Onderste helft v.l.n.r. Henegouwen, Namen, Waals-Brabant, Luik, Luxemburg.
Over de geschiedenis van 11 juli, over de Guldensporenvieringen die in 1973 tot de door de Cultuurraad van de Nederlandse Cultuurgemeenschap ingestelde Dag van de Vlaamse Gemeenschap leidden, is uiteraard veel meer te vertellen. Ik zou het hier nog kunnen hebben over de wijze waarop de politiek, van ultrarechts tot extreemlinks, doorheen de jaren heeft getracht de Slag van Kortrijk ideologisch in te lijven: als een etappe in de Vlaamse strijd tegen de uitbuiting en verknechting door een volksvreemde Franse elite, als een fase in de strijd van de kleine man voor meer gelijkheid en betere sociale rechten, als een vrijheidsstrijd pur sang. Dat ga ik niet doen: wie zich verder in de geschiedenis van 11 juli wil verdiepen, kan terecht in de massa literatuur die over dit onderwerp werd bijeengeschreven. Een tip: neem alvast de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging eens ter hand, drie kastaars van delen waarin méér over de Vlaamse Leeuw, de Guldensporenslag of gelijk welk aspect van de Vlaamse Beweging staat dan één mens kan (of wil) weten.


Tot besluit wil ik wel nog een woordje kwijt over de échte leeuw.
Vandaag weten we dat Panthera leo, behalve zijn imposante uiterlijk, in feite maar weinig gemeen heeft met het wezen uit de mythen en legenden die door de antieke auteurs en in de middeleeuwse bestiaria worden verteld. Zijn leeuwen moedig, nobel, wreed, rechtvaardig of wat al meer? Uiteraard zijn ze niets van dat alles, net zo min als honden trouw zijn, katten vals, jakhalzen laf, vossen listig, duiven vredelievend, bijen ijverig en ezels koppig. Ze zijn niet bepaald waakzaam maar brengen daarentegen ongeveer twintig uur per dag luierend en slapend door – het zijn en blijven katten, ten slotte. Spijts hun mythologische associatie met de zon, zijn ze vooral ’s nachts en in de schemering actief. Dat ze in hun edelmoedigheid zwakkeren en rechtvaardigen sparen, is natuurlijk onzin. De leeuw is een opportunist, die op alles jaagt wat zijn pad kruist. Als enige echt sociale wilde katachtige, leeft en jaagt hij gewoonlijk in roedels in plaats van solitair zoals de andere Felidae. Behalve gazellen, impala’s, antilopen, gemsbokken, wildebeesten en zebra’s kan hij ook zeer grote en sterke prooien aan, zoals neushoorns, giraffen, nijlpaarden, buffels en zelfs olifanten. Maar uiteraard zijn het in de eerste plaats de wat tragere, oude of zieke exemplaren die hij eruit pikt, en als het moet jaagt hij ook op wrattenzwijnen. Vaak worden andere roofdieren, zoals de luipaard of de hyenahond, gewoon van hun kill verjaagd, en ook voor kadavers halen leeuwen de neus niet op. Hier en daar wordt ook vee geroofd en sommige leeuwen ontpoppen zich om meestal onduidelijke redenen tot mensenjagers.

Charles Verlat, De verdediging van de kudde. Olieverf op doek, 1878. Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, in bruikleen bij Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde Antwerpen.

Leeuwen zijn sociaal: ze leven in troepen of roedels. De grootte van zo’n groep is afhankelijk van de beschikbare biomassa prooidieren. In schrale, woestijnachtige gebieden is de roedel klein - de Atlasleeuw leefde blijkbaar gewoonlijk solitair of in paren, ten gevolge van het beperkte aantal potentiële prooidieren in zijn leefgebied. In ideale condities kan een troep leeuwen tot meer dan 40 dieren tellen, maar gewoonlijk bestaat hij uit 5 tot 10 leeuwinnen met hun welpen, en een coalitie van niet aan de leeuwinnen verwante mannetjes. Mannelijke welpen worden als ze twee à drie jaar zijn uit de roedel gestoten en gaan dan op zoek naar een troep die ze kunnen overnemen. Vinden ze die, doden ze alle welpen jonger dan een half jaar en paren vervolgens met de leeuwinnen. Na een jaar of tien is zo’n mannetje niet meer opgewassen tegen het jonge geweld van nieuwkomers en wordt hij uit de roedel verstoten. Over zo’n oude knar schrijft de Zwitserse zoöloog C.A.W. Guggisberg in Wild Cats of the World:
In the Amboseli Reserve, my wife and I once saw a very old lion. He lay on the edge of a patch of bush, sunning himself, blinking sleepily as we approached. His mane was thin, his face covered with scars, his coat looked moth-eaten and rubbed through at the elbows. He certainly was a sad sight. I have often wondered what his end may have been. There was a large pride a couple of miles from where he lay, and for some time he probably was able to subsist on the scraps left by his descendants. But I can imagine him getting weaker and weaker, with hyenas and hunting dogs circling around him, becoming gradually bolder and finally overpowering the poor old fellow.


Clement Caremans © 2013

























Volg de activiteiten van Het GenOOtschap - stuwgroep voor cultuur op facebook:
http://www.facebook.com/HetGenootschap