dinsdag 30 april 2013

Пролетарии всех стран, соединяйтесь!








  
Пролетарии всех стран, соединяйтесь!




Op 1 mei 1890 voerden over heel de wereld – in Europa, in Australië, in de beide Amerika's – arbeiders actie voor de invoering van de achturige werkdag. In sommige landen werd gestaakt, elders hielden de actievoerders het bij demonstraties en meetings.

Acht uur! zoo klinkt door alle landen,
Acht uur zij onze arbeidstijd.
Acht uur aan d' arbeid onzer handen
En ook aan onzen geest gewijd.
Wij willen flink en krachtig werken,
Maar 't lichaam geven onzen eisch!
Wij willen maag en geest versterken,
En vrijheid zelfs tot elken prijs.

Acht uur! Acht uur!
Geen langer arbeidsduur!
Ten strijd! Komt allen op ten strijd!
Ten strijd voor acht uur arbeidstijd!

Een werkdag van 8 uur lijkt vandaag zonder meer vanzelfsprekend. Zozeer zelfs, dat het in bepaalde kringen weer bon ton is geworden zich er tegen af te zetten. Met enig dédain wordt er dan gesproken over de dienstklopper die nét zijn acht uren presteert en hiermee te kennen geeft slechts matig gemotiveerd te zijn. Het ware engagement uit zich in méér werken. Zo'n houding is uiteraard alleen maar mogelijk in een comfortabele sociale omgeving waarin de achturendag de norm is.

Maar nog niet zo heel lang geleden was een werkdag van 8 uur een vrome, verre wens. In de tweede helft van de 19de eeuw presteerde een fabrieksarbeider zo'n 12 tot 16 uur per dag, 6 dagen per week, voor een hongerloon. Zo mogelijk nóg meer uren klopten de meestal in schrijnende armoede ploeterende huisarbeiders: vellenbewerkers, stoelbinders, kantwerksters. In 1886 moesten metaalarbeiders 's morgens tussen 6 en 7 uur hun werk beginnen, om dan door te werken tot 7 uur – half 8 's avonds. De kompels in de mijnen werkten zo'n 11 uur, textielarbeiders klopten shiften van 13 à 14 uur. Een regime van 3000 werkuren per jaar was geen uitzondering. Vandaag ligt het regime van een West-Europese werknemer, althans officieel, op wat meer dan de helft daarvan.

Vincent van Gogh, De terugkeer van de mijnwerkers. Marcasse, Borinage, na april 1881. Inkt, potlood en penseel. Otterlo, Museum Kröller-Müller State Museum

De arbeidsomstandigheden waren gewoonlijk ongezond en meestal bovendien gevaarlijk. Koploper op dit vlak waren de mijnen, zoals de mijn van Marcasse in de Borinage, die Vincent van Gogh in 1879 beschreef in een brief aan zijn broer Theo. 
Die mijn staat in slechten naam vanwege dat er velen in omkomen, hetzij bij het afdalen of naar boven gaan, of door stiklucht of gasontploffing, of door het water in de grond, of door het instorten van verouderde gangen, enz… Het is een sombere plek en bij 't eerste gezicht heeft alles in de omtrek iets akeligs en doodsch. De arbeiders aldaar zijn meestendeels lieden vermagerd en verbleekt door de koorts, en zien er vermoeid en uitgemergeld uit, verweerd en vroegtijdig verouderd, de vrouwen vaal en verlept over 't algemeen. Rondom de mijn armoedige mijnwerkerswoningen, met een paar doode bomen, geheel zwart berookt, en doorenheggen, mestvaalten en aschhoopen, bergen onbruikbare steenkool enz… Deze mijn heeft vijf verdiepingen, 3 daarvan de bovenste, zijn uitgeput en verlaten en men werkt er niet meer in omdat er geen steenkool meer is… De gangen zelf zijn als groote schoorstenen bij de Brabantsche boeren. In sommige lekt het water overal door en het licht van de mijnwerkerslamp maakt er een zonderling effect, en weerkaatst als in een grot van druipsteen. Sommige arbeiders werken in de maintenages, andere laden de losgemaakte steenkool in kleine wagens, die op rails als van een tramway vervoerd worden, het zijn vooral kinderen die dit doen, zowel jongens als meisjes. 
Kinderarbeid werd pas vanaf 1889 gereglementeerd; in 1869 werkten nog 3000 kinderen jonger dan 12 (lees: vanaf een jaar of 6)  in de Belgische mijnen.


Mijnwerkersopstand te Mons, 1893

De achturendag – 8 uur werk, 8 uur ontspanning, 8 uur rust – was  in deze context zonder meer een revolutionaire gedachte. 
Geheel nieuw was de idee nochtans niet. De Britse industrieel en utopische socialist Robert Owen (1771-1858) bracht ze in 1817 reeds naar voren: in de socialistische coöperaties die hij opgericht wou zien, zou maximaal 8 uur per dag worden gewerkt. In zijn eigen fabriek slaagde hij er overigens niet in de achturendag toe te passen: 10 ½ uur was er de norm. Pas in 1856 werd de achturendag voor het eerst in de praktijk gebracht. Down under nog wel, in Melbourne, waar stakende arbeiders hun eis er door kregen. Drie weken lang werkten zij in het achturendagsysteem – daarna werd het oude stelsel opnieuw ingevoerd. Ook in Frankrijk mochten de werkers na de revolutie van 1848 even van een kortere werkdag proeven, één van 10 uur. Die hield overigens maar enkele maanden stand: na de val van de efemere Tweede Republiek keerde l'Hexagone weer naar een arbeidsdag van 12 uur.

De Eerste Internationale (Londen 1864) onderschreef het principe van de achturendag maar steunde in de praktijk vooral de strijd voor de invoering van de tienurige werkdag, die als een zeer belangrijke tussenstap werd beschouwd. Hier en daar wist men vanaf de late jaren 60 door middel van stakingen een verkorting van de arbeidsduur tot 10 uur of minder af te dwingen. Soms waren die stakingen ware krachtmetingen: in 1872 staakten de Brusselse steenhouwers 5 maanden vóór het patronaat toegaf.

Ook in de Verenigde Staten werd vanaf de jaren 60 geijverd voor een verminderde arbeidsduur. Met succes, want in 1868 introduceerde men er in de staatsbedrijven de achturendag. In de privé-ondernemingen hield het regime van 11 à 12 uur stand. Op het Congres van Chicago (1884) stelde de Federation of Organized Trades and Labor Unions 1 mei 1886 voorop als de datum waarop de strijd voor de veralgemeende achturendag voorgoed zou aanvangen: 
Arouse, ye toilers of America! Lay down your tools on May 1, 1886, cease your labor, close the factories, mills and mines – for one day in the year. One day of revolt – not of rest! A day not ordained by the bragging spokesmen of institutions holding the world of labor in bondage! A day on which labor makes its own laws and has the power to execute them! All without the consent or approval of those who oppress and rule. A day on which in tremendous force the unity of the army of toilers is arrayed against the powers that today hold sway over the destinies of the people of all nations.





Van oudsher was in het Verenigd Koninkrijk 1 mei de dag geweest waarop contracten werden afgesloten of vernieuwd, achterstallige cijnzen betaald, schulden vereffend, verhuisd naar een nieuwe woning. De Britse kolonisten namen deze traditie mee naar New England. Dat men precies op 1 mei actie ging voeren, lag dus een beetje voor de hand.


Dus: op 1 mei 1886 ging de actie voor de "Drie Achten" van start. Er braken 5000 stakingen uit, waarbij over heel de US zo'n 340.000 arbeiders betrokken waren. Na 1 mei staakten een kleine 40.000 man verder. In Chicago vielen daarbij doden: bij de McCormick Reaper Factory op 3 mei, waar de politie 6 betogers doodschoot, en op Haymarket Square op 4 mei, waar bij een bomaanslag 7 politiemensen omkwamen. Er werden 8 radicale leiders opgepakt, 5 daarvan werden schuldig bevonden en terechtgesteld – ten onrechte, bleek 6 jaar nadien.
De "martelaren voor de achturendag", zoals ze in de contemporaine socialistische pers gewoonlijk worden genoemd, gaven 1 mei internationale bekendheid. Op het internationaal syndicaal congres van 1888 te Londen stelde de Gentse socialistische voorman Eduard Anseele voor dat het congres 1 mei zou uitroepen tot de dag waarop overal ter wereld arbeiders op hetzelfde uur zouden manifesteren voor de achturendag. Zijn voorstel werd niet opgenomen in de slotresolutie van het congres, maar op het stichtingscongres van de Tweede Internationale (Parijs 1889) werd het opnieuw naar voren gebracht én unaniem goedgekeurd.
Zo werd 1 mei 1890 de eerste dag dat overal ter wereld werklieden gelijktijdig actie voerden om hun eisen voor betere arbeids- en leefomstandigheden kracht bij te zetten. Het duurde in België overigens nog tot 1921 (wet van 14 juni) vooraleer de achturendag wettelijk werd verplicht gesteld. 

1-Meiparade op het Rode Plein, Moskou, Sovjetunie, 1933
1 mei volgens de Oekraïense feministische actiegroep Femen
1-meiviering van het Vlaams Belang
Sinds 1890 kende het 1-meifeest een bewogen geschiedenis. Hoewel vaak geofficialiseerd en geïnstitutionaliseerd als Dag van de Arbeid, Labour Day, Jour du Travail enz. is het traditioneel een strijddag en een "hoogdag van links" gebleven, ter gelegenheid waarvan syndicale eisen worden verwoord maar ook andere maatschappelijke en politieke thema's onder de aandacht worden gebracht: het algemeen stemrecht, de Koude Oorlog, de onafhankelijkheidsbewegingen in de koloniën, racisme, de Cubacrisis, de Palestijnse kwestie, de wapenwedloop … In de landen van het reëel existerend socialisme was 1 mei vooral een dag van militair machtsvertoon, zeker in de dagen van de Koude Oorlog. Maar 1-meivieringen bleven niet het monopolie van de (democratische of wat minder democratische) linkerzijde: ook aan de andere kant van het politieke spectrum ging men in de loop der jaren 1 mei benutten om politieke en sociale boodschappen extra in de verf te zetten. Zo maakte Hitler in 1933 1 mei een betaalde feestdag (waarna hij prompt de vakbonden afschafte) en was ook in het Argentinië van Juan Perón de 1ste mei een officiële vrije dag. In België vieren tegenwoordig zowat alle politieke gezindheden 1 mei, van  PvdA en Groen! tot Vlaams Belang. 


Sint-Jozef Timmerman, bidprentje
De katholieke Kerk gaf 1 mei een heel eigen invulling, die wel nauw aansloot bij de socialistische Dag van de Arbeid. Al onmiddellijk na de eerste internationale 1-meiviering, had in in 1891 paus Leo XIII  de encycliek Rerum Novarum uitgevaardigde, die de sociale leer van de Kerk voor de geïndustrialiseerde wereld uiteenzette. Rerum Novarum werd ingeschoven in de kerkelijke kalender en meer bepaald in de paascyclus: het werd geïnstalleerd op Hemelvaartsdag, veertig dagen na Pasen. 
Na de Tweede Wereldoorlog, toen in volle Koude Oorlog zowel de populariteit van als de aversie tegen het Oostblok in West-Europa aanzienlijk waren, stelde de rabiate communistenhater Pius XII in 1955 het feest van Sint-Jozef Arbeider in op 1 mei. Jozef, de vader van Jezus van Nazaret en volgens (vooral) de apocriefe evangeliën een timmerman, werd als ambachtsman Jozef hét icoon van het christelijke arbeidsethos.


Bona Dea. Leiden, Museum van Oudheden

Tot zover 1 mei post 1890.

Maar ook voorheen was er natuurlijk al een  1ste mei. En ook die werd gevierd.
Al heel vroeg zelfs.
Met de kalenden van mei (dus op 1 mei) vierden de Romeinen het feest van de godin Maia met het offer van een drachtige zeug. Deze Maia of Maiesta, een nogal obscure maar in de vroegste dagen van de Latijnen heel belangrijke godheid die werd geïdentificeerd met Tellus, de aarde en met de al evenmin duidelijke godinnen Fatua, Ops en Fauna, werd aanroepen als Bona Dea, de goede godin. Maia had te maken met de groei der dingen (haar naam is verwant met maior, maius, "groter"). Later werd Maia ook nog geïdentificeerd met haar Griekse naamgenote, de moeder van Hermes, en geassocieerd met het sterrenbeeld van de Pleiaden.
De Kelten van de Britse eilanden (Ieren, Schotten en Welshmen) vierden op 1 mei Beltane.
Beltane sloot het koude winterseizoen, dat met Samhain (1 november) was begonnen, af en zette het warme seizoen, de zomer, in. Diverse oorsprongen of ontstaansgeschiedenissen werden met Beltane in verband gebracht. Zo lezen we in het Lebor Gabhála Erenn, het boek dat de opeenvolgende tijdperken van de Ierse mythologische voorgeschiedenis verhaalt, dat onder andere het godenvolk van de Tuatha Dé Danaan op 1 mei op de Ierse kust landde. Een vorig titanengeslacht, aangevoerd door Partholon, had ook al met Beltane voor het eerst in Ierland voet aan wal gezet.
Beltane was vooral een vuurfeest. Mogelijk ook al eerder, maar zeker vanaf de 8ste eeuw (waaruit de oudste vermelding dateert) tot de eerste decennia van de 19de, stak men in Ierland en Schotland op 1 mei vuren aan, bij voorkeur op de top van een heuvel. Het vuur werd aangemaakt op de primitiefst denkbare manier, met een vuurboor en turf of zwamvlok, wat een aanwijzing kan zijn voor het archaïsche karakter van het ritueel. Men geloofde dat de Beltane fires vruchtbaarheidsbevorderende eigenschappen hadden en het kwaad op een afstand hielden: driemaal door het vuur lopen of erover springen garandeerde een grote oogst, schapen en runderen die er langsheen werden gejaagd, bleven gevrijwaard van ziekte.

Maypole. Engeland, ca. 1907
Ook elders in Europa werden op 1 mei vuren gebrand, meestal al in de Walpurgisnacht. Het waren echter vooral de diverse gebruiken waarin de meiboom of zijn meer gestileerde variant, de meipaal, centraal staan, die in Engeland en op het Europese vasteland van de Middeleeuwen tot de eerste helft van de 19de eeuw een prominente rol speelden. Het scenario was vrij stereotiep. Eerst werden takken met jong groen, bloemen en kruiden verzameld, vaak reeds in de nacht vóór 1 mei, de Walpurgisnacht. Dan koos men een mooie jonge boom, gewoonlijk een berk, spar, meidoorn, es of eik. 
 
Men hakte de boom om, ontdeed hem deels of helemaal van zijn takken en richtte hem dan op in het midden van het dorpsplein, op de grote markt van de stad of op een andere sociaal belangrijke locatie. In sommige streken werd de meiplanting geïndividualiseerd en stond er één voor ieder huis, op elk erf, hier en daar zelfs op het dak. Rond de boom of staak, die werd opgesmukt met guirlandes van jong groen, gekleurde slingers en linten, kruiken en ander huisraad, werd gedanst. Onder het jonge volkje werd een meikoningin gekozen en gekroond, en vaak ook een meikoning; beiden gingen, met bloemen getooid, als een bruidspaar door dorp of stad terwijl zij de meizegen gaven aan de omstaanders. 


Yeni Haber, meikoningin te Genk, 2010


Reine du muguet met hofdames. Rambouillet, 2008
Meiklokje of lelietje-van-dalen (Convallaria majalis)



Een late variant hierop is de waarschijnlijk pas in de 19de eeuw in Ile-de-France ontstane gewoonte op 1 mei een reine du muguet te kiezen en aan geliefden, vrienden en familie een takje van het naar verluidt gelukbrengende meiklokje te geven.

Jongemannen plantten ook een liefdesmei voor het raam van hun lief om haar eer te bewijzen, een gebruik dat in nogal wat liedteksten opduikt:

Schoon lief hoe ligt gy hier en slaept
In uwen eersten droome?
Wil opstaen en den mei ontfaen,
Hy staet hier al zoo schoone.

Of dit stukje rederijkerspoëzie:

Ik wil den mei gaan houden
Voor myn liefs vensterkijn,
Ende schenken myn lief trouwe
Die allerliefste myn,
Ende zeggen: Lief wilt komen
Voor u klein vensterken staen.
Ontvangt den mei met bloemen,
Hy is zoo wel gedaen.

Het hoeft niet gezegd dat het niet bij takjes planten en liedjes zingen bleef. Volgens de Nederlandse volkskundige Catharina van de Graft werd meer dan een derde van de meisjes in de eerste meinacht vrouw. Bij deze buitengewone seksuele activiteit in de context van de meiviering kunnen overigens vraagtekens worden geplaatst. Uit onderzoek naar het voorkomen van buitenechtelijke geboorten in Engeland, concludeerden Peter Laslett en Karla Oosterveen dat meinacht blijkbaar weinig extra concepties opleverde: die vonden vooral plaats in de late zomer. Misschien was het destijds, voordat global warming almaar vroeger in het jaar voor zomerse temperaturen begon te zorgen, begin mei te frisjes voor veel geflikflooi in de lentelucht.  

Arbre de la Liberté. Frankrijk, einde 18de eeuw

Waar de meiboom vandaag nog bestaat, kan hij worden beschouwd als neofolklore, een ten behoeve van het toerisme opnieuw  gecreëerd gebruik. Want behalve een kortstondige hausse tijdens de Franse bezetting – het revolutionaire Frankrijk gebruikte hem als instrument om de idealen van Liberté, Égalité en Fraternité te verspreiden – verdween de meiboom in de Lage Landen in de loop van de 18de eeuw grotendeels uit de steden en in de 19de uit de dorpen op het platteland. Hoewel het gebruik eeuwenlang door de Kerk was bestreden omwille van de losbandigheid en het occasionele geweld die met de vaak behoorlijk wilde vieringen gepaard gingen, was die er blijkbaar niet in geslaagd de traditie helemaal uit te roeien (al deden démarches als de wijding van de hele meimaand aan de Heilige Maagd uiteraard hun duit in het zakje.) Het was vooral een veranderde mentaliteit die de meiboom op de vuilnisbelt van de geschiedenis deed belanden. "Het heette," schrijft Jef de Jager in Rituelen, "dat de feestelijkheden zozeer waren ontaard dat nette mensen er niet langer aan mee wilden doen. Maar het is niet waarschijnlijk dat het feest van karakter was veranderd; eerder waren die nette mensen 'netter' geworden. Vrijage werd namelijk voor steeds meer paartjes een privé-aangelegenheid."



Waarom plantte men een meiboom?
Dat er een verband is met de in mei bijna explosief losbarstende natuur, lijkt zonneklaar. Op welke manier dan wel, is al wat minder duidelijk. James George Frazer betoogde in The Golden Bough uitvoerig dat de meiboom een relict is van een oude vegetatiecultus waarin de verering van bomen, of meer precies van de in bomen huizende geesten, centraal staat. Door de boom uit het bos in dorp of stad te brengen, importeerde men ook het levensvernieuwende numen dat in de boom huisde; aan dat numen participeerde men door de boom te versieren en eromheen te dansen.
Voor de Roemeense godsdiensthistoricus Mircea Eliade waren de meifeesten niets minder dan kosmogonische riten, waarbij de schepping van de wereld ritueel werd overgedaan. In de winter sterft de vegetatie, met de lente herleeft zij. Om deze herleving te bekrachtigen en te verzekeren, moet de mens ingrijpen. Hij moet de schepping van de kosmos herhalen, de wereld weer structuur geven na de chaos van de winter. Daarom wordt een boom geplant. Hij duidt het centrum aan en brengt zo oriëntatie en orde waar voorheen slechts ordeloosheid was. De boom is de Axis Mundi, de wereldas. Het  schertshuwelijk van meikoningin en –koning is au fond eveneens sacraal: het is een echo van de in illo tempore aangegane verbintenis van hemel en aarde, de oorspronkelijke hiërogamie waaruit het leven is voortgekomen. In oorsprong was het meifeest dus meer dan louter vermaak: het was een heilig gebeuren. Bijgevolg was het ook niet zonder gevaar: 1 mei stond buiten de historische tijd van de mensen en participeerde aan de mythische oertijd, waarin bovennatuurlijke en magische krachten vrij spel hadden. In de eerste meinacht, Walpurgisnacht, waren de elfen, trollen en andere geesten van aarde, water, lucht en vuur actiever dan ooit, terwijl de heksen, zoals we onder andere kunnen lezen in Goethes Faust, hun jaarlijkse sabbat vierden. Het was om deze krachten van het duister af te weren dat men vuren ontstak, waar men dan het vee langsheen joeg omdat het uiteraard ook de wezens van de nacht waren die de dieren ziek konden maken.

Freiheitsbaum, Elzas einde 18de eeuw

Nogal wat historici, vooral van socialistische signatuur, ontkennen dat het hedendaagse Feest van de Arbeid ook maar iets te maken zou hebben met de andere, oudere, meivieringen. Hoogstens zou sprake zijn van hier en daar de ontlening van wat symbolische parafernalia, zoals het meiklokje, dat een vast ingrediënt is geworden van het socialistische feest. Diametraal tegenover deze visie staat die van een aantal godsdiensthistorici en antropologen, die precies een merkwaardige continuïteit menen te kunnen zien in de 1-meifeesten, van vegetatiecultus tot vakbondshoogdag. "Le jour du 1er mai est célébré aujourd'hui comme jour du travail et de la liberté; pour la mentalité moderne, cette fête conserve en partie le mythe de la régénération et de l'amélioration du bien-être collectif, mythe commun à toutes les sociétés traditionalistes," lezen we in Eliades Traité d'histoire des religions.  Mogelijk is dit overdreven (en in ieder geval niet feitelijk te bewijzen), maar zeker is dat ook voor de  hedendaagse industriële of postindustriële sensibiliteit de idee van hernieuwing, van (her)beginnen met een schone lei, onverbrekelijk met 1 mei (en bij uitbreiding met de hele meimaand) verbonden blijft. Herman Gorters nieuwe lente die een nieuw geluid brengt, is meer dan een cliché: we zien en horen nog altijd, we voelen nog steeds in onze knoken, dat het klopt.

Kameraadschappelijk!


© 2013 Clement Caremans





In 1944 dirigeerde Arturo Toscanini, die Italië ontvlucht was voor Mussolini's fascistische regime, Giuseppe Verdi's Inno delle Nazione om de overwinning van de Geallieerden te eren. Verdi componeerde zijn Inno oorspronkelijk rond de nationale hymnes van Groot-Brittannië, Frankrijk en Italië. Om de geallieerde zege te huldigen, besloot Toscanini de Italiaanse hymne weg te laten en That Star Spangled Banner voor de VS en de Internationale voor de USSR toe te voegen. In de jaren 1950, toen met senator McCarthy het House Un-American Activities Committee op volle toeren draaide, knipten censoren de Internationale uit de opname en het filmpje werd lange tijd verloren gewaand.
Toscanini leidt het NBC Symphony Orchestra en het Westminster Choir. Ook Jan Peerce is van de partij als tenor solo, maar die zie je niet in dit fragment.


Volg de activiteiten van Het GenOOtschap - stuwgroep voor cultuur op facebook:
http://www.facebook.com/HetGenootschap

dinsdag 23 april 2013

De prehistorie aan de tand gevoeld: de olifant van Hoboken


De mammoetzaal in het Koninklijk Natuurhistorisch Museum te Brussel, begin 20ste eeuw. Links vooraan de mammoet van Lier, achteraan de olifant van Hoboken



 
 De prehistorie aan de tand gevoeld:
de olifant van Hoboken


Ik was een jaar of tien, elf, denk ik, en ik was voor het eerst in het Koninklijk Museum voor Natuurwetenschappen in de Brusselse Vautierstraat. Als Ali Baba in zijn grot, zo voelde ik mij, te midden van schatten als iguanodons uit Bernissart, walvisskeletten, de enorme collectie zoogdieren (met o.a. een buidelwolf, een blaubok en een Burchells zebra), de Man van Spy en, last but not least, de mammoet van Lier en de dwergolifant – of mogelijk eveneens mammoet – van Hoboken. De in Lier opgegraven mammoet was ronduit indrukwekkend. De andere was wat minder spectaculair en miste bovendien een paar poten, maar sprak niettemin zeer tot mijn prille verbeelding – hij was immers uit de Hobokense grond opgedolven!
Toen ik jaren later – ergens in de jaren 70 – het museum aan het Leopoldpark weer bezocht, was dat een behoorlijke afknapper. Samen met een spitsbroeder dweilde ik zowat alle collecties met levende en fossiele dieren in de Lage Landen en omgeving af en ook Brussel stond op het menu. De verwachtingen waren hooggestemd, maar werden totaal gekelderd. Overheen de iguanodons waren zeilen gespannen, want in hun enorme vitrine regende het binnen. De zaal met de mammoeten zag er vervallen en deerniswekkend uit. Het museum moest dringend onder handen worden genomen, zoveel was duidelijk. Dat gebeurde een poos later ook, en met succes. Het 19de-eeuwse concept werd verlaten en de presentatie werd geactualiseerd. Maar voor de olifant van Hoboken liep het slecht af: hij moest het podium laten aan zijn fortuinlijker, want ogenschijnlijk veel completer, verwant uit Lier en verdween in het depot.
De mammoet van Lier

Nochtans is de Hobokense olifant best interessant, al is zijn skelet hoogst onvolledig. Mogelijk is het zelfs een speciaal geval. Want is het nu een mammoet, of een andersoortig prehistorisch slurfdier? Welke dikhuiden komen in aanmerking? Wat liep er in die ver vervlogen tijden allemaal rond in Hoboken? Daarover zo dadelijk meer.
Maar laat ik eerst beginnen bij het begin, met het verhaal van de vondst van de botten in de Hobokense grond.

In 1862 leefde Hoboken op de rand van een burgeroorlog. Niet alleen Hoboken, overigens: zowat het hele zuidelijke deel van hedendaags Groot-Antwerpen stond in rep en roer.
Op grote schaal waren gronden onteigend, van Merksem tot Hoboken. In een brede band rond de stad werd alles gesloopt en in Wijnegem, Deurne, Borsbeek, Mortsel, Edegem, Wilrijk en Hoboken waren grote graafwerken aan de gang die moesten leiden tot de bouw van acht militaire forten. Het hele project was uitgetekend door Alexis de Brialmont en had tot doel de al van de 16de eeuw daterende Spaanse omwalling rond Antwerpen overbodig te maken. Als die omwalling werd gesloopt, kon de stad eindelijk uitbreiden – een bittere noodzaak, want Antwerpen barstte zowat uit zijn voegen. Het telde meer dan 90.000 inwoners en die hokten allemaal samen tussen de Schelde en de huidige Leien. De vestinggrachten werden gedempt, de wallen en poorten gesloopt en in één beweging werd ook de volkse oude stadskern, waar om de zoveel jaar cholera vele levens eiste, gesaneerd. Dit alles werd mogelijk omdat de Brialmont-kringvesting er kwam. Het Rijk had zich altijd tegen een uitbreiding van Antwerpen verzet, omdat deze stad werd opgevat als het nationale bolwerk dat in tijd van oorlog te allen prijze moest worden gevrijwaard tegen de invaderende vijand. Maar in 1859 stemde baron Pierre Chazal, minister van Oorlog in de liberale regering-Rogier-Frère-Orban, er eindelijk toch mee in. Antwerpen mocht uitbreiden, maar bleef wel réduit national. Daarvoor zouden een nieuwe omwalling en, op grotere afstand van de stad, de Brialmontforten zorgen. De nieuwe omwalling zou vertrekken bij het Noordkasteel en via de Dam, Borgerhout en Berchem naar het Zuidkasteel voeren, over een lengte van 17 km. Voor die nieuwe vestingmuur zou zich een servituutstrook uitstrekken van meer dan een halve kilometer breed, een zone waarin geen enkel permanent gebouw mocht blijven staan. Een paar kilometer verder kwamen dan de acht forten. Het was voor dit alles, dat op grote schaal werd onteigend en gegraven.
In Hoboken zou fort 8 komen. Honderden arbeiders en soldaten, vaak geïmporteerd uit andere delen van het land, leefden in latent conflict met de locale bevolking. Soldaten en burgers gingen regelmatig met elkaar op de vuist. Arbeiders moesten naar hun werkplek worden geëscorteerd door gendarmes. De werken mochten immers geen vertraging oplopen. Hun duur was begroot op vier jaar – spoedig verlengd tot vijf – en de nodige mankracht op 13.000. De kostprijs van de hele onderneming was begroot op  21,6 à 24,8 miljoen frank, een astronomisch bedrag in die dagen.
Olifantenskeletten in het Koninklijk Natuurhistorisch Museum Brussel. Boven links de mammoet van Lier, rechts de olifant van Hoboken. Uit: G. Gilson, Le Musée d'Histoire Naturelle Moderne (1914)

Op een dag stootte men bij het graven op een skelet. Het leek op een olifant, of althans op delen ervan: een schedel, wat ribben, een bekken en één onvolledige achterpoot. Dat men beenderen vond, was niet uitzonderlijk: men kwam tijdens dergelijke werken wel meer fossielen tegen, en omdat men nog met spade en houweel werkte, had men niet alleen een duidelijk beeld van wat allemaal in de bodem zat, maar kon het er ook worden uitgehaald zonder al te veel schade aan de vondsten toe te brengen. Van een wetenschappelijk verantwoorde fouille met respect voor de stratigrafie van de bodem was uiteraard geen sprake. Over het algemeen was de belangstelling voor de vondsten trouwens zeer gering bij de werklui zelf; met de gevonden fossielen zullen ze wel niet al te zachtzinnig hebben omgesprongen. Maar enkele officieren hadden wel interesse. En vanuit de top van het wetenschappelijke establishment van het koninkrijk was een oproep gebeurd om de bodemschatten die bij het graven aan het licht kwamen, te verzamelen en te bewaren. “Profitons des millions qui se dépensent pour la défense nationale!” klonk het niet zonder pathos in december 1861 uit de mond van Pierre-Joseph van Beneden, hoogleraar zoölogie aan de Leuvense universiteit en toen voorzitter van de Belgische Academie voor Wetenschappen. Het waren geen woorden in de wind. Karrenvrachten fossiele beenderen, vooral van walvisachtigen, belandden onder meer in het nog piepjonge (1846) Natuurhistorisch Museum te Brussel. Van wetenschappelijk onderzoek van dit materiaal kwam echter niet veel in huis. De toenmalige staf van het Museum was beperkt. De directeur, burggraaf du Bus de Ghisignies, was een ornitholoog, die zich echter moreel verplicht voelde hier en daar toch aan het determineren te gaan in regionen die niet de zijne waren.
Wanneer de Hobokense olifantenbeenderen precies in Brussel arriveerden en wie ze determineerde, is niet bekend. Du Bus de Ghisignies zelf? De bronnen zijn bijzonder schaars.
In Hendrik Dierickx’ Geschiedenis van Hoboken, is het volgende te lezen:

DE DWERGOLIFANT VAN HOBOKEN  De overblijfselen van dezen olifant werden ontdekt gedurende den bouw van het fort van Hoboken, bij Antwerpen, in 1862. Daar de methodische onderzoeking van onze gronden toen niet georganiseerd was, konden hun afzetting en bijgevolg hun geologische ouderdom niet rechtstreeks bepaald worden. Het onderzoek ervan, en de gegevens hunner ontgraving hebben niettemin laten vaststellen dat het gedeeltelijk geraamte, in 1869 hersteld, van eenzelfde individu is, klaarblijkelijk van een zeer volwassen wijfje. Een opperarmbeen, op dezelfde plaats gevonden, kan wellicht, door zijn kleine afmetingen en zijn verschillen met den Mammoet, geïdentificeerd worden met dezelfde soort van Dwergolifanten, en, tevens door zijn fossilisatie, een tweede individu vertegenwoordigen. – Vandaar het besluit dat deze kleine olifant een goed gekenmerkte vorm is en niet een individueele monstruositeit. – De vergelijking zijner overblijfselen met die van den Mammoet of Elephas primigenius doet zonder aarzelen besluiten tot het bestaan van een onderscheiden soortelijk type. Door zijn niet zeer brede maaltanden, met dikke platen, betrekkelijk weinig in aantal, voorzien van een breeden cementboord en waarvan de emailschijf in het midden gewoonlijk een hoekige uitzetting heeft, door de kenmerken van het onderkaakbeen, door de lichte kromming der slagtanden, is hij in verband met Elephas antiquus. Het eenig te vermelden verschil bestaat in de kleinere breedte van de schijven der maaltanden. Elephas antiquus is de grootste der Olifanten geweest, die zelfs door zijn gestalte alle gekende zoogdieren te boven ging, maar hij is ook nauw verwant met dwergvormen die ten hoogste twee meter bereikten, soms zelfs één meter, aan de schoft. De Olifant van Hoboken valt in deze laatste categorie van Elephas antiquus.De schedel van dit kleine specimen, aldus in 1869 bepaald, werd in 1891voorgesteld en bij wijze van bijzonder ras verbonden met Elephas primigenius onder de naam van Elephas primigenius trogontherii, die zou staan tussen Elephas meridionalis en Elephas primigenius (Dr Pohlig, Dentition und Kranologie des Elephas antiquus). Maar de kenmerken van den Olifant van Hoboken, die alle soortelijke toenadering met den eenen en den anderen dezer Olifanten onmogelijk maken, ontkrachten door het feit deze bepaling, terwijl ze hem duidelijk doen beschouwen als blijvende de vertegenwoordiger van een variëteit van Elephas antiquus in België.

Waar Dierickx deze weinig verhelderende beschrijving haalde, vermeldt hij nergens. Waarschijnlijk gaat het om een zaaltekst uit het Natuurhistorisch Museum; het merkwaardige Nederlands wijst in de richting van een oorspronkelijk Franse tekst, waarschijnlijk vertaald in het Museum zelf. In het archief van het Museum is echter nog bijzonder weinig materiaal aanwezig.
De schaarse documenten die naar het skelet verwijzen, vermelden een oud inventarisnummer – maar de inventaris waaraan wordt gerefereerd, is blijkbaar verloren gegaan. Het skelet is op één van de resterende fiches geregistreerd als een Elephas antiquus Falconer = E. trogontheri. Op een andere fiche, eveneens met vermelding Elephas antiquus, is de opmerking toegevoegd dat “d’après Dollo, cet individu serait un ELEPHAS TROGONTHERI”. Louis Dollo (1857-1931) is in de paleontologische wereld een grote naam: hij stond in voor de reconstructie van de in de mijnen van Bernissart gevonden iguanodons en formuleerde als theoreticus van de evolutieleer de Wet van Dollo, die stelt dat evolutie onomkeerbaar is. Een specialist op het vlak van fossiele olifanten was hij echter niet. De onderzoeker die het skelet als een Elephas antiquus beschouwde, was dat waarschijnlijk evenmin. Wél een specialist was Hans Pohlig, professor te Bonn. Hij verrichtte belangrijk onderzoek naar het leven in de ijstijden en in 1885 beschreef hij als eerste de uitgestorven soort Elephas trogontheri en gaf ze meteen een wetenschappelijke naam (vandaag Mammuthus trogontherii).  Uitgerekend deze Pohlig determineerde het Hobokense geraamte als dat van een mammoet. Wat uiteraard niet betekent dat hij het bij het rechte eind had, maar zijn mening doet zeker ter zake. In het Natuurhistorisch Museum lijkt men overigens vandaag geneigd de mammoetpiste te onderschrijven.
The jury is still out, hoe ook: de olifant van Hoboken werd nooit definitief geïdentificeerd. De morfologische kenmerken van het beest zijn onvoldoende typisch om uitsluitsel te geven. Er zijn geen weke delen bewaard, zodat ook van DNA-onderzoek of eiwitanalyse geen betrouwbaar antwoord moet worden verwacht. Bij het graven werd geen aandacht besteed aan de gelaagdheid van de bodem of aan gidsfossielen – kleine, in een specifieke periode veel voorkomende en gemakkelijk fossiliserende organismen zoals schelpdieren, aan de hand waarvan aardlagen en vondsten kunnen worden gedateerd. Er is ook geen datering met koolstof-14 gebeurd. Datering zou nochtans een belangrijke aanwijzing kunnen geven, want Elephas antiquus leefde, bijvoorbeeld, in een andere tijd dan de mammoet.
Voorlopig blijft het dus gissen. Of misschien zullen we het wel nooit weten.

Laten we toch de belangrijkste kanshebbers even op een rij zetten.
Welke olifanten hebben mogelijk ooit Hobokense lucht in de slurf genomen? En wanneer was dat dan wel?
Olifanten kenden hun bloeitijd in het Tertiair, de geologische periode die van ca. 65 miljoen tot 2,5 miljoen jaar geleden duurde. Ze ontstonden op het toenmalige zuidelijke continent Gondwana, meer bepaald in wat nu Afrika is. Lange tijd wist men niet zo best waar ze te plaatsen in het zoölogische systeem; gewoonlijk werden ze ingedeeld bij de Protoungulata, de oerhoefdieren, omdat ze inderdaad hoefachtige structuren hebben ontwikkeld, maar zonder dat er van enige uitgesproken specialisatie op dit vlak sprake is.  Volgens de nieuwste inzichten, verkregen uit moleculair onderzoek, behoren ze tot de Afrotheria, een diergroep die al zeer vroeg van de andere placentaire zoogdieren (zoogdieren waarbij een placenta of moederkoek de ongeboren vrucht van voedsel voorziet, in tegenstelling tot de buideldieren) afsplitsten en waartoe op het eerste gezicht zeer verschillende vormen als zeekoeien, klipdassen, goudmollen, tenreks en aardvarkens behoren. En dus ook de Proboscidea of olifantachtigen, zo genoemd wegens hun proboscis of slurf. De vroegste olifantachtigen duiken op in het Eoceen, tussen 55,8 en 33,9 miljoen jaar geleden, en vertonen al onmiddellijk een opvallende diversiteit aan vormen. Dé olifantenspecialist van de late 20ste eeuw, Jeheskel Shoshani, sprak in dit verband van de eerste radiatie van de slurfdieren, met de moeritheriën, de barytheriën, de deinotheriën, de paleomastodonten en de mastodonten. Enkele hiervan bleven in Afrika, andere zwermden ook uit over Azië en Amerika. Volgens Shoshani kenden de Proboscidea een tweede adaptieve radiatie, d.w.z. een bloei van vormen als aanpassing aan nieuwe ecologische omstandigheden, in het Mioceen (24-10 miljoen jaar geleden), met de gompotheriën, de amebelodonten, de platybelodonten, de rhynchotheriën, de cuvieroniden, de ananciden en de stegodonten. Ik som gewoon even op, als smaakmaker, om te laten proeven van het rijke en diverse palet van deze diergroep. Zelfs maar heel kort iets over al deze vormen zeggen, zou mij echter veel te ver voeren. Wie er meer over wil weten, kan behalve op het internet terecht in zeer leesbare tot uiterst technische boeken, waarvan ik er aan het slot van dit stukje een paar vermeld.  
De derde radiatie, die in het Plioceen en het Pleistoceen (10 miljoen tot 11.000 jaar geleden) optrad, leverde de Elephantidae of echte olifanten op. In oudere literatuur, zoals het enorme tweedelige Proboscidea van Henry Fairfield Osborn, vind je een waar oerwoud van geslachten die tot de Elephantidae behoren: Loxodonta, Palaeoloxodon, Hesperoloxodon, Hypselephas, Elephas, Archidiskodon, Mammonteus, vele daarvan met een groot aantal soorten. Recente auteurs als Shoshani maken hiermee schoon schip en houden het op drie geslachten, elk met een beperkt aantal variabele soorten: Loxodonta (drie soorten, waarvan de Afrikaanse olifant nog niet is uitgestorven), Elephas (elf soorten, uitgestorven op de Indische olifant na) en Mammuthus (zeven soorten, allemaal uitgestorven). Alle drie de geslachten blijken Afrika als bakermat te hebben gehad, maar Elephas en Mammuthus verlieten het continent en zwermden uit over Europa, Azië en Amerika.

De Lage Landen waren een belangrijk deel van het Tertiair door de zee overspoeld. De zee bedekte ook het noordelijke deel van de provincie Antwerpen, wat de grote rijkdom aan fossiele zeezoogdieren (walvisachtigen en robben) in de bodem verklaart. In de moerasbossen van de kustgebieden en riviermondingen kwamen ook slurfdieren voor – in Zeeland zijn resten gevonden van de aan de mastodonten verwante gomphotheriër Anancus arvernensis en van de eerste mammoetachtige Mammuthus (vroeger Archidiskodon) planifrons


Knobbelkies van Anancus arvernensis
Anancus arvernensis. Museo di Storia Naturale, Firenze
De meeste olifantachtigen hebben echter hun sporen nagelaten in kwartaire sedimenten. Het Kwartair is de geologische periode waarin we vandaag nog leven. Ze bestaat uit het Pleistoceen, populair beter gekend als de IJstijd(en) en het Holoceen, het tijdvak van de moderne mens. In het Pleistoceen koelde de aarde periodiek af om vervolgens weer op te warmen. Tijdens de koude perioden, de glacialen, breidden de ijskappen van de polen en de hooggebergten zich zeer ver uit – de Noordpoolkap kwam ooit tot bij Nijmegen. Het zeeniveau daalde drastisch, zodat bijvoorbeeld de Noordzee grotendeels droog lag. De regio van Hoboken kende een subpolair klimaat en er groeide een toendrasteppevegetatie: taaie grassen, kruidplanten, dwergwilgen enz.  In de warmere perioden, de interglacialen, was het klimaat veel milder en waren de omstandigheden soms bijna subtropisch. Binnen één koudeperiode kon de temperatuur nog flink schommelen: koude stadialen wisselden af met zachtere intermezzi, in het jargon interstadialen. In de warmere periode (interstadiaal) die volgde op de eerste koude periode van het Pleistoceen (Günz I, of volgens de Noord-Europese nomenclatuur Tiglien) leefde hier Mammuthus (Archidiskodon) meridionalis, een tot bijna vijf meter hoge mammoetachtige, de eerste van zijn geslacht op Europese bodem – oudere mammoetvormen hadden nooit Afrika verlaten.
Woudolifant Elephas antiquus door Zdenek Burian
Een andere reus dook op in het Mindel-Riss-interglaciaal (Holstein): de woudolifant Elephas antiquus, in oudere literatuur ook Palaeoloxodon of Hesperoloxodon antiquus genoemd. Volgens de auteur van de door Dierickx geciteerde tekst, komt die bij uitstek in aanmerking als olifant van Hoboken. De nominaatvorm die van West- en Zuid-Europa leefde tot Indië, was enorm, maar de soort had blijkbaar de neiging om op eilanden dwergvormen te ontwikkelen. Sardinië, Malta, Kreta, Sicilië, Cyprus, de Cycladen, de Dodekanessos: ze hadden allemaal hun dwergolifanten, en gewoonlijk kunnen ze worden afgeleid van Elephas antiquus. Maar nu en dan lijkt het eerder om mammoetachtige vormen te gaan, hoewel daar betwisting over is. In het bijzonder Elephas creticus is een lastig geval: tot nu is niet duidelijk of hij tot de olifant- dan wel de mammoetlijn behoort. Een beetje zoals het Hobokense specimen dus. In elk geval: als de olifant van Hoboken tot deze soort – of dit soortencomplex – behoorde, leefde hij in een relatief warme periode in een parkachtig savannelandschap. Hij toefde er in het gezelschap van o.a. nijlpaard, leeuw, edelhert en de neushoorn Dicerorhinus kirchbergensis.
Steppemammoet Mammuthus trogontherii door Dmitry Bogdanov (2009)
In koudere perioden kwam de steppemammoet (Mammuthus trogontherii) in West-Europa voor. Ook dit was een enorm dier – tot bijna vijf meter hoog! – waarvan de kronen van de kiezen aangepast waren aan een dieet van de taaiere steppevegetatie.  Louis Dollo suggereerde dat de Hobokense olifant wel eens tot deze soort kon behoren. Professor Pohlig, de ontdekker en naamgever van de steppemammoet, stelt in zijn monografie over de Dentition und Kranologie des Elephas antiquus Falc. onomwonden dat het specimen “in allen charakteristischen Punkten” overeenstemt met Mammuthus trogontherii. In wat nu Groot-Brittannië is, lijken woudolifant en steppemammoet in het Mindel-Riss-interglaciaal naast mekaar te zijn voorgekomen.

Een laatste mogelijke kandidaat is Mammuthus primigenius, de wolharige mammoet of toendramammoet. Waarschijnlijk evolueerde hij in Oost-Azië uit trogontherii-achtige voorouders. Vooraleer de transitie van trogontherii naar primigenius zich geheel had voltrokken, kwamen al overgangsvormen voor. Björn Kurtén spreekt in Pleistocene Mammals of Europe in dit verband van “a stage where we have to identify the form as a trogontherii-like primigenius rather than a primigenius-like trogontherii.”
De wolharige mammoet is ongetwijfeld de bekendste van alle olifanten uit de prehistorie. Vandaag weet waarschijnlijk zowat iedereen wat een mammoet is en hoe hij er ongeveer uit zag. De mammoet, zo weet zelfs een kind, was een wollige rosse olifant met enorme gekromde slagtanden, die in de guurste dagen van de IJstijd in kuddeverband sneeuw en ijs trotseerde. Hij leefde op de uitgestrekte boomloze grasvlakten van Eurazië en Noord-Amerika samen met wolven, beren, leeuwen, hyena’s, rendieren, wolharige neushoorns én met onze voorouders, die op al deze beesten jacht maakten of er zelf door werden gejaagd.
Dat is het beeld dat je vindt in de vulgariserende wetenschappelijke literatuur en dat vooral ook wordt gepresenteerd in films als La guerre du feu, 10.000 BC en de Ice Age cyclus, in de romans van Jean M. Auel en in documentaires als Walking with Cave Men. Deze mammoet, samen met de dinosauriërs zo ongeveer het populairste en meest gemediatiseerde prehistorische dier, is een constructie, een product van de verbeelding, want uiteraard heeft geen cineast of auteur ooit een levend exemplaar gezien. Niettemin is het beeld van de mammoet dat intussen gemeengoed is geworden, waarschijnlijk behoorlijk exact. Het stemt ongetwijfeld veel meer overeen met de realiteit dan reconstructies van, zeg maar, Tyrannosaurus rex of Velociraptor, roofdinosauriërs waarvan ook iedereen denkt te weten hoe ze eruit zagen sinds ze de show stalen in Jurassic Park of The Lost World. Dat is omdat we van de sauriërs uit het Mesozoïcum alleen (delen van) skeletten kennen. Wat er rond die skeletten zat aan spieren en pezen, kan een anatomisch geschoold paleontoloog met behoorlijke zekerheid reconstrueren. Maar naar het uiterlijk van zo’n dino kunnen we alleen maar gissen. Was hij eentonig of bont gekleurd? Had hij vlekken als een panter, strepen als een tijger? Hoe bewoog hij? Een halve eeuw geleden, toen de hele wetenschappelijke wereld dinosauriërs nog zag als gigantische aan hagedissen en slangen verwante kruipdieren, bepaalde dat in belangrijke mate het beeld dat men van de dieren had: koudbloedig, lethargisch, reptielachtig kortom. Dan keerde het tij. Een nieuwe lichting specialisten accentueerde de nauwe verwantschap en de opvallende overeenkomsten met vogels en begon de sauriërs door de vogelbril te bekijken. Resultaat: dino’s werden voortaan voorgesteld als alerte, actieve en dynamische beesten, die snel en flitsend door het leven gingen – in the fast lane, om te spreken met Bob Bakker, één van de paleontologische nieuwlichters van toen. Toen nieuw fossiel materiaal bovendien aan het licht bracht dat sommige sauriërs misschien wel veren hadden, net als vogels, was het hek helemaal van de dam. In wetenschappelijke en populaire dinosauriërboeken van de jongste twintig jaar zoek je vergeefs naar de bruine, grijze of vaalgroene dino’s van weleer: sommige reconstructies lijken zich eerder te spiegelen aan papegaaien dan aan hagedissen. Nochtans vertrekken al deze reconstructies van hetzelfde basismateriaal: dezelfde stukjes van schedels, tanden, middenvoetsbeenderen, wervellichamen... We bekijken ze alleen door een andere bril.
Toendramammoet door Julius Lippert (1878)
Toendramammoet door H. Credner (1891)


Toendramammoet door Hawkins (1871)




Toendramammoet door Louis Figuier (1876)




Toendramammoeten door Zdenek Burian


Toendramammoeten door Mauricio Anton


Mammoeten in de animatiefilm Ice Age


Pluche mammoetknuffel

Terug naar de mammoet. We hebben een veel exacter beeld van mammoeten dan van sauriërs, en dat om diverse redenen. Mammoeten waren een poos tijdgenoten van de mens, terwijl sauriërs al 65 miljoen waren uitgestorven toen de eerste mensachtigen in de Oost-Afrikaanse savannen opdoken. Mensen hebben op mammoeten gejaagd en ze ook afgebeeld: gesculpteerd, gegraveerd, getekend en geschilderd. En er zijn mammoeten die heel compleet werden bewaard, dank zij de extreme koude van Siberië en Alaska. De meeste mammoetfossielen zijn overigens even gehavend als die van gelijk welk ander groot prehistorisch dier. Het gaat gewoonlijk om losse beenderen, partiële of volledige skeletten of verzamelingen van beenderen afkomstig van meerdere dieren. De aard en de toestand van fossiele resten is het eindresultaat van een heel proces: waar, wanneer en in welke omstandigheden legde het beest het loodje, wat gebeurde er nadien met het kadaver, hoe kwam het weer aan de oppervlakte? Een dier dat sterft in de open vlakte, fungeert eerst als rijk gedekte tafel voor allerlei aaseters vooraleer het onder invloed van zon, wind, regen en een resem micro-organismen ontbindt tot enkel de meest resistente delen, zoals tanden en wervels, overblijven.

Zo verging het ook de meeste mammoeten. Hun fossiele overblijfselen kwamen al in de oudheid nu en dan aan de oppervlakte en werden gewoonlijk geïnterpreteerd als getuigenissen uit de mythische voortijd. Mammoetschedels – én, uiteraard, de schedels van andere olifanten – werden toegeschreven aan de eenogige Cyclopen – het enorme neusgat, waaraan de slurf vastzit, was het ene reuzenoog. De slagtanden waren nu eens afkomstig van eenhoorns, dan weer waren het klauwen van griffioenen. Het schouderblad van de held Pelops waaraan in het Griekse Olympia een cultus was gewijd, was waarschijnlijk afkomstig van een mammoet. In de christelijke wereld werden mammoetbeenderen met een bijbels sausje overgoten en aan de reuzen toegeschreven die volgens het boek Genesis vóór de Zondvloed op aarde rondliepen. Mammoetbeenderen en –tanden waren ook gezochte hebbedingen voor de kunst- en wonderkamers, waarin machthebbers en rijkelui in het vroegmoderne Europa hun verzameldrift naar mooie, kostbare, zeldzame en exotische objecten afkomstig uit de natuur kwijt konden en hun economische status, macht of culturele niveau etaleerden. Toen men einde 17de- begin 18de eeuw de overeenkomst tussen mammoetfossielen en beenderen van hedendaagse olifanten begon te zien, ging men theoretiseren over olifanten die naar het noorden waren getrokken, misschien wel afkomstig uit het leger van Hannibal, van wie we uit Titus Livius’ geschiedenis van Rome weten dat hij de dieren inzette als een soort tanks avant la lettre. Volgens Sir Hans Sloane, de Ierse wetenschapper die als eerste uit Siberië afkomstige fossiele mammoettanden aan olifanten toeschreef (en van wie de zeer uitgebreide historische en natuurhistorische verzameling de kerncollectie zou gaan vormen van het British Museum) was de Zondvloed verantwoordelijk voor de aanwezigheid van resten van een tropisch dier in het Hoge Noorden: ze waren ernaartoe gespoeld. Een echo van deze visie gaf Georges-Louis Leclerc, comte de Buffon (1707-1788) in zijn enorme Histoire naturelle, générale et particulière, met daarnaast ook de mogelijkheid dat olifanten, op de vlucht voor één of andere catastrofe in hun zuidelijker leefgebied, naar het noorden vluchtten en er in een wereld van sneeuw en ijs belandden.
Onderkaak van mammoet (boven) en van Indische olifant (onder), volgens Cuvier

Het was de Fransman Georges Cuvier (1769-1832), de grondlegger van de vergelijkende anatomie, die in 1796 als eerste de toen bekende mammoetfossielen systematisch onderzocht en vergeleek met de Indische en de Afrikaanse olifant. In zijn Mémoir sur les éléphants vivans et fossiles concludeerde hij dat de fossiele resten duidelijk aan een aparte soort toebehoorden, die uitgestorven was. Dat was in die dagen nog altijd een behoorlijk revolutionaire stelling. Hoewel in meer verlichte kringen al langer het denkbeeld circuleerde dat de aarde sinds haar ontstaan veranderingen had doorgemaakt, en sommige wijsgeren en filosofen er zelfs evolutionistische opvattingen op na hielden, was de mainstream opvatting nog steeds de waarheid van het bijbelse scheppingsverhaal. Aan die bijbelvaste doctrine in haar meest letterlijke vorm hing ook een chronologie vast. Die was afkomstig van de Ierse bisschop James Usher (1581-1656), die met feilloze precisie had uitgerekend dat de schepping van de wereld zich had voltrokken in het jaar 4004 voor de geboorte van Christus; de bijbelgeleerde en hebraïst John Lightfoot had de calculatie nog verfijnd en de schepping van de mens gesitueerd op 23 oktober om 9 uur ‘s ochtends. De aarde en haar bewoners waren dus hooguit 6000 jaar oud en in die tijd was alles min of meer gebleven zoals de schepper het in Week Eén had gecreëerd. Op de Zondvloed na dan. Spijts zijn overtuiging dat de mammoet was uitgestorven, was ook Cuvier vast overtuigd van de onveranderlijkheid der soorten. Dat er fossiele organismen werden gevonden die duidelijk niet langer bestonden, trachtte Cuvier met de te verzoenen door periodieke catastrofen (révolutions) voorop te stellen. Niet alleen de Zondvloed, maar aardbevingen, vulkaanuitbarstingen en overstromingen roeiden zo nu en dan al het bestaande leven uit, waarop vervolgens de soorten opnieuw werden geschapen. De organismen waren dus weliswaar onveranderlijk, maar niet eeuwig. Als weer een volgende catastrofe ze van de kaart veegde, werden ze vervangen door nieuwe, onveranderlijke soorten. De mammoet was in deze context dus een oudere soort olifant, behorend tot een vorige versie van de aarde.
De vroege evolutionisten zagen het anders. Voor Jean-Baptiste Lamarck (1744-1829) was het ondenkbaar dat een soort uitstierf. Ze bleef bestaan, maar veranderde gewoon in een andere. De mammoet was in dit perspectief geen verdwenen olifant uit vroeger tijden. Het was de olifant zoals hij toén was, voor hij transformeerde tot zijn huidige versie.

Dat de mammoet een olifant was, stond inmiddels in ieder geval buiten kijf. De Duitse antropoloog Johann Blumenbach doopte hem in 1799 Elephas primigenius, de “eerstgeboren olifant”. Hij bracht hem onder in hetzelfde geslacht als de Indische olifant ofte Elephas maximus, waarmee hij aangaf dat hij de uitgestorven en de recente soort als zéér nauw aan elkaar verwant beschouwde. Blumenbach gaf ook de Afrikaanse olifant zijn wetenschappelijke naam, maar noemde die Loxodonta africana - hij plaatste hem dus in een ander geslacht, wat wijst op minder dichte verwantschap. Hedendaags immunologisch onderzoek heeft overigens aangetoond dat dit niet klopt: Mammuthus, Elephas en Loxodonta bevinden zich op ongeveer gelijke afstand van mekaar.

Vanaf de 18de eeuw, toen de Russische tsaren interesse kregen voor de wildernis van Siberië en de wetenschappelijke exploratie zowel als de economische exploitatie van dit enorme gebied in gang werden getrapt, duiken rapporten op van zeer bijzondere mammoetresten. Uit de permanent bevroren bodem in de Siberische toendra kwamen nu en dan redelijk goed bewaarde tot quasi intacte mammoetlijken naar boven, met vlees en ingewanden en vacht en al. Dat de onderzoekers soms nog konden smullen van overheerlijke mammoetbiefstuk is een mythe,  maar op wetenschappelijk gebied zijn de kadavers een ware lekkernij gebleken. Ze verschaffen immers informatie die normaliter niet voorhanden is als het om uitgestorven soorten gaat: over weke delen, bloedsomloop,  endocrien stelsel, huid, vacht, spijsvertering, enzovoort. Soms zijn zelfs de slurf, de oren en de genitaliën mee bewaard.
De diepgevroren mammoeten zijn uiterst zeldzame fossielen. Tot vandaag werden er een 40-tal gevonden en de meeste daarvan waren verre van compleet. Ongetwijfeld zijn er veel meer vondsten geweest, maar daarvan werd nooit iets opgetekend. In de mythologie van de Siberische herders- en jagersvolkeren, zoals de Toengoezen en de Jakoeten, is sprake van gigantische in het ijs levende monstermollen waarvan de aanblik dodelijk kan zijn, en mogelijk kan mammoet worden afgeleid van de Oeralische woorden maa, “aarde” en mutt, “mol’… Dit lijkt op enige vertrouwdheid van deze mensen met het fenomeen te wijzen. Niettemin zijn uit de tijd voor 1806 maar vier beschrijvingen van vondsten bekend, terwijl de fossielen zelf verloren gingen – gewoonlijk werden de slagtanden als ivoor verhandeld. Zoals trouwens het grootste deel van de mammoettanden die in de loop der eeuwen werden gevonden en waarvoor onder andere China een belangrijk afzetgebied was.
Mammoet volgens Boltunov

De eerste volledig gedocumenteerde vondst van een diepgevroren mammoet dateert van 1799, en staat op naam van Ossip Shumakhov, een Toengoezische jager, die het nabij de delta van de Lena ontdekte. Naar verluidt was Shumakhov eerst bevreesd voor het kadaver: hoewel belust op het ivoor van de tanden, durfde hij die niet onmiddellijk meenemen uit schrik dat het monster zou ontwaken. Hij ontmoette een Russische handelaar, ene Boltunov, die eveneens op het ivoor gevlast was en iets minder bijgelovig dan Shumakhov. Ze lieten het kadaver ontdooien en namen in 1804 de stoottanden weg voor het ivoor. Boltunov maakte een schets van het beest, die uiteindelijk belandde bij Johann Blumenbach. Hoewel de schets zelfs met veel goede wil nauwelijks op een olifant lijkt, blijkt Blumenbach er niettemin onmiddellijk zijn Elephas primigenius in te hebben herkend. De botanicus Johann Friedrich Adam hoorde in 1806 in Jakoetsk over de mammoetvondst en ging op zoek. Hij vond het kadaver in zwaar gehavende toestand: wilde dieren hadden de weke delen grotendeels verslonden. Niettemin was wat overbleef nog altijd de meest complete mammoet die men kende: het skelet (zij het zonder tanden), de huid en een massa haren. Adam tikte nog twee slagtanden op de kop waarvan hij veronderstelde dat ze van het skelet afkomstig waren en droeg de hele zwik over aan het Museum van het Zoölogisch Instituut van de Russische Academie voor Wetenschappen. De aan het instituut verbonden natuurwetenschapper en ontdekkingsreiziger Wilhelm Gottlieb Tilesius reconstrueerde het skelet, waarbij hij wel de slagtanden fout monteerde: hij liet ze naar buiten krommen in plaats van binnenwaarts. Een foute montage van de tanden kwam wel meer voor. Zo waren Amerikaanse wetenschappers, onder wie Rembrandt Peale en president Thomas


Incognitum of Mammoth (in feite een mastodon) met stoottanden naar beneden gekeerd.
Reconstructie door Rembrandt Peale (1803)


Reconstructie van mammoet door Rembrandt Peale (1802)

Jefferson, er in het begin van de 19de eeuw van overtuigd dat de stoottanden van de mammoth of het incognitum (in feite een mastodon) neerwaarts kromden, zoals bij een walrus of een sabeltandtijger. Ze waren er, omwille van de knobbelkiezen van het dier, immers van overtuigd dat het om een monsterlijke carnivoor ging, die zich voedde met herten en bizons...
In 1901 werd, onder de auspiciën van en gefinancierd door de Russische autoriteiten, nabij de Berezovka Rivier weer een bevroren mammoet gevonden. De kop lag bloot en was al gedeeltelijk weggevreten door aaseters, maar binnenin de bek zat er nog gras tussen de tanden. De opgraving duurde tien maanden: het kadaver moest in stukken worden gesneden om het transport naar Sint-Petersburg mogelijk te maken. Het verschafte een schat aan feitelijke informatie die geen fossiel tevoren ooit gaf. Uit de bek die nog gras bevatte en een gebroken schouderblad leidden paleontologen af dat het dier, een stier van 35-40 jaar, zo’n 35.000 tijdens het grazen een ongelukkige val in een kloof maakte en zo aan zijn einde kwam.
Belangrijke vondsten van recentere datum zijn het mammoetkalf Dima, dat nabij de Kolyma Rivier opdook in 1977 en de nog jongere baby Masha, gevonden op het Yamal Schiereiland in 1988. Nog beter bewaard was Lyuba, een baby van één maand die in 2007 werd ontdekt in de permafrost nabij de Yeribei Rivier. De bijzondere toestand van bewaring van dit lijkje is mogelijk het gevolg van de manier waarop het diertje aan zijn einde kwam. 
Babymammoet Yuka


Babymammoet Lyuba

Het is als het ware “op zuur gezet”: waarschijnlijk werd het opgezogen door de modder van een rivier en daarna door lactose-producerende bacteriën “opgelegd”. 

Onder meer dank zij de diepvriesfossielen, weten we over mammoeten veel meer dan over gelijk welke lang verdwenen diersoort. De inwendige organen waren als bij de recente olifanten, waarmee ze genetisch nauw verwant waren: het chromosomale DNA van Mammuthus primigenius en Loxodonta africana is voor ca. 99% identiek. Uitwendig was er een serie aanpassingen aan de extreme koude: kleine oren (slechts 10% van die van de Afrikaanse olifant), een korte staart (21 wervels tegenover 28-33 bij recente olifanten), een tien centimeter dikke vetlaag onder de huid. De vacht was lang en dik, met een bovenste laag van lange, gladde haren en een wollige onderlaag. Ze is bij de fossielen ros of oranjebruin van kleur, maar dat is waarschijnlijk het gevolg van chemische veranderingen in het pigment na de dood van de dieren. Levende mammoeten waren veeleer zwart of donkerbruin, hoewel er ook rode exemplaren kunnen zijn geweest, onder invloed van een mutatie die ook bij mensen een rode haarkleur oplevert. Waarschijnlijk was er een zomer- en een wintervacht. De slurf was bij volwassen dieren twee meter lang en uitgerust met twee “vingers”, één boven en één onder.
Toendramammoeten waren ongeveer even groot als de recente olifanten, wat hen tot de ukken van het geslacht Mammuthus maakt. Hun slagtanden waren bijzonder lang (gemiddeld ca. 2,5 m bij stieren, met uitschieters tot meer dan 4 m) en veel meer gekromd dan bij Elephas of Loxodonta. Ze groeiden spiraalsgewijs eerst van mekaar weg en aan de punten weer naar mekaar toe, waren vaak asymmetrisch gekromd en vertoonden vaak slijtage die erop lijkt te wijzen dat mammoeten hun tanden gebruikten om sneeuw te ruimen op zoek naar voedsel. Net als bij hedendaagse olifanten zullen ze ook hun functie hebben gehad als wapen, zowel tegen roofdieren als in gevechten tussen rivaliserende bronstige stieren. Op de afbeeldingen die de ijstijdmensen van ze maakten, hebben sommige mammoeten geen stoottanden. Dit doet denken aan de Indische olifant, waarvan de koeien slagtanden missen, maar bij de mammoet blijkt er alvast geen seksueel dimorfisme op dit vlak te zijn geweest.
  




Mammoetkies
Op het menu stonden grassen, die waarschijnlijk met de beide vingers aan de slurf werden geplukt en, dan in de bek gebracht. Het gebit was aan dit dieet aangepast: hoogkronige kiezen met tot 26 geglazuurde lamellen, bijeengehouden door tandcement; de lammellen wreven het harde gras fijn. Een volwassen mammoet at waarschijnlijk ca. 180 kilo gras per dag.

Mammoet en mens waren tijdgenoten. Zowel de moderne mens als zijn neef de Neanderthaler bejaagden  de mammoet. Van deze tienduizenden jaren durende coëxistentie, die talrijke archeologische getuigenissen achterliet, bleef geen enkele immaterieel spoor over – geen mythe, legende of religieus gebruik kan ervan worden afgeleid (al heeft men geprobeerd bepaalde figuren uit de mythologieën van de Noord-Amerikaanse Indianen met prehistorische olifanten in verband te brengen). Vroege geologen en paleontologen vonden nu en dan menselijke skeletten in de nabijheid van mammoetbeenderen, maar trouw aan het bijbelse scheppingsverhaal of aan theorieën als die van Cuvier, ontkende men de mogelijkheid dat mensen en uitgestorven dieren ooit samen hadden geleefd. Pas toen halfweg de 19de eeuw in de Franse Dordognestreek paleolithische kunst werd ontdekt waarop onder meer mammoeten stonden afgebeeld, was het onmogelijk de coëxistentie van mens en mammoet nog langer te negeren. Sinds Edouard Lartet in 1864 in de Abri de la Madeleine de eerste in mammoetivoor gegraveerde afbeelding van het beest vond, zijn er zo’n 500 paleolithische voorstellingen van de mammoet opgedoken, van kleine sculpturen en gravures tot grotschilderingen in Frankrijk, Spanje en Rusland. Mammoetivoor werd verwerkt tot sierraad of er werden beeldjes van gemaakt, zoals de Venus van Brassempouy en de Venus van Lespugue. Archeologische opgravingen in Rusland brachten ook prehistorische woningen aan het licht, gebouwd met mammoetbeenderen en (waarschijnlijk) mammoethuiden. Mammoetivoor en –bot werden benut voor het maken van gereedschap en muziekinstrumenten én als brandstof, in de plaats van het veel schaarser hout. Mogelijk gebruikte men soms resten van door mensen gedode dieren, maar uit onderzoek is gebleken dat botten die samen in één constructie werden gebruikt, soms duizenden jaren verschillen in leeftijd. Dit lijkt er op te wijzen dat men vooral mammoetbeenderen gebruikte die men overal verspreid vond. Dat de mens op de mammoet jaagde, staat echter buiten kijf. Hoe gegeerd de olifant als jachtwild was, weten we echter niet. Meerdere karkassen vertonen snij- en haksporen, wat erop wijst dat ze door mensen werden gevild en versneden. Wat nog niet betekent dat ze allemaal effectief ook door mensen waren gedood. Ongetwijfeld was de ijstijdmens in aanzienlijke mate een aaseter, die zoveel mogelijk zijn profijt deed met dode dieren die hij op zijn weg vond.

Mammoet van Bernifal
Mammoet in grot van Pech Merle


Mammoet in grot Les Combarelles aux Eyzies
Mammoetsculptuur, Vogelherd


Venus van Lespugue, Mammoetivoor




Venus van Brassempouy


Paleolithische woonst van mammoetbeenderen, reconstructie. Museum Kiev.

De toendramammoet verdween zo’n 10.000 jaar geleden van het vasteland van Eurazië en stierf waarschijnlijk 3.000 jaar later uit op het Saint Paul Eiland voor Alaska. Alleen op het Wrangel Eiland in de Noordelijke IJszee hield hij het nog langer vol: daar overleefde de kleinere vorm Mammuthus primigenius vrangeliensis tot ca. 2000 voor onze jaartelling. Er liepen dus nog mammoeten rond in dit ondermaanse toen de Egyptenaren hun hoofdstad van Memphis naar Thebe verplaatsten.
Waarom de mammoet van de aardbodem verdween, is niet duidelijk. Een eerste theorie oppert dat één of andere ziekte de dieren massaal naar de eeuwige toendra’s versaste, misschien wel tuberculose. De meest gangbare opvatting was lange tijd, dat klimatologische veranderingen aan het einde van de laatste ijstijd verantwoordelijk waren voor het uitsterven. Door het gewijzigde klimaat, verdween de vegetatie die de toendramammoet nodig had om te overleven snel – zo snel dat aanpassing aan een nieuw dieet niet mogelijk was. Ongetwijfeld heeft ook de mens zijn duit in het zakje gedaan, maar of er werkelijk een Pleistocene Holocaust is geweest zoals vooral Amerikaanse paleontologen sinds de jaren 1960 graag poneren, is nog maar de vraag. Paul Martin lanceerde zijn overkill hypothesis in 1967, het jaar van de Summer of Love. De Flower Power woedde volop, de wijze waarop de mens bezig was zijn omgeving naar de bliksem te helpen, leidde in het kielzog van Rachel Carsons Silent Spring tot een vloedgolf van publicaties over natuurbescherming en milieuzorg. Actiegroepen ontstonden, Earth Day werd ingericht. Dat de mammoet – en met hem de hele megafauna –  brutaal werd afgeslacht door mensen, was een theorie op maat van die dagen. Waarschijnlijk is ze te eenzijdig. Ze blijft niettemin relevant, omdat ze de vinger legt op de kwetsbaarheid van ecosystemen. Ook vandaag heeft ze nog enige aanhang, en niet ten onrechte – de mens hééft ongetwijfeld bijgedragen tot het verdwijnen van de mammoet.
Mammoetjacht door Zdenek Burian
Maar hij niet alleen. Een combinatie van de verschillende hypothesen lijkt dan ook het plausibelst. Ten gevolge van klimaatwijziging traden er veranderingen op in de vegetatie van de mammoetsteppe en begon het voor mammoeten geschikte areaal te krimpen. Volgens een onderzoek uit 2008 zou die krimp wel eens heel drastisch kunnen zijn geweest: van bijna 8 miljoen km² 42.000 jaar geleden tot 800.000 km² 6.000 jaar geleden. De ingrijpende habitatreductie was nefast voor het voedselaanbod. Voor grote dieren (megafauna) is de impact van dergelijke veranderingen steeds bijzonder groot. Hun aantallen zijn altijd al kleiner, terwijl hun voortplantingssnelheid gewoonlijk extreem laag is. De populatie van de mammoet ging zienderogen achteruit en de geslonken kudden werden een gemakkelijke prooi voor menselijke jagers. En voor, mogelijk epidemische, ziekten. Ook de rest van de ijstijdfauna ging kopje onder: leeuwen, paarden, neushoorns, reuzenherten… ze verdwenen uit de noordelijke steppen of stierven geheel uit. Alleen het rendier, de muskusos en de wolf konden zich blijkbaar handhaven.
Volgens recente research zou het debacle van de pleistocene megafauna de opwarming van het noordelijk halfrond mogelijk hebben versneld. Het zou op vrij korte tijd hebben geleid tot een temperatuurstijging van 0,2°C in het hoge noorden. Mammoeten waren verzot op jonge berkjes en hielden millennia lang de toendrasteppe boomvrij. Toen de mammoet schaarser werd, wonnen de berken terrein. En omdat berkenbossen meer warmte vasthouden dan grassteppe, ging de temperatuur omhoog.

Uiteraard zijn er mensen die weigeren te geloven dat de mammoet echt het loodje legde. De eerste die beweerde een levende mammoet te hebben gezien, was de kozakse hetman Yermak Timofeyevitsj, die in 1581 in de Oeral oog in oog zou hebben gestaan met een grote harige olifant. In de 19de eeuw ontvingen de Russische autoriteiten meermaals berichten van waarnemingen van grote harige beesten in Siberië, maar geen daarvan werd ooit bevestigd. Ene Gallon, verbonden aan het Franse consulaat in Vladivostok, beweerde dat hij in 1920 een Russische pelsjager had ontmoet die, diep in de Siberische taiga, gigantische harige olifanten had gezien. De Belgisch-Franse mammaloog en grondlegger van de cryptozoölogie Bernard Heuvelmans, brengt in On the Track of Unknown Animals het hele verhaal en ziet elementen die, wat hem betreft, het getuigenis onderbouwen: “Het beste bewijs, volgens mij, van de waarheid van het verhaal, is dat de jager zegt de mammoeten in het bos te hebben gezien, een plek die gewoonlijk niet als hun natuurlijke habitat wordt beschouwd. Had hij, of M. Gallon, het verhaal verzonnen, zou hij, om het authenticiteit te verlenen, het de traditionele setting van alle reconstructies hebben gegeven: het grote harige beest dat zich met zware stappen een weg baant in de sneeuwwoestijn.” Veel recenter, in 1984, zou prinses Rangsrinopadorn Yukol in noordelijk Thailand een kudde van 20-30 harige olifanten hebben gespot, die zij “mammoeten” noemde. Er werden (slechte) videobeelden van gemaakt, op basis waarvan Thaise zoölogen de dieren identificeerden als Indische olifanten die hun voor de kalveren van deze soort typische lange beharing nog niet hadden afgeschud. 
Geruchten over overlevende mammoeten komen ook uit Alaska. In oktober 1899 zou een zekere Henry Tukeman er een mammoet hebben geschoten en het kadaver aan het Smithsonian Institution in Washington, D.C. hebben geschonken. In het museum wist men echter nergens van...
Dat er ergens op een vergeten plek van deze aarde nog levende mammoeten rondstruinen, is ongeveer even reëel, denk ik, als dat men op een dag de ark van Noah vindt of dat Elvis Presley nog in ons midden toeft.
Toendramammoet Mammuthus primigenius

Mammuthus primigenius is uitgestorven. Schluss. Zo’n uitspraak houdt echter geen rekening met de ambities (volgens sommigen) of fantasieën (zeggen anderen) van de hedendaagse biotechnologie. Geheel in de stijl van Crichtons Jurassic Park, waarin enkele geniale maar ook wel dolgedraaide wetenschappers fossiel DNA van dino’s gebruiken om er een mesozoïsche fauna weer mee tot leven te wekken, dromen sommigen er ook van met behulp mammoet-DNA levende mammoeten te creëren. Theoretisch gezien behoort dit overigens veel meer tot de mogelijkheden dan wat Crichton uit zijn duim zoog. Waar in Jurassic Park het DNA wordt geïsoleerd uit sauriërbloed dat in het darmkanaal zit van 80 miljoen jaar geleden in barnsteen ingesloten muggen, kan dat van de mammoet worden gehaald uit zacht weefsel dat zo’n 15.000 jaar in diepgevroren toestand werd bewaard. In theorie is de kans op bruikbaar mammoet-DNA dus veel groter. De praktijk leverde tot nu echter bijzonder weinig bruikbaar materiaal op, en zeker niet voldoende voor de aanmaak van een embryo.  Er is ook wel gedacht aan kunstmatige inseminatie. Een olifantekoe zou worden bevrucht met diepgevroren sperma van een fossiele mammoetstier, met als resultaat een 50%-mammoetkalfje. Voortdurende herhaling van het procedé zou na enkele generaties kunnen leiden tot quasi zuivere mammoeten. Dat tot vandaag geen enkele spermacel van een (levend!) zoogdier het langer dan vijftien jaar in de diepvries volhield, is in deze context uiteraard een belangrijk aandachtspunt...

Minder spectaculair dan de heropwekking uit de doden van de mammoet, is de idee om de megafauna van het einde van het Pleistoceen nieuw leven in te blazen via reconstructie met behulp van recente soorten. Dus gaat men niet proberen mammoeten en hun tijdgenoten met moleculaire spitstechnologie te herscheppen, maar wel een compleet ecosysteem te installeren dat maximaal aansluit bij dat van het einde van het Pleistoceen. Men spreekt dan van rewilding – of met een nog niet bestaand Nederlands woord herwilderen. Op kleinere schaal gebeurt dit al. De Oostvaardersplassen in Nederland zijn een klassiek voorbeeld. Daar heeft men een stuk Zuiderzee dat maar niet naar behoren ingepolderd raakte, gelaten voor wat het was en een moerasgebied gecreëerd. In dat gebied werden konikpaarden losgelaten en heckrunderen (dat zijn runderen ontstaan uit de pogingen in de jaren 1930 van de Duitse gebroeders Heck om het oerrund Bos primigenius te reconstrueren via selectie van primitieve runderrassen). De koniks en  de runderen vormen er met edelherten de kern van een bescheiden megafauna, die een indruk biedt van hoe de streek van de grote rivieren er uitzag toen de échte oeros er zij aan zij met de wisent en de eland graasde en er pelikanen op de Lek en de Waal dobberden. De reïntroductie van de bever in sommige wetlands van België en Nederland en zelfs het inzetten van grote grazers als Galloways en koniks in de Hobokense polder zijn exponenten van de herwilderingsgedachte.
Pleistocene rewilding gaat natuurlijk veel verder. Tim Flannery schetst in The Eternal Frontier. An Ecological History of North America and Its Peoples de teloorgang van de grote ecosystemen op het Noord-Amerikaanse continent en de lamentabele gevolgen daarvan: radicale verarming qua ecologische diversiteit, verwoestijning van zowat de hele Midwest, economische malaise in de getroffen gebieden met verpaupering en sociale spanningen als gevolg. Flannery pleit ervoor om de Midwest weer te gaan gebruiken voor iets waarvoor hij geschikt is: als prairie, waarop een megafauna kan floreren die, in gedeeltelijk gecontroleerde omstandigheden, bovendien een belangrijke aanvullende proteïnebron voor de mens kan betekenen. En een rol kan spelen in het herstel van het klimatologisch evenwicht – al weet niemand exact hoe dan wel.
Een gebied van 362.000 km² komt in aanmerking voor herwildering met grazers die momenteel nog in Amerika voorkomen en soorten waarvan zeer nauwe verwanten er ooit leefden: gaffelantilopen, bizons, pekari’s, herten, lama’s, kamelen, tapirs, paarden en olifanten aangevuld met essentiële predatoren als wolven, coyotes, poema’s, jaguars, jachtluipaarden, leeuwen en beren. In dit systeem zou er weer plaats zijn voor de nu haast verdwenen kraanvogels, of voor de ei zo na uitgestorven Californische condor. Voor heel wat pleistocene soorten is er uiteraard geen hedendaags equivalent meer voorhanden: reuzenluiaard, sabeltijger en kortsnuitbeer verdwenen zonder verwanten of ecologische parallellen na te laten. En er zullen arbitraire keuzes moeten worden gemaakt. Welke olifant kan het beste de mammoet vervangen? De Indische, die er morfologisch meer op lijkt, of de Afrikaanse, die er ecologisch dichter bij staat?
Het ecosysteem dat via herwildering tot stand komt, is geen spontane natuurlijke evolutie, maar een menselijke creatie. Net zoals de huidige desastreuze situatie door mensenhand tot stand kwam. Maar, zo luidt de redenering, alles is beter dan wat er nu is. Want nu is er vrijwel niets.
Heeft rewilding een toekomst? En zo ja, op welke schaal? De keuze ervoor én de uitvoering van die keuze veronderstellen alleszins een out of the box denken waar momenteel in de politiek, van locaal tot mundiaal niveau, weinig ruimte voor is.
De kans dat er binnenkort Afrikaanse olifanten in de Hobokense polder zullen grazen, lijkt me in ieder geval klein.


Kudde mammoeten in het Sommegebied door Charles Knight

Tot slot zoals beloofd enkele profijtelijke boekskens over mammoeten, olifanten in bredere zin en de IJstijd.
Over de mammoet:
Cohen, Claudine. Le destin du mammouth. Paris, 1994.
Foucault, Alain & Marylène Patou-Mathis. Au temps des mammouths. Préface d’Yves Coppens. Paris, 2004.
Haynes, Gary. Mammoths, Mastodonts, and Elephants. Biology, Behavior, and the Fossil Record. Cambridge, 1991.
Lister, Adrian & Paul Bahn. Mammoths. Foreword by Jean M. Auel. New York, 1994.
Stone, Richard. Mammoth. The Resurrection of An Ice Age Giant. Cambridge, Massachusetts, 2001.
Over slurfdieren:
Carrington, Richard. Allemans vriend olifant. Natuurlijke historie, evolutie en invloed op de mens. Amsterdam-Brussel, 1960.
Gröning, Karl & Martin Saller. De olifant in de natuur- en de cultuurgeschiedenis. Keulen, 1999.
Osborn, Henry Fairfield. Proboscidea. A Monograph on the Discovery, Evolution, Migration and Extinction of the Mastodonts and Elephants of the World. Vol. I: Moeritherioidea, Deinotherioidea, Mastodontoidea. New York, 1936.
Osborn, Henry Fairfield. Proboscidea. A Monograph on the Discovery, Evolution, Migration and Extinction of the Mastodonts and Elephants of the World. Vol. II: Stegodontoidea, Elephantoidea. New York, 1942.
Scigliano, Eric. Love, War, and Circuses. The Age-Old Relationship between Elephants and Humans. Boston-New York, 2002.
Shoshani, Jeheskel & Pascal Tassy (eds.) The Proboscidea: evolution and palaeoecology of elephants and their relatives. Oxford, 1996.
Shoshani, Jeheskel (red.). Olifanten. Weert, 1993.
Shoshani, Jeheskel (e.a.). The Illustrated Encyclopedia of Elephants. From Their Origins and Evolution to Their Ceremonial and Working Relationship with Man. New York, 1991.
Over de pleistocene megafauna:
Agustí, Jordi & Mauricio Antón. Mammoths, Sabertooths and Hominids. 65 Million Years of Mammalian Evolution in Europe. New York, 2002.
Burroughs, William. Climate Change in Prehistory. The End of the Reign of Chaos. Cambridge, 2005.
Fagan, Brian (red.). IJstijd. Het complete verhaal. Klimaatveranderingen op onze aarde. Zwolle-Leuven, 2009.
Kurtén, Björn. Pleistocene Mammals of Europe. Chicago, 2007 (London, 1968).
Levy, Sharon. Once & Future Giants. What Ice Age Extinctions Tell Us about the Fate of Earth’s Largest Animals. Oxford-New York, 2011.
Prothero, Donald R. & Robert M. Schoch. Horns, Tusks, and Flippers. The Evolution of Hoofed Mammals. Baltimore-London, 2002.
Van der Vlerk, I. M. & F. Florschütz. Nederland in het IJstijdvak. De geschiedenis van flora, fauna en klimaat, toen aap en mammoet ons land bewoonden. Utrecht, 1950. 
Ward, Peter. The Call of Distant Mammoths. Why the Ice Age Mammals Disappeared. New York, 1997.




© 2013 Clement Caremans


Volg de activiteiten van Het GenOOtschap - stuwgroep voor cultuur op facebook: http://www.facebook.com/HetGenootschap